17 KEUREN

17 maart St Gertrudis 2018 geschreven.

DE AGRIPPIJNSE PENNING.

In “Een Mythe Ontmanteld” en in mindere mate in “Nieuw Licht” op de 17 Keuren heb ik er op gewezen dat de z.g.n prologen bij de Keuren en de Landrechten horen en dat ze gezien moeten worden als rechtvaardiging van het feit dat de Friezen zelf ook wetten hebben gegeven of soms ook hebben gekregen. Met deze prologen, een opsomming van keizers koningen en veldheren (Agrippa, Cesar, Carolus) tonen de Friezen aan dat ze staan in een grote traditie van de grootste wetgevers ter wereld staan, een reeks,  die in sommige gevallen zelfs terug gaat tot heersers in het midden oosten en Egypte. De herkomst van deze prologen is inmiddels wel duidelijk: ze komen uit compilaties van de wereld geschiedenis die in de veertiende en vijftiende eeuw in omloop waren, de zogenaamde cosmografiën. Ondanks de verwijzing naar Agrippa, heb ik tot nu toe niet gezien, dat er in de 17 keuren ook zo’n citaat uit een cosmografie is opgenomen. Het is de verwijzing naar de Keulse penning. Ook de kwestie waar de Friezen hier in de 17Keuren op zinspelen is een vrij late. Net als in de prologen, is de historische informatie niet geheel juist. De hele uitweiding over Agrippa die de stichter (stichtster!) van Keulen zou zijn kan in tegenwoordige ogen geen genade meer vinden. De vraag is wat er eigenlijk aan de hand is in het Friesland van de late veertiende en vroege vijftiende eeuw. De kronieken waaruit geput wordt komen namelijk uit die periode. Maar niet alleen de wereldkronieken, ook de oorkonden kennen in deze tijden een kwestie over Keuls, of niet.  Eigenlijk is de vraag in die dagen: houden we het oude Trooisch gewicht aan of het door de handel belangrijker geworden Keulse gewicht. De kwestie van welk gewicht men diende te gebruiken komt in 1346 in Brielle, den Briel voor het eerst naar buiten. Voor Friezen is het toch wel noodzakelijk om eens in een oorkondeboek te neuzen, en niet alleen in het Friese, maar ook in de Hollandse oorkonden. Het kiezen van een bepaald handelsgewicht heeft ook te maken met het slaan van munten. Zou men nu in het vervolg munten moeten slaan op basis van het ene dan wel op het andere gewicht. Het gewicht van Troyes, nog afgeleid van de standaard van Karel de Grote of het gewicht van Keulen, wat ongeveer 50 gram zwaarder was. Het is een zaak waar pas in 1550 voor het laatst onenigheid over is geweest. Ook in het eerste kwart tot aan het midden van de 15e eeuw is er steeds weer de vraag: gaat het om Keuls of om Trooisch gewicht. ?  De reden waarom deze passage in alle versies van de 17 keuren is opgenomen is waarschijnlijk toch een zaak geweest waar de handel om vroeg. De handel wilde vaste en stabiele munten met een duidelijk gehalte aan edel metaal, in die dagen vooral zilver. Daar waren in de eeuwen tussen 1000 en 1200 nog al problemen over geweest. De munten werden kleiner en bevatten ook in procenten steeds minder zilver, tot het dieptepunt in 1247. In dat jaar kwamen er via de handel de engelse munten, sterlingen genaamd. Hun taak werd rond 1330 overgenomen door – eerst- de Franse groot, daarna door de Vlaamse groot. De herkomst van deze munten waren dus niet uit het Duitse zeg Keulse gebied. Het gegeven uit Holland, Den Briel, betekent dus  omdat al de versies van de 17Keuren in de codices deze passage bevatten, dat deze uitweidingen over de Keulse historie er zeker niet voor die datum in opgenomen kunnen zijn. Feitelijk bevestigt het, wat te zien was aan de ontlening van 13 van de 17 keuren, waarvan de vroegste uit een stuk van 1276 kwam en de laatste uit 1427, namelijk dat de 17Keuren helemaal niet het oudste Friestalige stuk zijn dat we kennen. Alleen jammer dat de instituten die de bestudering van de Friese geschiedenis hun beroep hebben gemaakt dit niet zelf hebben opgemerkt. Blijkbaar moet dat door een buitenstaander worden ontdekt. Maar vergelijk eens wat de buitenstaanders de laatste 20 jaar over de datering van de Friese geschiedenis hebben gepubliceerd. Algra moest onder de schijn uitgeverij De Graal zijn publikaties naar buiten brengen. Over zijn idee van tijdrelaties en dateringen moet men zeer gereserveerd zijn. Wat onder de al evenzeer samizdat-achtig klinkende uitgeversnaam Fondsen de Neitiid is gepubliceerd overvleugelt toch wel het weinige wat bij de Fryske Akademie, of onder haar auspiciën is uitgekomen.  Is men doof, of blind, of gewoon Fries religieus, dat men zelfs de meest voor de hand leggende conclusies niet kan trekken?

 

REAKTIE.

Het bespreken van publikaties is een handwerk dat niet iedereen ligt. Ook is het doel van een bespreking niet voor iedereen gelijk. Het kan resultaatgericht zijn en al dan niet positief uitvallen. Het kan tegen de persoon gericht zijn, het kan ook een bespreking zijn, die de methode van onderzoek onder de loep neemt. Zo mocht ik onlangs in De Fryslân een bespreking over mijn laatsteling, Nieuw Licht op de 17Keuren, lezen. Dit was de aanleiding om met een correspondentie te beginnen met de bespreker, de heer Kees Kuiken. Volgens hem had ik een niet volkomen authentiek stuk gebruikt om keur 3 van de 17Keuren aan te wijzen als bron van de ontlening. Er werd gesuggereerd, dat Schwarzenbergh het oorspronkelijke stuk in zijn oorkondeboek vervormd heeft opgenomen en als bewerker niet al te nauwkeurig was. Als kenner voel je al waar het heengaat: het is de bedoeling om de resultaten in discrediet te brengen. Het stuk, wat, naar men dacht dat het oudste stuk in de Friese Literatuur zou zijn, bleek nu plotseling twee en een halve eeuw jonger. En door Schwarzenbergh van onnauwkeurigheid, om niet te zeggen fraude te beschuldigen, was voor mijn bespreker mijn conclusie, dat de 17 Keuren zijn opgesteld in 1427 niet juist. Dan valt de vraag, moet je het hele onderzoek afkeuren en opnieuw doen, want van de 13 artikelen in deze keuren bleven er dus nog 12 als onbetwist staan. Die zouden dan ook gediscrediteerd moeten worden.

Achteraf, zo bleek tijdens de correspondentie, was de zaak veel eenvoudiger. De inhoud van Keur Nummero Drie is als volgt: een Fries mag op zijn goed zonder aanspraak van het gezag (“onbescat”) op zijn goed blijven wonen. Waarschijnlijk wordt hier gezinspeeld op het doen van een leenhulde aan de Hollandse graaf. Ik beriep me op de tekst van een voorstel door Albrecht van Beieren, die Friesland wilde onderwerpen en daarvoor voorwaarden stelde. In een eerdere versie stond deze “onbescat” of “unbirawed” passage niet. Hoe kwam die er nu in? Die kwam uit het stuk dat de heer Kuiken op het oog had: daarin stelt, naar ik aanneem een Friese deputatie voor, om zich op een bepaalde manier te schikken onder het Hollandse gezag, waarbij ze deze passage voor het eerst opvoeren. Met manuscript waar deze tekst door Schwarzenbergh uit genomen werd, is blijkbaar een kopie en ook nog een bijzondere, want aan het eind wordt gedaan of Albrecht er al mee ingestemd heeft en dat verwanten en medestanders van de graaf deze Friese versie van het verdrag mede ondertekend hebben. En wel een jaar voor de door mij gebruikte tekst. Geen wonder dat tegen deze tekst een zekere verdenking bestaat, maar dat Schwarzenberg hierin “geknoeid” zou hebben is onjuist, hem treft geen blaam.

De conclusie dat dit de op één na jongste keur is, uit het jaar 1399, die in de 17 keuren terecht is gekomen, blijft nu volkomen overeind. Er moet zo langzamerhand eens worden nagedacht over de kwaliteit van de methodes, die gebruikt zijn om op de absurd oude dateringen voor de 17 Keuren uit te komen. Tevens zal er een plan moeten worden uitgestippeld om te ontdekken wat dan wel de eerste tekst is, die in het Fries opgesteld is. Een handleiding daarvoor heb ik een Mythe ontmanteld gegeven. Nu blijkt dat de 17 keuren eerder het sluitstuk van een ontwikkeling zijn, dan dat het manifest was, waar de Frieszinnigheid uit voortsproot, vier eeuwen voor het werd opgesteld.

Jan Post.

WAT ER AAN DE PUBLIKATIE VAN DE 17 KEUREN VOORAF GING.
BESPREKING VAN EEN MYTHE ONTMANTELD.

Veel onkruid en een bom in de Friese Lusthof.

Al bijna een halve eeuw geleden bestond er een rubriek in de Leeuwarder
Courant, waarin Gaatske Kroodsma Snikstra schreef over de zaken die er
in en rond Klamsum gebeurden en die haar bezig hielden. In een soort
vertaald Fries, dat later alleen nog in Bokwerd werd gesproken. Schrijfster
woonde in het oord Klamsum. En inderdaad, zo nu en dan was de sfeer in
die brieven behoorlijk klam, soms ook een ietsje klef. Maar goed, daar
ging het over literatuur. Het schijnt, dat Klamsum en Gaatske's Friesche
Lusthof weer opgestaan zijn, en wel in dat deel van de lusthof dat zich
met geschiedenis bezig houdt. Ter redactie verdwaalde onlangs de tweede
druk van een boek dat aantoonde dat er heel wat onkruid viel te wieden.
Of was de tuin in handen gevallen van ondeskundige hoveniers? De auteur
van het boek constateert als allereerste dat alle auteurs het met
verschillende dateringen eens lijken te zijn, terwijl de uitkomsten
nogal verschillen. De schrijver van dit boek constateert zo, dat er in het Friesche geen gemeenschappelijke norm bestaat om wetenschap te bedrijven,
al beperkt de onderzoeker zich tot de periode tussen 1000 en 1500. Er wordt verder op gewezen, dat er wordt gerefereerd aan bronnen die geen bronnen zijn,
zoals de abtenlevens van Mariëngaarde en de lijst kloosterheren van
Lidlum. Achteraf blijken dat gewoonweg vervalsingen te zijn en het 
wordt ook nog door het onderzoek zelf bevestigd.

Het grootste bezwaar evenwel is dat de historici in de Friese Lusthof
zich ook alleen maar baseren op stukken in de Friese taal. Alsof daaruit
alle wijsheid voort zou komen! De schrijver van de studie "Een mythe
ontmanteld" rekent daar rationeel mee af. Er wordt hier van een wildernis van stukken data en dateringen een geschoren en overzichtelijk gazon gemaakt. In een schema wordt aangetoond dat de belangrijkste van die Friese stukken allemaal uit dezelfde periode stammen. Immers: als de munten in de betreffende gelijk zijn, dan zijn de stukken even oud, in elk geval in de zelfde periode onderhanden genomen. Waarbij ik deze suggestie in dit laatste geval verwerp, omdat er geen oudere versies zijn. Als er verschil in de munten zit, die in de opgenomen stukken voorkomen, dan hebben de stukken een verschillende ouderdom. Een mening die men tot nu toe niet in de Friese Lusthof of akademie heeft vastegesteld. De auteur toont dat aan door naast elke datering een oorkonde van hetzelfde jaar te leggen die die mening van een gelijke ouderdom van die stukken finaal ontkracht.De stukken in de zogenaamde Friese Codexen hebben stuk voor stuk een verschillende ouderdom. De codexen zijn van gelijke ouderdom.
Dat is trouwens toch het sterke van deze studie: er wordt heel wat
onkruid gewied, door naast elke bewering een oorkonde te stellen, die de
onjuistheid, vaak ook absurditeit van de mening die men in de Lusthof
heeft opgekweekt, vakkundig te niet te doen. Want, veel van wat men zo al
denkt in en deze hortus, is slechts gebaseerd geweest op gissingen. Dat
begon al met Von Richthofen, die de studie van de Friese geschiedenis als eerste al de verkeerde kant op stuurde, en waar men nog steeds niet van genezen is. Erger: men is op die weg doorgegaan. Men heeft stukken die uit 1400 en-nog-wat stamden op grond van een enkel woord of term gedateerd in 1050. Terwijl geen van de hoveniers durft te zeggen dat de ander fout is. Men heeft gewoon nooit consequent onderzoek uitgevoerd, naar de herkomst van de oudste Friese stukken. Men denkt, zoals hier boven blijkt, dat de Friezen al in de elfde eeuw schreven,
terwijl deze onderzoeker pertinent vaststelt dat de eerste keer dat de
friezen de veer in de inktpot doopten, het direkte gevolg was van een van
de artikelen uit het Verbond van de Upstalboom.

Frappant is ook de ontdekking dat het Schoutenrecht niet uit 1250 stamt, maar dat het pas in 1358 meegenomen moet zijn uit Medemblik. Het was in
oorsprong een Hollands stuk, dat was opgesteld met de bedoeling om
Friesland bij Holland in te lijven. Maar in de Friese Lusthof denken de
tuinlieden dat de Friezen het omstreeks 1250 zelf hebben opgesteld. In
dat geval heeft men wel een onuitroeibaar onkruid gecultiveerd! Hetzelfde geld voor de 17 keuren. In dit geval weet de auteur nauwkeurig aan te duiden dat dit
stuk voortkomt uit een van de voorschriften van Focko Ukena. Deze 15-e
eeuwse Oost-fries wilde een nieuw en verstandig landrecht. Het kan niet
anders dan dat hij zich daarbij verzette tegen de oude 13e en
veertiende eeuwse vorm van rechtspreken in de oude goën, zoals Hunsingo,
Fivelgo en dichter bij huis, van Langewold in het Westerkwartier.  Deze
oude wetten zijn namelijk bijzonder kort en de boete wordt rechtstreeks
van het vergrijp afgeleid. In feite zijn het niet meer dan reeksen
boete's voor vergrijpen. Terwijl Focko Ukena de gevallen op zich, in
een modernere zin omkleedt. Er worden algemene voorwaarden gesteld,
waarom en waarom niet, en er wordt op de oorzaken van het delict
ingegaan. Aan de hand daarvan wordt de boete bepaald. Bepaald modern voor
die tijden. 
Een andere conclusie van de auteur is, dat de Asega dan aan het Schoutenrecht is ontleend en dus een Hollands begrip moet zijn, dat de Frana daarentegen,uit het midden- of zuidduitse gebied moet komen, geïmporteerd door de Hollandse graven van het Beierse huis, die een landrecht aan de Friezen wilden opleggen. Wat we nu Schoutenrecht(en) noemen. Waarbij de woorden Asega een Frana een historisch sausje was, waarvan de Hollanders suggereerden dat dit ook in de oude Friese rechtspraak had bestaan. Door dit te op nieuw te gebruiken en te mengen kreeg 
Focko Ukena een oud aandoende terminologie voor zijn "nieuwe en vorstandige lantrecht".
De Friese historici hebben zich laten foppen. En met deze fop- chronologie 
hebben ze een theorie opgebouwd, waarmee ze in ouderdom van het taalgebruik boven alle provincies uitsteekt. Maar, meent de auteur van de “Mythe”, het is grootdoenerij en humbug. De Friese historie en met name de periode van 1000 tot 1500 is aan herziening toe.
Uit een kort gesprekje met de auteur blijkt dat men in de Friese Lusthof niet wil weten van andere vormen van onderzoek. Het zou "zekere belangen" kunnen schaden.  De reden daarvoor zou wel eens kunnen zijn, dat men druk bezig is met een nieuwe Friese encyclopedie. 
Waarschijnlijk wil men daar nog graag één keer victorie kraaien met het
hap-snap onderzoek dat nu gangbaar is. Op een soortgelijke manier heeft
men destijds de datering van R.H. Bremmer die de eerste schrijfsels van
Friese hand ook empirisch trachtte te dateren, met onjuiste middelen en
op onheuse gronden afgeserveerd. Het schijnt dat dat hier ook gebeurt,
door de Friese Lusthof niet open te stellen, terwijl de tuinlieden zich
hullen in de gipsen grijns van tuinkabouters. Blijkbaar heeft Post
hiermee een bom gelegd onder het begrip Oud Fries; dat bestaat volgens
hem alleen maar door de vervalsing van criteria. Het tikken van de bom
is overigens waargenomen bij de Koninklijke Nederlandse Academie van
Wetenschappen, (Het Bureau) waar  P.T. van Renen in een gesprek met de auteur
liet weten, dat er met deze consequente methode heel wat valse lucht uit
de Friese veronderstellingen was geperst. Tot nu toe een van de weinige 
positieve reakties op dit werk. Het valt overigens ook op internet in te zien. Type gewoon de titel in.

Besproken werd
J. Post; Een Mythe ontmanteld.
Prijs: ook de tweede druk is uitverkocht. 

17 KEUREN

Op 27 oktober 2015 heeft schrijver dezes een nieuw boek ten doop gehouden in de kerk van het dorp Wier. Daar was vrij veel belangstelling, maar ondanks dat de pers was uitgenodigd, er was zelfs een vertegenwoordiger van het metier, is er tot nu toe geen bespreking in de twee grote Friese kranten gevolgd.  Niet dat ik als schrijver dat dan nu zelf zal doen, maar ik zal de komende bespreking  afsluiten met een conclusie die een van de genodigden mij later over bracht.

Het boek is te verkrijgen bij de uitgever. Afgehaald € 17,50  per post met verhoging porto. Zie de home pagina voor een telefoonnummer.

Als de heren die hier nu al sinds 1880 over discussiëren, nu eens in een oorkondeboek hadden gekeken, dan hadden ze 130 jaar getheoretiseer kunnen voorkomen, honderd duizenden aan subsidie kunnen besparen en  tonnen papier onbedrukt kunnen laten, omdat ze gezien konden hebben, dat dit beroemde stuk uit een verzameling citaten, aanhalingen en rudimentaire  ontleningen aan stukken bestaat, die uit oorkonden van verschillende herkomst  tussen 1399 tot pakweg 1247 zijn “geleend”.  Niks elfde eeuws dus. Ze zijn gewoon 15e eeuws.

Omdat de kranten te lui zijn en er geen competente redakteuren zijn, en de zeef waar het nieuws door wordt gegoten nogal grofmazig is, ten  gevolge van de doorgaande persfusies zit er voor mij als schrijver weinig anders op om dan zelf maar een bespreking te plaatsen.

BIJ DEZEN:

Op de Fryske Akademy wordt gewerkt aan het heden en het verleden van Friesland, de Friezen en hun taal. En hopelijk ook aan de toekomst van het Fries. De laatste 25 jaar zijn er meerdere bijdragen in It Beaken, het kwartaalschrift van de Akademy verschenen, over de tekst die men zag als de “Grondwet van de Friese Vrijheid.” Zoals bijvoorbeeld twee auteurs, Schuur en Henstra hierover een paar keer van argumenten wisselden, zonder verdere klaarheid in het ontstaan en de ouderdom te brengen. Een nieuw feit in deze discussie werd, al weer tien jaar geleden, ingebracht door R.H. Bremmer in “Hir is eskriven.” Hij koppelde daar het ontstaan van dit stuk – met 17 wetsregels – aan een geheel ander aspect: Deze koppelde het aan het begin van het schrijven in deze provincie, want men was er van overtuigd dat het stuk wel zou zijn ontstaan, waar nog steeds het meest Fries wordt gesproken. De uitgave van Jan Post over deze wet overtroeft daarmee de publikatie van Bremmer. Het stuk is nog 200 jaar jonger dan Bremmer al had verwacht, dat op zich al 200 jaar jonger was dan wat men “algemeen” dacht. De gangbare menig was dat het stuk omstreeks 1050 zou zijn opgesteld. Post komt nu op CIRCA 1425. Om preciezer te zijn:  1427. De vergelijking van de 7 teksten die we hier van kennen, is voor hen die “er voor doorgeleerd hebben” nog wel enigszins te volgen, het is geen leesvoer voor de gemiddelde lezer. De conclusie uit die vergelijking is, dat er geen eensluidende oertekst van heeft bestaan, maar dat elk Fries gebied aan de bedoeling en de toepassing zijn eigen draai heeft gegeven. Daarna zijn die 17 wetsregels stuk voor stuk nagespoord en nu blijkt uit deze publikatie, dat ze de een na de ander uit een oudere Friese tekst of oorkonde komen. Sommigen letterlijk, andere karikaturaal vergroot in hun werking. De bekende regel dat een Fries zijn goederen in alle vrijheid mag bezitten, komt uit 1399, uit onderhandelingen van de Westerlauwerse Friezen met Albrecht van Beieren, graaf van Holland, die het jaar erna een voor hem desastreuze oorlog tegen Friesland zou beginnen. Het artikel dat Friezen hun misstappen en wandaden met geld mogen boeten, komt uit een handelsverdrag van Staveren met de Hollanders uit 1337. Maar dat ging alleen over zaken tussen handelaren in de stad Staveren en niet over heel Friesland, laat staan over alle zeven Friese gebieden waar de 17 keuren voorkomen. Dertien van de 17 keuren blijken eerder te zijn gebruikt. Tegelijkertijd hebben de 17 keuren de figuren als de asega en de frana uit de Schoutenrechten “gestolen.” Of liever uit het Landrecht der Freesne waaruit de Schoutenrechten blijken te zijn vertaald, i.p.v. andersom. Daar staat Frehne en Fraene in deze en nog meer vormen en niet “Frana.” Wat een overschatting, om te denken dat de Frana iemand uit de Friese Rechtspraktijk zou zijn! De fraehne komt niet uit de tijd toen in Friesland niet geschreven werd, maar is een onderdeel  van een poging door het Beierse huis, die in Holland baas waren, om de Friezen te onderwerpen. Door een schijnbaar “eigen” Friese terminologie mee te brengen. Hetzelfde geldt voor het begrip “asega”, hij is een functionaris in Centraal Holland geweest, die meer als vrederechter optrad, dan dat hij de alwetende rechter der Friezen was, die alle wetten uit zijn hoofd kende. En weer heeft die Hollandse graaf deze beide rechters in de late 14e en begin 15e eeuw willen invoeren in Friesland. Maar dank zij het koppig verzet der Friezen is dat niet gebeurd. Het nieuwe licht dat hier op de 17 Keuren schijnt is, dat het fameuze stuk behalve dat het jong is, ook nooit gebruikt is om recht mee te spreken. Daarvoor is het stuk de 17 Keuren ook te onsamenhangend. De verdienste van Post is, dat hij voor het eerst in het kader van het onderzoek naar de herkomst van deze 17 Keuren, in een oorkondenboek heeft gekeken om duidelijke relaties in de tijd te zoeken. Zo vindt hij ook dat de verzameling van gegevens, die de Oostfriese en Groningse veldheer Focko Ukena bij elkaar liet brengen, de basis zijn geweest om met de 17 keuren en andere stukken een “groot en verstandig landrecht” te maken. Dat lukte niet, maar met meer oude Friese stukken zijn die wel in de aparte lands wetsboeken gekomen. En die wetboeken hebben lang gediend, om degenen die zo graag Friesland in bezit wilden hebben of wilden onderwerpen, buiten de deur te houden.Tot nu hebben de onderzoekers het pad gevolgd, dat de eerste geschiedkundige, von Richthofen, die hier over schreef, heeft aangegeven. Soms moet je wel tot de conclusie komen dat er behalve binnen de Akademy er ook buiten dat instituut zaken worden onderzocht, die resultaten opleveren die hout snijden. Daar kan men binnen de akademische beoefening van de Friese zaken niet blind voor blijven. Dat er van akademie zijde niet gereageerd wordt, hoewel ze daar 2 exemplaren van deze uitgave hebben,  toont wel aan dat ze op zijn minst doof zijn voor argumenten;  wat feitelijk on- akademisch is.  Geen wonder dat Y. Kuiper inmiddels oud-hoogleraar in Groningen zo’n boek welwillend in ontvangst wilde nemen. Zonder overigens kommentaar op de akademie en de uitgave te geven.