Artikelen

ARTIKELEN

GEPLAATST 15 JUNI.

WAT IS RECHT?” Een selectie van teksten in het Nederduits die geacht worden een Friese ondergrond te hebben, door H.J Meijering en H. Nijdam. Leeuwarden 2018

De vraag wat recht is, wordt geregeld opnieuw gesteld en zelden gelijk beantwoord. Recht op het schoolplein is een zaak van gelijk oversteken, maar soms ook het recht van de sterkste. Recht kan om het duidelijk te zeggen ook afhangen van eerder genomen beslissingen of vroeger genomen besluiten: deze of gene heeft recht op dit of dat. Dan is recht al gauw niet meer de zaak van: iedereen evenveel of: het hier al genoemde gelijk oversteken. De oudste rechtsstukken, in de vorm van zelf gevonden en zelf opgestelde rechten, zeg maar wetten zijn in de Groninger Ommelanden opgetekend. Er is een Fivelgoër recht, dat voor 1250 moet worden gedateerd, in het Latijn. Er is een Hunsingoër rechtstekst dat in zijn titel zegt dat het uit 1252 dateert. Een tekst uit Langewold zegt van zichzelf dat het uit 1207 dateert. De laatste voorbeelden zijn alleen in een latere vertaling bekend. De ouderdom blijkt uit de betalingswijze, de benaming en de aantallen munten. Die komen voor in enkele oorkonden, in de Kroniek van Emo en Menko en een stuk dat Quedam Narracio heet. Na 1250 worden de grote aantallen munten verdrongen door een nieuw type munt die 10 à 11 keer zo veel waard is. Vaak zijn deze oude stukken ook in andere gebieden gebruikt, het Latijnse Fivelgoër Recht blijkt in een “wetboek” van Humsterland te staan, naast dijkrecht uit het eind van de 14e eeuw, dat door Baker Johnston werd uitgegeven. De auteur Bo Sjölin, net al vorige bewerker en uitgever van een als algemeen Fries bestempelde Codex uit Fivelgoo, meende dat die wettenverzameling zoveel uit andere gebieden ontleende stukken bevatte, dat hij bij de uitgave sprak van “de zogenaamde Fivelgoër Codex”. Want in de meeste gebieden en dan vooral in de huidige provincie Groningen zijn die teksten verzameld in codexen.

Het zou dus mooi zijn geweest als nu de wat minder belangrijk geachte Rechts- en Wetsboeken zouden worden uitgegeven. Ik denk hierbij aan de collectie met de naam “Codex Sickinghe”, die door vererving en andere oorzaken tegenwoordig in het Drents archief rust. Maar nu moet je net de Friezen voor de Lauwers treffen: Die zoeken uit deze boeken en elders verzamelde papieren alleen de stukken die een Friese achtergrond hebben. Dat komt vaak neer op de uitgave van de zoveelste keer van dezelfde tekst. Dat zegt veel over de Friese manier van bestuderen en een zekere onmacht om alle stukken, verzameld en niet verzameld in een overzichtelijk kader onder te brengen. Waarmee de mogelijkheid wordt gemist om tijd van ontstaan en de groei van het aantal stukken te laten zien. Maar er mist ook de interesse om voor de Groningers en een ieder ander die meer wil weten, de hele verzameling te ontsluiten, door ze te bewerken te vertalen en uit te geven, zodat iedereen er wat aan heeft. Daar zit hem nu juist de kneep bij het onlangs verschenen boek “Wat is Recht” van Meijering en Nijdam. De eerste tekortkomingen zijn hiermee al aangegeven. Een andere tekortkoming is de datering: een anderhalve eeuw nadat Von Richthofen zijn theorie over de ouderdom van de Friese Wetten naar buiten bracht, heeft nog niemand een exacte datering, of een verifieerbaar feit kunnen vinden over de ouderdom van die stukken. Er wordt in deze uitgaven voor een ander stuk, de Zeventien Keuren, vaag gewezen naar elfde of twaalfde eeuw, zonder een vaste datum. Maar de onderlinge waarde van munten in die stukken, moeten eerder in de vroege 15e eeuw worden geplaatst dan in de 11e eeuw. Twee in de inleiding hier boven genoemde stukken hebben geven jaar en dag dat ze zijn “opgericht”, net zoals nu nog met statuten gebeurt. Na anderhalve eeuw in het duister tasten zou het tijd worden dat het in Leeuwarden bij de Fryske Akademy daagt, dat de theorie van Von Richthofen te kort schiet. Zo van: “Jongens, dit is een doodlopend spoor, we moeten een nieuwe werkhypothese formuleren”. Dat was overigens op een andere plek waar Fries wordt bestudeerd al gebeurd. In Leiden had Professor Bremmer het over de boeg van de kunst van het schrijven gegooid; hij stelde dat dit soort stukken niet voor 1200 geschreven konden zijn in het huidige Friesland, met name Staveren. Er stak een storm van commentaar op, want zo werd de mythe dat “wij Friezen” al duizend jaar plachten te schrijven met 200 jaar bekort. Maar nu twintig jaar later wordt deze nieuwe hypothese door Meijering en Nijdam weer terzijde geschoven op grond van een paar snippers perkament, dat gezien zijn schrift eerder 15e eeus is dan 12e eeuws, zoals Meijering en Nijdam suggereren. Vergelijking met kopiën van her en der laat zien dat de schrijfwijze van de Latijnse woorden is gedaan in een boekschrift, dat sterk op een humanistische minuskel lijkt en op zijn vroegst 15e eeuws is. De Friese woorden die er vertaald onder staan zijn zeker niet tegelijk met het Boek(-schrift) zelf. Een stomp in de maag van goed onderzoek en een goede onderzoeker. Beide auteurs zouden moeten weten, dat op stompen in lichaamsdelen in de door hun behandelde wetten een hoge boete staat. En weer twee icarussen die in hun bewijslust te dicht bij de zon kwamen. Dat er nog meer onderzoekers waren, die op grond van de geëiste en betaalde munten nog veel nauwkeuriger dateringen konden geven, is de heren totaal ontgaan. Bij een zo klein vakgebied, als de “oude Friese wetten” mag men er op rekenen dat alle publikaties op het gebied bekend zijn en liefst ook besproken of desnoods neergesabeld zijn. Dat is niet gebeurd: van twee belangrijke publikaties heeft men in het geheel geen nota genomen, als er iets fout was geweest aan “Nieuw licht op de 17 Keuren” of aan “Een Mythe Ontmanteld”, dan waren de kolommen in de specialistische Friese bladen niet breed genoeg geweest, om op die onjuistheden te wijzen en was er in de dagbladen zeker aandacht aan besteed. In deze twee particulier uitgegeven studies, zonder subsidies, door de auteur zelf werden deze specifieke verzamelingen gedateerd op 1427 of direct er na. Voor nieuw onderzoek en voor discussie staat men in Akademische kringen ook al niet open. De Friese wetenschap heeft ook als axioma, dat het bestuderen van de oude Friese wetten zaligmakend zou zijn, naar oorkonden die het een en ander zouden kunnen bevestigen wordt zelden gegrepen. Als in een geconditioneerde reflex vliegen de auteurs Nijdam en Meijering af op bijbelse citaten (uit: Exodus 21 en 22) om die om als oud en zeer oud te verklaren: het is hun niet opgevallen dat die in de oudste stukken, zoals die in de inleiding van hiervoor niet voorkomen. Wel in stukken uit de late 14e eeuw. Ze hadden in “Mythe Ontmanteld” ook kunnen lezen dat de zes codexen even oud moeten zijn en dat het verzamelbundels waren uit diverse streken uit verschillende tijden, zoals voor het Humsterlandse wetboek juist wel werd vastgesteld en ook voor de Codex Sickinghe. Aan de hand daarvan had men ook kunnen lezen dat de “Urheber” van de zes Codexen uit de verschillende Friese gebieden het gevolg waren van een idee van een 15e eeuwse Friese Napoleon. Dat waren de gebieden die deze Focko Ukena, rond 1427 op het toppunt van zijn macht, in de gebieden waaruit de verzamelingen van wetten stammen, ze bijeen liet brengen om er een “groot en verstandig landrecht” van te maken. Naar de herkomst van de Groninger Codex Sickinghe is bijvoorbeeld geen enkel historisch onderzoek gedaan. Ook wordt er niet verwezen naar de Groningse Auteur Redmar Alma, die in 1999 al publiceerde over de familie Sickinghe. Dit wetboek had toebehoord aan die familie Sickinghe die rond 1460 macht wist te verwerven in de streek rond Warffum en in Loppersum. Aan het schrift te oordelen is de Codex ook in die dagen bijeengebracht. Bovendien, maar die relatie kon Alma destijds niet leggen, was Feyo van Sickinghe, de eerste eigenaar, getrouwd met de jongste dochter van Focko Ukena. Daarmee staat deze op dezelfde hoogte als de verzamelbundel uit Riustringen, (Oost Friesland) waarvan de hoofdeling ook getrouwd was met een dochter van Focko Ukena. En daarmee past de codex Sickinghe ook in de reeks oude (Friestalige) wetsbronnen, van Hunsingo, Fivelgo, Emsgo en Riustringen, de streken tussen de Lauwers en de Wezer. Over het gebied ten westen van de Lauwers, het huidige Friesland valt alleen te zeggen dat die pas na de eerste helft van de 15e eeuw rechtsteksten in boeken bijeen hebben gebracht. Vooral omdat de mogelijke herkomst van de Sickinghe Codex te deduceren was uit Alma’s artikel blijkt dat Nijdam en Meijering in het geheel geen onderzoek naar de herkomst van deze Groningse codex hebben gedaan, noch naar de herkomst van andere stukken. Zo wordt duidelijk dat voor de beide auteurs alleen zaken die zij op grond van de door Von Richthofen in omloop gebrachte mythe, de stukken als Fries bestempelen. In feite liep de huidige provincie Friesland flink achter op de ontwikkelingen over de Lauwers, waar wel een heerloze samenleving bestond, terwijl de Friezen nog altijd, in naam onder Hollands bewind stonden, zonder dat de Hollandse graven daar veel van waar konden maken. Zo wordt duidelijk dat de ietwat valse Friese pretenties de oorzaak zijn, dat er feitelijke, dus wetenschappelijke zaken en artikelen straal worden genegeerd en dat is met deze uitgave ook gebeurd.

Een goed punt van de uitgave is wel, dat de teksten in het Nederlands zijn overgebracht en dat is dan toch een stap vooruit. De in de zestiger en zeventiger jaren uitgegeven edities van de oude Friese wetten waren in een Duits juridisch jargon, dat op zich uitleg behoefde. In zoverre is er door deze auteurs toch terreinwinst geboekt. Wat door Groningers aan wetten is gemaakt – zij waren de Friezen in de huidige provincie ver vooruit – de Groningers schreven hun landrechten al voor 1250 (overigens in het Latijn) terwijl de Friezen in het nu nog Friestalige gebied hun eerste delicten- en boetelijst pas in of direct na 1323 zouden noteren in het Fries, terwijl eigenhandige oudere stukken – ook in het Latijn – blijken te ontbreken. Door deze uitgave is de inhoud en de strekking voor meer geïnteresseerden toegankelijk. Vertalingen van stukken waren tot nu toe schaars, slechts enkele onderzoekers brachten zelden meer dan een oud stuk over in gewoon Nederlands.

De uitgave van een dergelijk boek stemt triest, vooral voor de Groningers. Hun wordt geen recht gedaan in deze Friso-centrische uitgave. Misschien moeten de Groningers de draad weer opvatten waar het genootschap “Pro Excolendo Jure” zijn werkzaamheden heeft beëindigd, door alle stukken in de juiste tijdsvolgorde te zetten en uit te geven.

Besproken werd “Wat is recht?” door J.H. Meijering en H. Nijdam, Uitgave Bornemeer. € 39,50       599 pag.

 

GEPLAATST 8 JUNI 2018

SUPER LIBRUM

In de kelder van Tresoar, het als Provinciale Bibliotheek gebouwde instituut is een fijne een fijnzinnige tentoonstelling te zien. Als statische objeken zijn er drie manuscripten te zien en een gedrukt boekwerkje. Dat boekwerkje is het meest bijzonder. Eigenlijk had het niet kunnen en mogen bestaan: het was een ongewenst kind, omdat de culturele toestand nog niet zo ver was, dat ze gedrukte kinderen konden baren. Anders gezegd voor 1500 was er in Friesland geen drukkerij te vinden. En toch bestaat dit drukwerkje ontstaan in Keulen en waarin de bezige hand en intellektuele signatuur van Godschalk Donia herkenbaar, beter misschien, beredeneerbaar is. Aleen daarom alleen al zou je de trap af moeten gaan.

Er liggen nog drie handgeschreven boeken, volgens de begeleidende teksten uit verschillende eeuwen. Wie hier de raadgever voor de tentoonstelling is geweest, als het niet de anonieme samensteller zelf was, dan zit er in die datering een grote onlogica. De manuscripten worden namelijk gedateerd, naar criteria die volkomen uit de lucht gegrepen zijn. De criteria staan in de 17 keuren, die in alle drie handschriften voorkomen. Maar in alle drie de versies komen wel telkens dezelfde munten voor. Dat is merkwaardig want gemiddeld twee keer per eeuw, komt er een verandering in de muntomloop voor. Wie de muntjes uit 1276, in het oudste geschrift op een rijtje zou leggen, die krijgt het volgende rijtje: een sterling is 10 of 11 oude ponden. De nieuwe franse munt die Turnoois wordt genoemd is hier nog niet gesignaleerd. Het is een bijzonder kort rijtje.

In 1323 wordt die nieuwe munt ( Tournoois of groot), wel gesignaleerd, dan is de omrekening: een oude Franse groot (de turnoois,dus) is vier sterlingen. Drie kleinere munten, nu Lovensche of loonse genoemd is een sterling. Dit is uit de Willekeuren van de Upstalboom te halen, maar zoals gezegd de omrekening in de 17 keuren is anders. Als de eerste als niet goed is, dan is deze datering zeker onjuist. Drie loonse = 1 sterling, 4 sterlingen is een groot.

Algemeen wordt aangenomen dat het laatst geschreven handschrift, waarin de 17 Keuren in hun zo origineel mogelijke zetting voorkomen, is te dateren rond 1430. Maar dan klopt de omrekening wel: Het pond is zeven Aggrippijnse penningen en die valt uiteen in vier weden. Tot nu toe hebben de akademici, hier geen onderzoek naar gedaan. Ze hebben het pond niet herkend als de – Gelderse – Reynaldus gulden van 14 groten of van 7 dubbele groten (ook schilling genaamd.) Die naar de Keulse norm was geslagen, wat de reden is, waarom er het woord Agrippijnse in de tekst is gepoot, wat velen op een dwaalspoor heeft gebracht. Net zoals Von Richthofen, met zijn mondelinge overdracht, die de datering van diezelfde 17 keuren te ver heeft opgerekt, tot aan het jaar 1000. Het blijkt nu, dat hier in deze kluis drie versies van een tekst te zien zijn, die in alle gevallen rond 1427 moet zijn opgesteld.

Als de bezoeker op een knopje drukt krijgt hij er een sfeerbeeld bij van de middeleeuwen. Twee pugils, of kampvechters, bestrijden elkaar in de op de wand geprojekteerde beelden, op de manier en met de wapens die van een Fresco uit een kerk op de Groninger klei zijn afgeleid. En daar hoort ook muziek bij. En dat is prachtmuziek

Het ensemble Super Librum zingt en speelt er bij op de melodie van een dertiende eeuwse tekst. Die melodie komt niet uit Friesland, maar uit Engeland, naar ik meen uit Canterbury. En die past strofisch precies op te tekst uit de laatste Friese Codex: Thit was tho ther Tiid, Thet Kening Karl bigan to riuchte(n)…… ” Super Librum legt hier alle eer mee in. En het feit dat de twee teksten als twee identieke rasters op elkaar kunnen worden gelegd, past wonderwel bij de Frieszinnige visie, dat die boeken onderling een eeuw verschillen. De vervalsing zit hem niet bij Super Librum, maar bij de samensteller van het geheel. Deze suggereert bij dezen, dat de 17 keuren en daarmee de complete handschriften wel flink van tijd van ontstaan verschillen.

Maar heeft de academicus – dat neem ik tenminste aan dat het een academicus is, hij volgt zo verschrikkelijk slaafs “het boekje”, dat je niet anders kunt, dan veronderstellen, dat hij uit de School van Buma, Ebel – Von Richthofen komt. Heeft diegene hier niet buiten de waard, de uiterwaard en de kwelder gerekend? Er zijn al sinds 2010 publikaties verschenen, die de visie van de “school” van V. Richthofen, tot en met Mol, Noomen en vele anderen totaal hebben ondergraven. In feite hele visie op het gebruik en schrijven van het Fries opnieuw heeft bekeken en op grond van oorkondenvergelijking heeft vastgesteld dat de eerste Friese woorden die aan het papier of perkament werden toevertrouwd, pas na 1323 dateren. En dat ons gewone Friezen, die die Akademici maar laten begaan een oor is aangenaaid en de Politici en de Staten, die hun subsidiëren, ons nu al anderhalve eeuw op het verkeerde been hebben gezet.

Dat is merkwaardig, want die publikaties dateren al uit 2010. Daar is geen tegenwerping vanuit de “Schoolse hoek”, bijna schreef ik scholastische hoek, op gekomen, laat staan tegenbewijs. Ze zijn onverdroten voortgegaan de oude ideeën uit te venten. Terwijl er wel personen in die kringen hebben gezegd, “Je kunt op zijn minst naar die man luisteren”. Van een ander, niet de minste uit deze kringen, hoorde ik onlangs dat hij het grotendeels met me eens zou zijn. Helaas is hij niet in de positie, dat hij zich er sterk voor kan maken. Die wijsheid heb ik toch maar aan mijn bezoekje met de begeleiding van SUPER LIBRUM te danken.

Geplaatst 23 april 2018

Begin deze maand trof ik Geert Zijlstra, die de website beheert “GEERTSINES” Hij had nieuws over het Faillissement van de Grietman Augustinus Lyklama à Nijeholt.  Bij het doorzoeken van de op internet geplaatste  RECES boeken dat zijn drie zoons de erfenis hebben geweigerd. Ik heb mijn artikel verplaatst naar archieven, zie aldaar. Wie de ontdekking van Geert wil zien, met denk ik de verwijzing naar de internet pagina, moet zich op zijn pagina vervoegen.

Nieuw geplaatst 15 april 2018

EEN ANTISEMIET.

Het is weer bijna mei, 15 april 1944 was de dag dat de Canadezen boven mijn bedje stonden en mij bekeken, ik was net een jaar en een week geworden. Persoonlijke herinnering aan de oorlog heb ik niet, zoals u zult begrijpen. Maar nu ik bezig ben met een dorpsgeschiedenis, heb ik nog een paar gesprekken gehad met mensen die ouder zijn, over hoe het een en ander in de oorlog in elkaar stak. Wat me verbaast is dat sommige dingen nog zo in elkaar steken. Nederland mag dan gezuiverd zijn, dat wil zeggen men heeft zich voornamelijk zelf gezuiverd. Zwart- en bruinhemden hebben elkaar witgewassen en de Tribunalen en Bijzondere Gerechtshoven hebben de kopstukken een paar jaar uit de circulatie gehouden. Dat is dan alles. De lucht is niet gezuiverd. We ademen de smerige lucht die het Nazisme heeft verspreid nog steeds in en uit. Het antisemitisme b.v. is nog wijd verbreid. Er is namelijk niemand die zich realiseert wat hij zegt als hij “jood” zegt – of schrijft, waarvoor hetzelfde geldt. In verband met een dorpsgeschiedenis zwerft hier nu al een tijdje een boekje rond, waar de oorlog die speelde in de Opsterlandse dreven is beschreven. De auteur van dit fraais heeft ook niet door de dikke nazistische lucht heen kunnen kijken. Hij ademt in en de walm ervan slaat op zijn papier neer. Het is bij hem de “Joden” voor en “Jood” na. Ik vraag me af waarom hij dat bij Gereformeerden niet doet. Verschil tussen beide groepen is er namelijk niet. Per gezin geeft men het geloof door. Dat is een kwestie van kleine kring, van bescherming van tradities, maar het is geen zaak van ras, het is een zaak van geloof. Een verschijnsel waar ik als schrijver van dit stukje niet zo veel heb, maar dat terzijde. Kerst Huisman gebruikt in dit geval onbewust de Neurenbergse uitleg van “Ras”. Als je ouders van “het Geloof” waren, en je grootouders ook ook, dan werd je onder het begrip RAS gerekend en vonden de Nazi’s je vervolgenswaardig. K.H. had bewuster met het begrip om kunnen gaan: van zijn leermeester bij de Drachtster Courant herinner ik me een regel :  … en Levi Turksma ha se hjir bij de brêge deaskopt”. Heeft K.H. werkelijk zo slecht gelezen en geluisterd? Maar er is meer: vlak na de oorlog toen de Heerenveense Koerier het tribunaal versloeg en het ging over een geval waarin een  Joodse medeburger een rol had, dan sprak De Koerier, zoals wij het blad noemden van iemand van Joodschen bloede. Nu kan ik nu ik toch aan het scherpslijpen ben daar ook nog wel een vraagteken bij zetten: Wat is dat is dat?  Strikt gezien 5 liter joods bloed? of is het een aanduiding van de familielijn? Ik hou het op het laatste. Maar K.H. weet alleen maar uit te brengen Joden, joden en nog eens joden, alsof het rundvee is. Hebben ze hem op de redactie aan de Heideburen niet beter geschoold? Want after all Huisman is opgeleid als schoolmeester een vak dat hij misschien niet zo leuk vond en is toen van lieverlee het journalisme maar ingegaan, zonder achtergrond hoe je je in bepaalde gevallen dient te gedragen. Zijn uitlatingen in Slits en Roggeprik (ik heb daar een andere term voor, omdat het zo armelijk beschreven is) zijn niet door enige historische invloed gevoed. Het is het platte ordinaire antisemitisme dat altijd al heerste en niet weg is terwijl de meesten van ons nog nooit een Joodse Nederlander een hand hebben gegeven, zo weinig zijn er over. Omdat er zo weinig over was hebben de meesten ook geen reden gezien om  het gewraakte vierletterbegrip met een zekere zorg te gebruiken of juist niet meer te gebruiken. Laat staan dat ze de termen Joodse Nederlander gebruiken (en niet Nederlandse jood) en het begrip Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap kennen. Waar Huisman in vele gevallen politiek en historisch een moraalridder is blijkt hij in de ondergrond zo a-moreel als de pest te zijn. Een man waar je niet graag bij in de buurt wilt worden gezien. Want de geschiedschrijving van zijn hand, is altijd vervorming van feiten tot ideeën die in zijn eigen beperkte ideologie te pas komt, of het nu een Friesland van Den Helder tot Hamburg is, of een onafhankelijke staat dat zelf het aardgas van Groningen exploiteert. Een standpunt dat hij vanwege de aardbevingen in Groningen waarschijnlijk zo luid meer van de daken zal schreeuwen, als in de dagen dat hij in de hogere regionen van de partij voor het Noorden zat. ( Nog zit?) Om terug te komen op het antisemitisme  in het algemeen, ik heb een kleine reden om hier op in te gaan. Lang geleden ging ik om met een nichtje van H. Zilverberg, hoofdredakteur van de Drachtster Courant en wat ik toen heb gemerkt aan mijn brave landgenoten, had ik nooit gemerkt wanneer ik alleen het bospaadje langs liep: we werden uit de weg gegaan, we werden gemeden. Ze gingen maar even een extra stap op zij. Ze zouden eens besmet kunnen worden, dat deden ze liever dan onze liefde van nabij te zien; al waren ze wel jaloers op haar mooie haar. Voor mij is het duidelijk:  antisemitisme is overal, maar die enkele sufferd, zoals de schrijver van het genoemde boekje had zich beter kunnen uitdrukken. In mijn ogen is het een antisemiet.

 

Geplaatst maart 2018.

BESPREKING.       Steentijd tentoonstelling in Bergum.

Met opzet zijn we de laatste week dat de tentoonstelling stond, gaan kijken naar de zaken die de APAN wilde laten zien. De Apan heet een vereniging, waardoor je zou denken dat de Praktijk Archeologie door meerdere leden wordt beoefenden dat die elkaar in hun enthousiasme steunen. Of, die elkaar, wanneer er verkeerde wegen worden ingeslagen kunnen bijsturen om de wetenschap zuiver te houden. Eenmaal binnen blijkt deze tentoonstelling een eenmanstentoonstelling te zijn, waar de naam Henk Geertsma achter staat. De schaduw op de achtergrond is Tjerk Vermaning, en op een moment wordt in de constant door draaiende video gesproken van Opa, “die  maar één bijl had.”     Het is bijzonder sympathiek dat een museum als dit mensen als Henk G. plaats biedt. Na een minut of twintig heb ik wel een beetje een indruk. Tien procent van de stenen hebben een zekere kwaliteit, en staan niet veraf van echte artefacten. Van 30 % is de toeschrijving dubieus en de rest is hoewel ergens op lijkend, niet in de prehistorie door een mensenhand aangeraakt. Het is meeer een collectie toevalsvormen. “De eerste weken heeft de tentoonstelling vrij wat volk getrokken vertelt de employee, die een archeologische achtergrond blijkt te hebben. Hij vindt trouwens mijn schatting over het aantal echte artefacten aan de hoge kant.  Daarmee weet ik dus zeker dat ik niet tegen de haren van de goedwillende mensen die dit museum runnen, in strijk. De doorlopende video bestaat uit een paar reportages over Vermaning en over H.Geertsma zelf. Het sneue van dot soort zelf benoemde specialisten en zieners is dat ze alles willen behappen en omschrijven. Dat uit zich zowel bij vermaning als bij Geertsma in maar half begrepen technische termen, zoals bij Geertsma die van “retouche” zoiets maakt als “roedoes” of redoes. dit gepaard aan een nogal regionale uitspraak diskwalificeert dit zijn enthousiasme. Zowel in wetenschappelijke zin als in uitdrukkingsvermogen kunnen ze niet duidelijk over het voetlicht krijgen, wat ze menen te zien. Soms ook wat ze niet zien. Ik zag een half geslepen bijl in een van de vitrines, waarop dankzij de goede belichting moderne slijpsporen zie, van zoiets als korund of carborundum . Geertsma zoekt zijn eigen erkenning en tegelijk ook de erkenning van de vondsten van Vermaning, maar of hem dit op deze manier zal lukken? Er zijn wel erg veel grote wetenschappers die in de Apan-achtige theorieën niet mee gaan, onder meer Roobroeks. De grote wetenschap is blijkbaar niet voor H.G. weggelegd. Er kan nog een andere reden zijn waarom Geertsma aan de steentijd verslingerd is. Dat is het uniciteitsprincipe.  Als je in een nieuwe tak van wetenschap (hum) de eerste bent die iets ziet of formuleert, dan blijft je naam daarmee geassocieerd. De voorbeelden liggen van Archimedes tot Einstein voor het opdweilen. Op de hier vertoonde wijze twijfel ik ook sterk aan deze insteek. Het kan ook het erfelijkheids principe zijn. In een van de vitrines staat een beetje ongemerkt de brochure over de Vuistbijl van Wijnjeterp. Dit geval van eigenrichting, zal wel geen stof meer doen opwaaien. Wie op een herroepen vindplaats, voor hetzelfde voorwerp op een andere tweede plaats het bewijs voor authentiek vinderschap in elkaar draait, is op zijn zachtst gezegd niet wetenschappelijk bezig. Hij zou wat daar geschreven is, eens moeten controleren, om van de ziekelijke voorouder verering af te komen. Geamuseerd lieten we het museum achter ons.

 

 

 

 

 

 

 

FEBR. 2018

TURF, aantallen maten prijzen.

DE LONEN VAN DE TURFMAKERS.

Van de lonen van de baggelaars en hun uiteindelijk bedrag was al weinig bekend, van de turfmakers is dat nog minder bekend. Een onverwacht goede bron daarvoor vormen de audiëntiebladen van het Kantongerecht. Daaruit volgt de volgende rij van lonen en gepresteerde arbeid. Waar mogelijk aangevuld met andere gegevens uit publikaties: cursief.

1859 dagloon f 1,25 – f 1,30

1859 -1860 Loon trekkers f 1,50 – 160 per dag

,, ,,                  loon turfmaker f 1,30 per dag.

1862: 150 Roede turf à 85 ct de roede f 127, 50 (in dat jaar verdiend)

1862 (idem) 225 Roede turf à 90 ct de roede … (niet in bron)

1869 852 Roede turf à 90 ct de roede f 791.- doch kreeg f 338,70.

1869 (idem) 908 Ellen klijn = 110 ct de roede f 55,70 (omgerekend)

1870 ? à 575 de roede i.p.v. 65 ct de roeden

1871 – (loon v.e. visser f 12.- per week)

1872 6869 m2 klijn = 431 roede à 95 ct (niet in bron)

1874 – Dagloon jongen v. 16 jr: f 1.25 per dag.

1877 97½ ct de roede

1879 448,7 Roede à 100 ct de roede = f 448,70-

1879 (idem) 660,7 Roede à 100 ct de roede = f 660,70

1879 (idem) 1089,2 Roede à 100 ct de roede = f 1098,20

1881 6697/12Roede à 100 ct de roede = f 669,56

1882 232 Roede à 925 ct de roede = f 194,85 maar kreeg slechts f107,53

1883 518 Roede à 90 ct de roede = f 466,20

1884 70 Roede à 90 ct de roede = f 63.-

STAKINGEN:

1853 onbekend; einde graafwerk voor de Polder.

1862 geboden 85 cent de roede. Gevraagd onbekend

1869 ,, 70 ct ,, 80 ct

1873 ,, 80 ct voor’t bakwerk. Door volgende veenbazen (zie hierna)1)

,, , 95 ct voor ’t bokwerk

,, 70 ct ’t baggelaar bakwerk Gegevens: Drachtster Courant 27mrt ’73

1874 ,, Beets 5 cent minder ,, wrsch. 80 ct. 2) K.H.

1876 ,,Tynje 75 cent minder ,, onbekend 2)

1878 2)

1879 Als in 1878 = 10ct minder, = 575 ct ,, onbekend turfprijs f 1,50 lager p. R.

1880 wordt vlgs. kantongerecht 120 ct betaald ,, gevraagd en gekregen (in 1 geval) 2)

1882 ,, 55- 56ct per roede ,, onbekend; plm 10 ct meer

1885 Eis: 10 cent meer:65 – 75 cent per Roede.

1888 geboden 65 ct Eis 90 ct; werd 70 ct.

Eis: dagloon f 1,25 en meerdere uren + 10 ct

1889 als vorig jaar werd: 70 ct de roede (vierkante roede)

1890 gevraagd leggeld: f 1.- per dag

,, Eis 80 ct in de (baggel-)bak

Eis 90 ct in de bok en voor turfmakers:

Eis 80 ct de roede v. opmaken (drogen)

( de 1e keer dat turfmakers zich roeren)

1891. verdiend 85 ct de roede ( Opstand …. etc)

1)

De ADVERTENTIE van 32 mrt 1873 was ondertekend door:

J.F.Oosterbaan, W.J. Dragstra, E. v.d. Meulen, U.H. van dam, D.v.Dam Hzn, B.van Zwol, L.Poppinga, C. en F. de Haan, W.A. v/d sluis, S.P. v/d Sluis. Daaronder een ingezonden stuk: …….. misschien is het de bedoeling van deze veenbazen de vrede te bewaren, maar zou het, vraagt de spitter namens enige collega’s juist andersom werken en tot Bollejeijen leiden?

2) K.H. = ontleend aan: Opstand in de turf.

Tot 1838 zijn er aankopen van nog niet aangesneden percelen veen te vinden, de pogingen die daarna werden ondernomen leverden geen onaangesneden percelen meer op. De onaangesneden percelen, waarmee bedoeld wordt een aaneengesloten stuk land zonder water hagen en dergelijke, lagen voornamelijk in De Ripen.

1812 2 mad = 1 Ha en 1 are of 1.10 Ha voor 705 c.gld= 6½ ct per m2

1812 5 mad 2 ½ mad voor f 2400.- = 5 ct ,, ,,

1816 ½ van 8 mad = 2 Ha i.d. Langerijp voor f 2150.- = 107 ct ,, ,,

1817 ½ van 6 mad = 3 mad ,, voor f 700.- = 46 ct ,, ,,

1817 ½ van 4 mad = 2 mad voor f 550.- niet te berekenen

+ 1/2 van 5 mad hagen en water (met vorige perceel)

1818 5 mad klijnland voor f 2400.- = 48 ct ,, ,,

1822 2.72 Ha vergraven en onvergraven niet te berekenen

1824 1.65 Ha hooiland voor f 1000.- = 64 ct ,, ,,

1826 2 Ha klijnland -Korte Rijpen- voor f 801.- = 4 ct ,, ,,

1827 3.30 Ha niet nader omschreven voor f 750.- = niet berekend

1828 1.37 Ha in de Wijnje Akkeren voor f 900.- = 7 ½ ,, ,,

1830 3.30 Ha geen ligging voor f 2000.- = 63 ct ,, ,,

1838 2.05.70 Ha ( gerekend 2 Ha) voor f 1000.- = 5ct ,, ,,

DAARENTEGEN:

1831 2Ha hooiland – Moediep voor f 700.- = 3 ct.

1831 1.65 Ha idem voor f 700.- = 3 ct

1831 1.65 Ha idem voor f 701.- = 3 ct

1831 1.10 Ha. (onbekend) voor f 500.- = 5 ct (iets minder dan 5 ct)

Als 1 Hectare f 700.- kost dan kost 1 are (1/100e Ha) f 7.- dan kost 1 ca (1m2) f 0,07 = 7 ct.

Prijsbewegingen. Sponturf per ton, of dubbele hectoliter à 120 stuks in de ton. (losgestort of ingeworpen) OLD BURGER WEESHUIS.

1813 6 schuiten baggelaar à f 20.- de schuit f 350.- = 50 ct per ton (dubb. Hl.)

1814 5 ,, ,, à 30.- ,, ,, ,, 150.- = 75 ct

1815 5 ,, ,, à 30.- 150.- = 75 ct

1816 5 ,, ,, à 30.- 150.- = 75 ct

1817 5 ,, ,, à 30.- 150.- = 75 ct

1818 5 ,, ,, à 29 .- 145.- = 70 ¼ ct

1819 5 ,, ,, à 25.- 105.- = 62 ½ ct

1820 5 ,, ,, à 28.- 140.- = 70 ct

1821 5 ,, ,, à 25.- 125.- = 62½ ct

1822 5 ,, ,, à 21.- 105.- = 52½ ct

1823 5 ,, ,, à 22.- 110.- = 55 ct

1824 5 ,, ,, à 20.- 100.- = 50 ct

1826 5 ,, ,, à 21.- 105 = 52½ ct

1827 5 sch. Lukster bagg. à 24.- 120.- = 60 ct

1828 200 ton baggelaar à 65 ct. de dubb hl. of turfton. f 130.- 65 ct

MISSEN 7 jaren prijzen tussen deze fundaties als gevolg van verschillende notaties.

Aan het St. Anthony Gasthuis geleverd.

1835 72 ½ cent *1(per ton) 1856 87 ½ ct 1867 2220 ton à f 1609,50 = 72 ct

1838 72 ½ ct ,, 1856 77 ct *2 1867 732 ,, ,, 358, 60 = 49ct

1839 70 ct 1857 83 ct 1867 200 120.- = 60ct

1839 70 ct 1857 75 ct *2 1867 2200 1485.- = 67 ½

1840 66 ct 1858 80 ct 1868 1000 600.- = 60ct

1841 55 ct *2 1858 72 ct *2 1868 2220 1554.- = 70 ct

1841 70 ct 1859 75 ct 1868 180 126.- = 70 ct

1843 62 ½ ct 1859 72 ct *2 1869 200 130.- = 65ct

1843 62 ½ ct 1860 85 ct 1869 2350 1386.- = 59 ct*

1846 72 ct 1860 90 ct (!) 1870 2280 Dubb.Hl. à 1645,60(=ton)72ct

1847 68 ct 1861 100 ct 1870 120 ,, ,, 86,40 = 72

1848 68 ct 1861 85 ct *2 1870 2457 1796,04 = 65½*

1848 65 ct 1862 100 ct 1871 3310 2249,40 = 77ct *

1849 70 ct 1862 79 ct *2 1872 500 410.- = 82ct

1849 70 ct 1863 80 ct 1872 2310 2195,50 = 90 ½

1850 75 ct 1863 72 ½ ct *2 1872 100 55.- = 55 ct

1851 68 ct 1864 66 ct 1872 2450 2327,50 = 95 ct

1852 70 ct 1864 61 ct *2 1873 2310 2149,50 = 84,, *

1852 65 ct *2 1865 70 ct 1873 90 85,50 = 95,,

1854 60 ct *2 1865 62 ½ ct 1873 2450 2327,40 = 96,, *

1855 87 ½ ct 1866 57 ct 1874 1910 1814,50 = 92,, *

1855 47 ½ ct *2 1866 52 / 52 ct*2 1874 500 422,- = 84 ½

1874 90 Dubb Hl à f 85,30 = 94 ct 1883 2200.- Dubb Hl f 1870.- à 0,85 ct

1874 2450 ,, ,, – 2327,50 = 95 ct * 1883 150 127,50 85 ct

1875 500 425.- = 84 ct * 1884 2100 1590.- 75 ct

1875 1932 1932.- =100 ct 1884 2519 1908,14 = 75ct *

1876 1910 2043.- =105 ct * 1885 2006 1504,50 75 ct

1876 500 460.- = 92 ct * 1885 127 96,20 75¾ ct

1876 90 96,30 = 107 ct 1885 2440 1830.- = 93 ct

1876 2500 2612,50 = 105 ct 1886 2400 2064.- 86 ct

1877 2219 2219.- = 100ct 1886 90 83,925 = 93 ct

1877 90 90.- 1887 2250 2193 86 ct

1878 2290 2564.- = 112ct 1887 2515 2089,95 = 82 ½ ct

1878 90 100.- = 111ct * 1888 2300 2001,46 = 90 ½ ct

1879 2140 2182,80 = 102 ct 1888 2603 2143 82 ct

1880 2940 2998,30 = 102 ct 1888 60 50,325 82 ct

1880 370 354,025 = 93 ct 1889 2300 1753,75 74¼ ct

1880 2550 2473,50 = 97 ct 1889 2593 1912,34 73¼ ct

1881 2200 1958.- 89 ct 1889 18.- 4000st. à 4,50 p. 1000

1881 159 147.- = 95 ct 1890 2220 1909,20 = 84 ct**

1881 2500 2250.- = 90 ct 1890 2250 2070,75 79¼ ct

1881 159 135.- = 88 ct 1891 2491 2201,29 = 94 ½

1882 1962 1682,46 à 83 ct 1891 50 42.- 84 ct

1882 209 184,44 = 75 ct 1891 2835 2253,82¼ = 79 ½ **

1882 2561 1870.- à 0,82 1891 94 77,089 82ct

1892 2400 2064.- = 1900 2272 geen geen

1892 2848 2136.- = 76 ct ** 1900 2673 2352,25 à 88 ct

1892 100 186.- à 86 ct 1901 2393 2440,76 à 102 ct

1893 2272 2064.- à 84 ct 1901 2591 2357,81 à 91 ct

1893 2657 2150 .- = 78 ct ** 1902 2214 2258,28 à 102ct

1894 2156 1595,44 à 74 ct 1902 2741 2494,31 à 91 ct

1894 2647 19725 à 74 ½ 1902 2300 geen geen

1895 2410 2193,10 à 90 ct 1903 2031 2071,62 à 102ct

1895 96 ½ 72,355 à 75 ct 1903 2915 2653,56 à 91 ct

1896 2368 2296,96 à 79 ct 1904 1847 1883,94 à 102

1896 2800 2324.- à 83 ct 1904 2753 2505,23 à 91 ct

1897 2240 2172,80 à 97 ct 1905 1825 1861,50 à 102ct

1897 2665 2203,65 à 83 ct 1905 2830 2575,30 à 91 ct

1897 160 155,20 à 97 ct 1906 1765 1800,30 à 102ct

1898 2316 2246,52 = 97 ct 1906 2700 2457.- à 91 ct

1898 2594 2204,90 à 85 ct 1907 – – à 102 ct

1898 160 155,20 à 97 ct 1907 – – à 91 ct

1899 2287 2218,39 à 97 ct 1908 – – à 102 ct

1899 2579 2192,15 à 85 ct 1908 – – à 91 ct

1899 160 155,20 à 97 ct 1909 – – à 102 ct en 91 ct.

*1 eerste kwaliteit. geld voor alle opgaven zonder opmerking

*2. Tweede kwaliteit, konsekwent aangegeven volgens bron. Na 1900 wel duidelik welke kwaliteit bedoeld wordt.

met * = berekende prijs van de turf, niet in het gebruikte document.

Met à in de bron gegeven prijs per turfton.

met ** turf inclusief meet- en draaglonen.

TARIEVEN VAN SLIKGELDEN. Naar F.J. de Boer.

1823 – 1862 onbekend

1863 – 1867 50 ct. per 100 m2

1868 -1870 f 1,00 ,, ,,

1871 – 1894 ,, 1,50 ,, ,,

1895 – 1920 ,, 2,00 ,, ,,

1920 – 1924 ,, 4,00 ,, ,,

1925 – 1952 ,, 3,00 ,, ,, ( einde van de heffing)

In de polder van het 6e en 7e Veendistrict de heffing op turf al in 1920 praktisch verleden tijd, omdat er niet meer gebagggeld werd, er zat geen bruikbaar veen meer in de polder.

TELLEN, REKENEN EN OMREKENEN.

In de veenderijen in Friesland werd gerekend met de vierkante roede die 4 x 4 meter was.

Het slik werd met die maat opgemeten.

Een Oude Roede was ca 4.10 meter. Elders ook Groninger Roede genoemd.

De oude maat in Friesalnd was de koningsroede van 3,77 meter

Zodra de turf droog was, begon de ellende al. Want je had turf en turf en derdeklas turf, die meen ik niet in de aankopen hier boven voorkomen. Dat lag hem aan de veenspecie, als de massa slik te weinig vast materiaal bevatte, klonk die verder in. Als turfmaker kon je dan nog zo goed je best doen, de turven werden kleiner en ze werden vanwege de onverwacht slechte veenspecie ook nog losser van structuur. Het gevolg was dat ze slecht tot zeer slecht waren te verkopen. Aan het eind van de winter konden ze nog altijd weg als winterbrand aan de arbeiders en turfgravers. Meestal voor een te hoog gescatte prijs, want, op krediet bij de gedwongen winkelnering.

De verkoop ging meestal per turfton, dat was een dubbele hectoliter, waar 120 sponturven van de eerste soort in gingen. Van 72 per vierkante meter. De inhoud van een turfton was 1,8 Hectoliter. Van de tweede soort gingen er al wat meer in en van een nog slechtere soort gingen er nog meer in een ton. Ik citeer hier een advertentie die T. Vellinga aanbracht, uit de door hem doorgeflooide Drachtster Courant uit… …………… …………….

Een ton turven was dan wel mooi 120 stuks, uit een vierkante meter klijn, kwamen 72 tot 76 turven. Als je dat daarmee gaat rekenen, dan past dat allemaal slecht aan elkaar. Het is voor de tweede en derde soort nog weer anders. Maar de turfmaker had zijn percelen gespreide klijn wel mooi in stukken van 10 x 20 cm gesneden, met de “rieper”. Helemaal droog hadden de sponturven het formaat, helemaal droog en uitgehard in de bult of in de speciale turfschuur, het formaat van 7 x 7 x 14 à 15 cm. Baalders hebben en hadden droog het formaat van 12 x 13 x 7.

Dan was er ook nog karturf, die veel kleiner was dan sponturf, en waar veel meer van in een ton gingen, plm 150 tot 170 schat ik, want er is weinig karturf overgebleven en nog minder gemaakt, de laatste jaren. Desondanks was de prijs per ton lager, terwijl die voller was. De conclusie mijnerzijds is, dat de karturf, uit het onderste en slechtere veen, de z.g.n darg en/of splunterveen werd gemaakt.

Dan eerst een herinnering, in het begin van de jaren vijftig had ons gezin een vracht turf gekocht. Of alleen mijn ouders of de inwonende pake en beppe er ook van profiteerden is onduidelijk. Er lag een schip bij de Rolbrug in de Oude Vaart achter de barten, die langs de Swynswei lag achter de polderdijk en die de Nieuwe Vaart met het Ouddiep verbond. We gingen er met twee ouderwetse boerenwagens heen. Die werden volgestort. Ik als zeven- of achtjarige stond er bij en zag wat de turfladers deden. Ze pakten hun manden aan en zetten de turven er op een speciale manier in. Onderin rechtop, daarna nog een keer, dan ter hoogte van de rand vlak en dan nog een keer vlak en twee er boven op. Hoeveel turf ging er in zo’n mand? Ik weet het niet meer ! Vijfentwintig of zevenentwintig? Vijfenveertig of zevenenveertig? De herinnering laat me in de steek, na zoveel jaren. Ik heb er trouwens alleen de laatste twee jaren over nagedacht, wat ik toen heb gezien en hoe het ging. Als ik even doorreken dan gingen er 27 in een mand, dat was dan drie manden in een turfton. Plus één1, of was het tweebovenop? Of was het 45 in een mand en twee er boven op? Twee vraagtekens, want ik weet het niet. Want het heet dat men in het veen niet op een turfje ziet. Op een gegeven moment zei iemand, het zal de schipper wel geweest zijn: “Nu is’t genoeg.” De paarden werden ingespannen en we vertrokken, een andere koper reed zijn wagen voor. Als ik zo achteraf schat hadden we op die twee wagens een duizend tuven liggen. Zo’n 120 tonnen of 360 manden. Maar hoe het ging met het inzetten en tellen? Daar schiet mijn ongeoefende opmerkingsgave van een schooljongen tekort. Als iemand het weet? Beleefd aanbevelend.

De volgende vraag was nu: zijn er nog turfmanden over gebleven? Ik ben langs drie musea geweest. Het Veenderijmuseum in Nij Beets, museun Opsterland in Gorredijk en Heerenveen. Rolmaat als centimeter in de zak en omdat ik al snel alleen werd gelaten, kon ik de manden opmeten. Er waren trouwens twee soorten turfmanden. De hoge manden werden gebruikt voor lange, steek-, of hoogveenturf gebruikt, drie namen voor hetzelfde produkt en de lagere soort was voor de laagveenturf. Ik vraag me af of die manden toen bij de aflevering bij de Rolbrug van de ene of de andere soort waren. Het waren in elk geval niet de mij bekende “kynsens kuorren” waar 35 kilo aardappelen in gingen. K. Huisman beeldt er zo een af op pag 53 van “Opstand” (2011) als… turfmand! De ene soort turfmanden, de hoge vorm vond ik op ansichtkaarten die J. Dijkstra in zijn boek “500 jaar Haskerturf “reproduceerde, ze waren opengewerkt en waren naar het leek volgens een vastliggend voorschrift gemaakt. Een antieke maatvoering vond ik bij Ingrid Wormgoor voor een Groningse mand. ** Die hopelijk ook de algemene mand was. De door haar gegeven maten waren : onder: 1voet en 5 duim in cm: 34,5

boven 2 houtvoeten in cm: 58.-

hoog 1 voet en 10,5 cm in cm: 38,5 inhoud 45, 75 liter.

Een turfton ging door voor 1,8 hl = 4 korven in een ton

en 12 stuks over. (of varieerde het bij los storten?)

In Friesland, in de naaste omgeving van de Tynje vond ik andere maten:

In Nijbeets staat in het Damshuis een platte korf met volgende maten:

onder 30 cm

boven 44 cm

hoog 23 cm

In Gorredijk

stond een oude korf :

onder 33 cm

boven 45 cm

hoog 42 cm

En twee nieuwe korven van 30 bij 45 en 42 hoog. Niet geheel volgens de norm gemaakt.

Dan nog een nieuw gemaakte korf, waarvan de maten ook niet al te betrouwbaar zijn en waarvan alle maten 2 cm te groot zijn. Bij het nieuw maken is wat mis gegaan.

In Heerenveen: 2 korven

onder 30 cm onder ± 27 cm. (Zo opgesteld dat nameten slecht ging.)

boven 43 cm boven 43 cm

hoog 30 cm hoog 30 cm

Terug naar de turfton van 120 stuks per ton. Maar J. Dijkstra (500 jaar Hasker turf) geeft ook de aantallen 130 en 140 stuks per ton. De oorzaak kunnen we vinden in een advertentioe in de Drachtster Courant: het betreft turven 1e, 2e en 3e soort, hierboven genoemd.

Een wat ouder gegeven komt uit Leeuwarden: een schuite is 70 korven Leeuwarder maat. Een schuite was 3200 turven. ( soms 3400 turven) Door berekening blijken er in een Leeuwarder korf 45 à 46 turven te gaan. Vermoedelijk betreft het lange turf, en geen gebaggelde, korte turf. De berekening komt uit op 45,7 stuks. bij de laagste berekening, op 48 ½ bij de grootste in houd van een schuite, waarmee een praam bedoeld zal zijn.

Hoeveel turf ging er op een schip. Een ouderwets houten schip zo een als de schilder Sterringa op zijn Tynje schilderij afbeeldde omstreeks 1830? Dat antwoord vinden we in de levering van het Leeuwarder Old Burger Weeshuis. Tussen 1813 en 1827 wordt er jaarlijks een schip met turf van 5 schuiten afgeleverd. In 1828 is er plotseling een andere maat van toepassing: Het blijkt dat jaar om 200 ton baggelaar te gaan tegen dezelfde prijs. Het blijkt dus te gaan om schepen van 40 ton(nen) baggelaar turf, waarvan er 5 schuiten in een houten skûtsje gaan. Na 1880 wanneer de stalen skûtsjes worden gebouwd op de werven in Drachten worden er steeds grotere vrachten turf aangevoerd: in 1868 kreeg Het St. Anthonie Gasthuis een vracht van 2220 ton; in 1869 2280 ton, in 1884 al 2519 ton; in 1891 een vracht van 2835 ton, en in 1903 een vracht van 2915 ton turf. Nu zijn turftonnen geen gewone tonnen, we kunnen daarom niet verwijzen naar hoeveel de stalen schepen groter werden. Behalve als iemand een lijst heeft van gebouwde schepen en hun tonnage.

Gegevens van elders zeggen een last turf is 40 grove tonnen of 60 smalle tonnen. En: 300 ton ( van welke van de beiden?) op een schuite. Ik zou zeggen smalle tonnen. ………..De verwarring is nog niet compleet:   er waren oude roeden, volgens het stelsel dat in Friesland gold. Dat was de roede van 3,77 meter. Er waren de metrieke roeden van 4 meter in het vierkant.

Maar in Weststellingwerf werd eind 19e eeuw nog een andere maat gebruikt: 

 

Leeuwarden 4 december 2017

An het bestuur van de KNAW.

Geachte Dames en Heren;

Hoewel ik geen idee heb of u aandacht heeft voor signalen uit de maatschappij door een amateur, meen ik toch u te moeten schrijven. Voor zover ik weet is uw instituut de voedsterheer van de regionale akademies, waaronder de Fryske Akademy.

Op donderdag 30 november 2017 was ik aanwezig op het provinciehuis om een lezing aan te horen over de Friese Vrijheid. Het bleek me tijdens de lezing dat het meer een nationalisch geladen verhaal zou worden dan een onderbouwd betoog. Dat wil zeggen ik voelde me na afloop bekocht, zelfs zonder intree en teruggeworpen in een middeleeuwse duisternis. De redenen volgen hierna.

De inleider de heer Han Nijdam werkzaam bij de Fryske Akademy begon al met de Lex Frisionum, zonder de analyses van Harald Siems uit 1980 te gebruiken. Ook zondigde de inleider tegen een aantal constateringen, bewijzen en vastgelegde data, door ze niet te noemen of te gebruiken in zijn betoog. Voor een historicus vind ik dit een doodzonde. Bij een feit hoort nu eenmaal een jaartal. De dieptes waar Von Richthofen zocht naar de wortels van de Friese Vrijheid zijn namelijk de laatste 40 jaar behoorlijk ingekort. Het is tegenwoordig ook duidelijk dat de Freiherr de latere onderzoeken in een verkeerde richting heeft gestuurd. Overigens heb ik een brief van de DMGH, waarin staat dat met de bevindingen van mijn vertaling van de Lex Frisionum, de eerste gedrukte in Nederland, rekening zal worden gehouden.

H.Siems wees in 1980 op de merkwaardige muntomloop en onderlinge verhoudingen. Als iemand daar een oplossing voor zou geven dan zouden we meer kunnen zeggen over de Lex en de tijd van ontstaan. Deze munten kende men niet uit andere geschriften uit de Karolingische periode. Niettemin heeft niemand de passage gelezen of als onderzoeks opdracht beschouwd. In “Naar naam en Faam” heb ik van de onderlinge waarden een grafische voorstelling gegeven. Daar is een ander tijdperk aan te koppelen.

Alexander Ganze constateerde in een lezing op de Akademie op grond van het doornemen van enkele duizenden oorkonden dat de eerste oorkonde die in Friesland zelf geschreven is uit 1292 dateerde. Een massaal verlies van oorkonden voor die tijd, is gezien de geringe produktie onwaarschijnlijk en bovendien is deze geschreven in het Latijn, niet in het Fries. Toch blijkt Nijdam dit feit niet te kennen en plaatst een van de stukken toch maar weer rond het jaar 1000, waar hij kortgeleden van dat stuk nog zei: “rond 1200 in opbouw.” De correctie op die mening is mij niet bekend.

Rolf Bremmer professor Fries voor 0,1 fte en 0,9 fte voor Engels in Leiden die in die 1/10 baan evenveel uit de weg zette als de meeste heren op de Akademy alhier, had namelijk in “Hir is eskriven” gepleit, om het meest briljante Friese stuk rond 1200 te plaatsen. Mijns inziens 120 jaar te vroeg, maar sinds de verschijning in 2002, de eerste die zich losmaakte van Von Richthofen. Het betreft de “17Keuren”, dat als basis van de Friese Vrijheid gelden, maar het sluitstuk blijkt te zijn.

Het Friese vrijheidsprivilege uit een Hollands Falsum van 1319 heeft geen voorganger, zoals door Antheun Janse uit de doeken gedaan. Het wordt niet door Nijdam genoemd. Wel verkeren de Friese onderhandelaars in 1310 bij Willem III van Holland in de veronderstelling, dat ze een dergelijk privilege hebben gekregen. Emo van Wittewierum is er ooggetuige van, dat de stad Aken wel zo’n privilege kreeg, maar dat de Friezen slechts met “gunsten en eerbewijzen” huiswaarts trokken. Willem gaat er mee akkoord, maar het venijn schuilt in de staart van de overeenkomst: “voor zover ze dit kunnen bewijzen,” laat hij noteren. De eerste keer dat de Friezen er ook politiek notie van geven, dat ze menen vrij te zijn is pas hier in 1310.

Daar had het verhaal van Dr. H. Nijdam moeten beginnen, maar hij kende deze obstakels waar hij in zijn propaganda zonder meer overheen stapte, blijkbaar niet. De constatering van Ganse kende hij zeker niet, want die is door de ontbrekende man op deze lezing, Hans Mol, verdraaid tot: “natuurlijk konden de Friezen (voor1292) al schrijven.” G. de Langen toonde bijpassende beelden van enige snippers perkament die tegen de renaissance aanhingen. “Uit 1000” zei Nijdam.

Vervolgens draafde de inleider door over de Codexen waar die 17Keuren in staan, zes in getal, die hij dateerde in een reeks van 1250 tot en met 1430, telkens met een interval van pakweg 50 jaar. Hier stapt hij er met gemak over heen, dat de muntomloop ook zo ongeveer elke halve eeuw veranderde. Terwijl in elk van de 17 keuren de munten gelijk zijn en dezelfde benamingen hebben en dezelfde onderlinge waarde. Alweer: “Naar naam en faam”, een klein Fries muntboekje, had hem uit de droom kunnen helpen.

In zijn eigen publikatie “Lichaam, Eer en Recht,” blijkt hij ook niet op de hoogte te zijn wanneer er in Friesland voor het eerst Fries is geschreven. Het antwoord is: In Oost-Friesland in 1310 en en Westerlauwers Friesland in 1332 in een oorkonde. In zijn eigen werk, in de op schijf geleverde boetetaksen van de Hemmen en de Delen, mist hij dat er een vroeger moment is geweest, waarop de Friezen de ganzepen hanteerden in hun eigen taal. Namelijk in de kortste boetes van de Hemmen en de Delen, met name die waarin een verdubbeling optreedt. Een wonde: drie (engelse) sterlingen plus twee loonse. Twee wonden: zeven sterlingen en een loonse. Teruggerekend blijkt een engelse drie Loonse te zijn. En dat is dus hetzelfde tarief als in de (latijnse) Willekeuren van de Upstalboom van 1323, waarin wordt bepaald: drie Loonse voor een sterling. En dat in het FRIES geschreven!

Men had al deze auteurs kunnen kennen, men had beter kunnen weten en dan heb ik het nog alleen maar over een eigen publikatie gehad, namelijk het muntboekje. Toen dat eenmaal was gepubliceerd en (ook mijzelf) de samenhand duidelijk werd, kon ik meer zaken oplossen, die veelal in een vrijheids kader worden gezien. Ik nam de gehele periode op de schop in: “Een Mythe Ontmanteld”. Blijkbaar niet op “de akademy” gelezen. Daarna nam ik de 17Keuren nog eens op de schop en constateerde dat het een verzameling citaten was uit diverse oudere oorkonden, van meerdere Friese landen. Van de 17 keuren bleken 13 een eerdere vermelding gehad te hebben, meldde ik in “Nieuw Licht”(op de 17 keuren). De Fryske Akademy leeft alleen in zichtzelf en bij zijn eigen nationalisme en bij alles wat ze zelf produceert, ze durven niet uit het raam te kijken en veel verder komen hun resultaten ook niet. Ik als amateur vind dat te weinig. Ik heb me aan het eind van de lezing, in de discussie dan ook voorgesteld als iemand die hier genegeerd wordt, maar die wel bij U, het KNAW, een werkstuk op het web heeft staan.

Niet alleen op dit gebied maar ook op andere gebieden staat het er bij de Akademy slecht voor. Insiders spreken van meerdere gestopte projekten, waarvan “de Pleatsen Atlas” er een is. In tweederde van de gemeenten wachten de amateurs op de bewerking van de kadastrale en prekadastrale gegevens. Mocht u hier onderzoek naar willen doen en mocht u zelf geen referenties hebben die u kunnen inlichten, dan kunt u mij bereiken.

Hoogachtend,

J.Post;

Robinsonstraat 139, 8923 AN Leeuwarden

Tel: 058 267 25 13.

Waarvan een afschrift naar de Kommissaris des Konings in FriEsland de Heer Arno Brok.

DE HEER BROK WAS WEL ZO BELEEFD OM EEN BRIEF TERUG TE SCHRIJVEN.

In het kort hield die in: ” geschiedenis is een discussie. “Mijn reaktie zal even kort zijn. Wie zoveel feiten als Nijdam negeert, zal eerst die feiten moeten opnemen en de problemen daarover oplossen, voor er gediscussieerd kan worden over de duiding van de verduisterde en niet gebruikte feiten.

 

 

1.PUTHAAK    2. TWEE MAAL REGELMENT V.D. BUREWEIDE TE WIER. 3. AUSTERTERP,  Heerestraat en omgeving in Leeuwarden.   4.  KEUR DRIE, nieuw licht op de 3e van de 17 keuren. 5. De veencompagnie van Watse Eelkes en Wabbe Wisses. Zij bezaten slechts 2 van de 8 delen. De andere zes delen worden hier genoemd. Plm. 1630. 6. AFSCHEID BREMMER.

 

VERWIJDERD: 6 ARTIKELEN VAN DE JANUARI- EDITIE.    zie Archief                                                               IDEM 5 ARTIKELEN VAN DE MEI -EDITIE.                zie Archief

OCTOBER EDITIE 2016: zie Archief. Ook naar “archief”overgebracht.

Bovenstaande titels komen overeen met de pagina’s in het menu.

 

PUTHAAK.

In de Friese wouden, maar ook elders in arme gebieden was het geregeld gewoonte om niet te trouwen. Nadat Napoleon de Burgerlijke stand had ingevoerd ging dat moeilijker. Bekend is het latere ritueel uit Harkema, waarvan wordt gezegd dat het bruidspaar naar Buitenpost liep terwijl de buren als een soort plicht even een nieuwe woning bouwden, die ze konden betrekken als ze van de formaliteit terug kwamen.  Voor 1811 moet dat anders gegaan zijn: wie niet kerkelijk trouwde moest op de een of andere manier toch een legitimatie hebben van de omgeving dat het stel getrouwd was. Daar was in de loop der tijd een bepaald ritueel ontstaan. Ik meen dat Rink van der Velde het zo beschreef: Een buurman of een dorpsoudste stelde het bruidspaar voor zich op en stak een stok, de puthaak genoemd tussen de beide a.s. echtelieden die elkaar over de stok heen de hand reikten, waarbij de buurman als cereminiemeester het een en ander zei. Waarna de getuigen applaudisseerden, juichten of zongen, al naar gelang de plaatselijke gewoonte. Die stok werd puthaak genoemd, en het zou de stok zijn geweest waarmee men de emmer met water uit de put trok. Alleen, ik herinner even aan een plaat van Jetses, waarop zo’n put is afgebeeld, de stuk zat vast aan een soort giek. ( De tekening werd overigens bij Een, gemaakt waar het nu Amerika heet.) Werd die er wel afgehaald voor dit ritueel? De naam PUTHAAK lijkt me een verbastering van een ander voorwerp dat in de vroegere tijden wel los voorhanden was. Namelijk een POOTHAAK. Terwijl ik keek naar een documentaire over een kudde in Frankrijk zag ik het bedoelde apparaat terwijl het werd gebruikt. Het is een stok met een krul aan het eind, die op het eind net even van de stok afwijkt. Een schaap is moeilijk met de hand te pakken, maar op een plotselinge uitval van een stok met een haak, zijn ze niet bedacht. Is de haak eenmaal om een poot geslagen, dan doet het beest alle moeite zich er van te bevrijden. Net voldoende tijd om het schaap bij de wol te pakken en af te zonderen. Eenmaal hierop geattendeerd zag ik het apparaat nogmaals in een film van de Shetlands. De haak was daar wat groter en toen viel me op wat het eigenlijk was. Het was een primitieve staf, zoals een bisschop die had. Op twaalfde-eeuwse muntjes heeft een bisschop nog een staf als een poothaak in de hand. Pas later werd dit versierd met meerdere krullen. Toen kreeg het de vorm die iedereen ook de ongelovigen onder ons bekend is: de vorm van de staf van Sinterklaas.

Het merkwaardige van het trouwen over de puthaak/poothaak is de associatie met die van de herdersstaf. Het hoofd van de buurt of de familie had om het stel te trouwen, zich misschien uit traditie, misschien zonder het zelf te weten zich een kerkelijk attribuut toegeëigend dat van de bisschop was. Maar wat de bisschoppen zich misschien niet dagelijks realiseren is, dat ze zelf herder zijn, dat de vertaling van “bisschop” letterlijk “herder” is en dat het teken van hun waardigheid de  poothaak is, waarmee zij ongehoorzame leden van de kudde naar zich toe konden trekken. Alleen met zoveel krullen is hij al heel lang niet meer functioneel, maar nog steeds wel het symbool van hun nederige functie: herder van een kudde, met een attrubuut, in of aan zijn hand, waarmee hij weerspannige parochianen een pootje kon haken om hun vermanend toe te spreken.

2. Twee maal een reglement betreffende de Bureweide te Wier.  1567 en 1611. en een vervolg uit 1637.

  • Conditiën ende voirwairden gemaickt op te kerke ffenne leggende buyten dick opt Bilt toekommende de kercke bennen Wier als pachtenairs van ‘s] Conings wege grondhere van dien, alles in mannieren navolgende.
  • In den eersten, dat nymant in den voorschreven ffenne voir in toekomende tyden zal eenyghe grasinge, hebben bij wair saecke dat die opgelecht zall hebben aldereerst de huyre van den voorschreven grazinge verschenen ende dye noch ten achteren es.
  • Item, ten anderen dat voortaen voir yder koegrasinge zal betaelt worden drie carolus gld ’t stuck tot xx stuivers gerekent ende deselve te betalen tot alderhyligen oft te minste voor den beesten vuyt de voerschreven ffenne genomen ende geleid worden zonder daerinne te moegen slaan peert grasinge. By ffaulte van dien dat deselve de Koninklyke Majesteit voorschreven als gedepriveert ende versteecken zal zijn om enighe plaats te hebben in den v.s. ffenne ende vor dat men hem mach doen executeren met de deurwairder van de Koninklyke Majesteit Rentmeester tot zijn costen.
  • Dat de verhogingen ende verleegingen van de voernoemde drie carolus glds nu geset voir ijdere keer grasinge zall staen altijt tot veranderinge van den kerk voogden metter principale eygenaars der voorschreven dorps .
  •  Item, dat nymand van de geene die grasinge hebben in der voorschreven ffenne zal mogen met hem in neemen te weiden eenighe buyten dorpsche buyten koyen t’zij vrije oft andere, het zij oeck myt onledighe list buyten wille en consent van den v.s. kerkvoegden ende eigenerffden ende bij faute van dien dat hij daarom voortan nijmermeer enygge plaets zal hebben tot te grasinge van de v.s ffenne.
  • Alldus gesloten en geaccordeert als v.s. by ons Goslick Hiddema, Diorre Sipkes, Eerntze Harmans zoon, nu ter tijt wonende binnen Wier ende macht hebbende om op te v.s. fenne zulcke vs. ordonnantien te maycken; accorderende onsen hantschriften ende merck hier onder gestelt vuyth 23 aprilis Anno McXVCLXIII

Goslick Hiddema Diorre Sipkes en tekening van een fuik. (van Eerntze Harmens)

Tweede acte:

Also ick Johannes Saeckma Raed ordinaris in den Hove van Frieslant bij ampliatie (notarieel afschrift v.e. grosse = het voor de belanghebbende bestemde, eerst uitgegeven afschrift van een authentieke akte of vonnis) van den selven Hove den 10-en tegenwoordiger maend gegeven op den requeste van Ede Janszoon ende dorprechter ende kerckvoocht tot Wier gecommitteerd mede ware om ordre toe stellen ende helpen maken die tot conservatie ende behoudenisse van de buijrefenne aldaer soude mogen dienen. Ende Jacob Herckes ende Folckert Alberts als volmachten van de gemene grasgenoten in de selve fenne den 15e den voorschreven maents compareerd sijnde voor mij commissaris verclaert hadden geen ander last (opdracht) te hebben, dan te versoecken dat d’administratie der gemelte fenne conform voriger observantie (gebruik/beheer tot nu toe) wederom van de voorgeschreven patroon bij de kerckvoogd aengenomen mochte worden, is het dat ick om ’t selve poinct ende ’t gene meer mijne commissie (opdracht) mitbrenght eijndelijck t’effectueren, mij huijden, dato ondergeschreven op voirgaende nieuwe citatie hebbe gevouchd in de kercke van den voorgeschreven dorpe, alwaer voor mij compareerden (h)eerstelijk Jonker Andries van Hiddema voor hem ende vervangende sijne lantzaten (huurders;pachters), doch met Arijen Cornelis ende Jan Tiaerdts twee der selven in persoon, mitsgaders Sicke Claes, Claes Thonis; ende de voorgaande suppliant (die een verzoekschrift indient aan een overheidsorgaan) Ede Jans zoon geadsisteerd met Mr. Gerrijt Hardomans, zijn advocaat als besitters ende gebruijckers van de voerende (stemvoerend) ende schotschietende (boerderijen die voorkomen op het stemregister: tegen betaling van een zeker schot of belasting hadden ze het stemrecht in dorps- en grietenij en indirect in provinciale aangelegenheden) saten ende landen in den voorschreven dorpe. Sijnde Folckert Eernsties, niettegenstaende citatie hem in persone gedaen naer inholt des dorprechters relatie (verslag), op desen tijt evenwel uijtgebleven. Ende voorts dan metten voorgenoemde Hiddema ende andere comparanten gedelibereerd (besproken en besloten zijnde) zijnde op den besten voet, die men soude mogen nemen tot voorcominge van den ingeslopene ongeregeltheden ende die bij eenige grasgenoten selve gepleecht sijn geweest, tot grote beswarenisse van den gemeijnte: hebbe ick commissaris bij heure advijs ende goetvinden geconcipieerd (ontworpen) ende geraemd (beraamd)

de articulen navolgende:

( na een tussengevoegde losse, halve folio, die later volgt)

[pag. 335]

Vernieuwing van het contract van de Bureweide:

1.

In den eersten alsoe de heere Rentmeester mede difficulteert den overteijckeninge van den Patroon te doen, sal de administratie van der buijrefenne dies halven ende op de iterative instantie van de grasgenoten gedaen, continueren na voorgaende gebruijck ende blijven bij de kerkvoochd.

2.

Sal vor der jaerlijcx bij ijder van de grasgenoten te huijre betaelt worden vier goudguldens ende beneffens dien noch gedragen sijn aenpart van de geschenk welcke het Lantschap sal mogen vorderen.

3.

Niettemin de veranderinge, verhoginge ende veranderinge der huijren sal van tijd tot tijd staen ter discretie van de voorgenoemde Jonker Hiddema in der qualiteit als boven en de andere stemvoerende gemeentsluijden metten kerckvoochd.

4.

Wanneer de nood eenige slattinge vereijscht, sullen de grasgenoten dies gehouden sijn te doen man bij man ofte na de koe. ende inder gebrekigen plaetse sal de kerckvoochd sulcx te heuren costen te laten doen.

5.

In de Venne sullen geen peerden mogen scharren bij verlies van de grasinge. [pag 336.]

6.

Wijders sal oock niemant van de grasgenoten eenige buijtendorpse, te wat tijde het zij, noch oock andere familiën van den selve dorpe beneffens hen met hem mogen innemen sonder consent van de voorschreven Hiddema en de andere stemvoerende gemeensluijden bij poene van anders int geheel ende metterdaat van hunne grasinge gepriveerd te wesen.

7.

Den huijre, geschenck ende costen van slattinge sal een ijder van de grasgenoten voor, ofte ten langste bij het uijtslaen metterdaet gehouden wesen aen den kerckvoochd te betalen.

8.

Waarinne so iemand gebrekig valt ofte hem weijgerich stelt sal van de grasinge versteken wesen: ende een ander die gereed is den voorschreven huijr, geschenk ende vervallen oncosten reallijk te tellen (betalen) wederom bij de kerckvoochd in den vorigen plaetse toegelaten mogen worden.

9.

Ende, oft niemand gevonden werde die in plaetse van de faillant begeerde te comen, sal de kerckfoghet de grasinge tot profijt van den patroon verhuijren.

10.

Evenwel sal bij den deurwaerder van den comptoire der domeijnen oock de achterstallige huijr met de vordere dependentiën van den selve geëxecuteerd mogen worden.

[pag. 337 ]

11.

Maer hier onder worden nochtans niet begrepen de armen welcke bij permissie van de voorschreven jonker Hiddema ende andere stemvoerende gemeentsluijden nu in de buijrevenne eenige grasinge hebben ofte namaels mogen crijgen.

12.

Ende ten eijnde de kerckvoochd ten beter inhold van voorgeroerde artikelen moge effektueren als mede de onwillige defaillanten ofte contraventeurs te dwingen, sal deselve bij het uitslaen te sijnder adsistentie mogen nemen ofte gebruijcken den voorgeroerde deurwaerder der domeinen van den Hove, een gesworen bode, executeren van de grietenie ofte emant anders te sijnen believen.

Aldus gedaen ter plaetse voren verhaeld, desen 21-en aprilis 1611. In kennisse des voorschreven Joncker Hiddema voor hem ende sijn lantsaten, Sicke Claes ende Claes Thonis, Ede Janszoon ende advocaat Hardomans handen; beneffens mijns Commissaris hier onder gestelt.

Andries Hiddema Claes Thoenijs

Sicke Claes Ide Jans J. Saeckma G. Hardomans

(AANVULLING op dit reglement volgens extract van 25 febr. 1649 van de besluiten van maaert 1637; als volgt: op losse halve folio, zie hiervoor:)

Op huijden den 23-en marty 1637 Jonker Goslijck van Hiddema met de andere schotschietende ingeseetenen in onse kercke vergadert sijnde hebben goet gevonden ende geresolveert:

– Dat voortaen niemants van de grasgenooten onser buier fenne niet anders in de selve sullen mogen weyden als melck hooren beesten.

– Ende ofter emandt der selver grasgenoten ware die door onvermogen oft ander ongelegentheijdt geen melckbeest conde raaden (houden?) soo zal hij voor den jaer sonder langer die gerechichheijt van sijn gras beholden ende sullen die ander grasgenooten voor dat iaer soo veel te hoger quoteseert worden.

Accordeert desen met sijn principale articulen staende in het nijen kerckeboeck voorschreven dorprechter in Wier.

Actum als boven: Lourens Lourens Buiertie. ( EINDE aanvulling los blad)

Rechtstreeks uit het transcript van het boek gecopiëerd, J.P.

3. AUSTERTERP, HEERESTRAAT, OOSTERSTRAAT en omgeving in Leeuwarden.

Gedachten opm een vroege ochtend.

Nog voor de zon op is ben ik al in de stad. Ik bezorg tegenwoordig kranten, dat is zoals u zult begrijpen niet uit weelde. Ik moet ergens manieren vinden om de Fondsen de Neitiid te vullen voor grotere en betere uitgaven. Mijn bezorgwijkje ligt tussen de Voorstreek en de Oosterkade en de Tuinen en de Nieuweweg inclusief Oosterstraat, Weaze en Heerestraat. Op de heerstraat heb ik 5 adressen. Bij twee ervan moet ik drie treden om hoog, een tussenliggende stoep is mogelijk nog hoger.. Als ik achter me kijk zie ik het provincie gebouw, er schemert iets van een laagliggende verdieping, of een kelder. Het verschil in hoogte is nogal groot, die kel;der zal wel uitgegraven zijn. Met miojn blik weer op de andere kant van de straat zie ik dat de huizen met de hoge stoepen geen kelderramen hebben, er is een klein luchtroostertje.  Ik denk dat de straat vroege met een klein opstapje naar de drempel is geweest. De straat moet zo’n 50 tot 60 cm verlaagd zijn, is mijn conclusie. Vanaf de korfmakers straat loopt de Heerestraat nog steeds flink op. Naar de Oosterstraat toe daalt de straat weer af. Een Auteur over het oude Leeuwarden heeft de onderlinge hoogte van de Leeuwarder terpen bepaald aan de hand van “putdekselmetingen”. Door na te gaan op welke hoogte het deksel in het wegdek ligt. Het cijfer voor de Heerestraat mag dan nog wel met 50m of 60 cm verhoogd worden. Al was de derde, feitelijk vierde terp vam Leeuwarden maar klein, in hoogte benadert hij de hoogte van Olde- en Nijehove.  Stond hier niet in een grijs verleden een stins van de Unia’s, die bij een van de vele oorlogjes tusen de Friese hoofdelingen werd vernietigd? Ik zou een verband leggen met de oorkondes uit 1435, toen Leeuwarden zichzelf vergrootte met een terrein ten oosten van de oude stad, over de Voorstreek gelegen. Bijna een verdubbeling van het grondgebied, dat in de loop van de tijd ook omgracht werd en van bolwerken voorzien, om niet onbeschermd tegen mogelijke vijanden te liggen. De bestaande interpretaties gaan ervan uit dat ook de Cammingha burg een halve kilometer verderop in het vervolg nu ook onder het stedelijk gebied zou vallen. Evenwel hoe die grenzen dan liepen wordt niet beschreven. misschien dat een herlezing van die drie oorkonden daar een ander licht op kan werpen. Mogelijk heeft Austerterp zoals de hoogte tussen de Voorstreek en de Heerestraat vroeger heette daar nog een rol in gespeeld.

4.  DERDE KEUR van de 17 keuren.

Als publicist over oude Friese stukken ben ik autodidact. De meesten van  degenen die daar wel voor  hebben gestudeerd heb ik middels een toezending van een exemplaar (ditmaal van NIEUW LICHT op de 17 Keuren) op de hoogte gehouden. met wisselend succes. De meesten zwijgen en ook komen er geen discussies of studies meer in de Bladen, die het onderwerp van de 17Keuren aansnijden. De enige die op deze toezending reageerde was Meijering, en helaas, was die niet erg opbouwend. eigenlijk leek het er het meest op alsof hij in zijn eigen huis gekwetst was, over dingen die eeuwen eerder waren gebeurd, en waarover nu de grauwsluier was weggetrokken in een klap, van een met een groezelig doek omfloerste collectie rechtsregels die met een forse ruk in het dagelijks licht was onthuld en niet meer bleken dan citaten uit de literatuur, oorkonden wel te verstaan, waren ontleend en die nu glanzend in het volle licht van een heldere zon lagen te glinsteren en te schitteren. Het stuk was dus niet aangegroeid, het was al niet sinds 1200 in opbouw, het bleek in 1427 bijeengeraapt te zijn. De geleerden van focko ukena hadden goed werk geleverd. Waarom vraagt bijvoorbeeld en statenlid er niet naar, waarom de discussie zo plotseling is afgebroken, waarom er nu sprake is van de dertiende eeuw en niet meer van de elfde?

Ik kreeg wel een reaktie van Kees Kuiken in De Fryslân. Met het probleem van een van de laatste citaten werd daar met vlotte pen korte metten gemaakt. En wel met KEUR 3. Eigenlijk is deze keur, dit artikel de kern van de 17 keuren. Een Fries zal “unbirawed” op zijn eigen goed zitten. Ik citeerde daarbij een oorkonde uit 1399, waar dit woord in stond. Dat stuk waqs geschre3ven door de Hollandse kanselarij en lijkt in al zijn bewoordingen op een stuk vasn enige jaren eerder. Dat stuk is evenwel een stuk van Friese makelij, waarin zij stellen dat er nu een vrede is gesloten met de Hollanders, waarin de Friese rechtsvorm en een aantal typisch Friese rechtsregels door de Hollandse graaf erkend zou zijn. Want het stuk heeft alle kenmerken van een vervalsing. De Friezen hebben geen vrede met Albrecht gesloten. Wel is ABRECHT  telkens met nieuwe teksten en nieuwe voorwaarden gekomen. Wat uit het stuk dat ik gebruikte ook blijkt is, dat er in die tien jaren voor 1400 door de Friezen met de Hollanders onderhandeld is, en met grote frequentie. Want waar de Hollandse graaf (Albrecht) in het eerst volkomen voorbij gaat aan het bezit van de Friezen en hoe ze er aan zijn gekomen, maar nog meer dat het hun onvervreemdbaar eigendom is, blijkt in de tweede door mij geciteerde akte, dat de Friese bewoording in dit stuk uit 1399 is ingevoegd uit een (de ) vorige tekst, die, waar later, neem ik aan, het zogenaamde vredesverdrag of onderschikkings verdrag uit voort is gekomen. Nu suggereert Kees Kuiken in zijn kritiek dat ik een stuk citeer waarvan soms wordt gezegd, dat de bewerker- de grote Schwarzenbergh, de man van de zes oorkondenboeken – niet betrouwbaar zou zijn. Het is eerder zo, dat de interpretatie over de stukken die in deze tijd niet betrouwbaar is, wanneer ze worden gebruikt door tegenwoordige auteurs. Ik neem niet aan dat Kees Kuiken te kwader trouw is geweest en namens de gestudeerden uit de sectie OUD FRIES dit geschreven heeft, maar dat hij zelf meende een lek te vinden in de “unbirawed” passage. Kuiken en Ik Kees en Jan hebben hier enige weken later over gesproken en er daarna een op gedronken, chocomel wel te verstaan. Voor beide besprekers, er verscheen er ook een in It Beaken van Reints Faber had ik een goede fles wijn gekocht en zo gingen Kees en ik vol begrip voor elkaars kunde, kennis en standpunten uit elkaar: en olleke bollleke sol, de problemen waren weer uit onze bol.

5. De VEENCOMPAGNIE  van Watse Eelkes en Wabbe Wisses.

Deze twee veencompagnons hebben in Gorredjk een straatnaam gekregen. Al opereerden zij in een tijd dat de naam Gorredijk nog niet bestond. Ze exploiteerden veen in Kortezwaag. Dat was ongeveer in het jaar 1600, maar deze compagnons hadden een zekere pech, het slaagde hun niet om de doorgaande weg onder Kortezwaag door te graven, er een sluis te leggen en een brug te maken. Mr. W. Visscher noemt dat probleem in zijn grote werk over de vervening in Friesland wel, maar in te tekst noemt hij alleen de al bekende leden van deze compagnie en in de noten passeren nog enkele personen de revue, zonder dat duidelijk wordt welke leden de oorspronkelijke compagnie hadden. Visscher, zowel als Van der Molen wel de verkopers, meestal de kinderen en erfgenamen van de oorspronkelijke bezitters en aandeelhouders. Alleen Van der Molen las voor de familienaam Boner “bones,” wat de duidelijkheid duidelijk niet ten goede kwam.

Wat moet je dus doen in zo’n geval? De oorspronkelijke acte opzoeken. Het begind meteen goed in proclamatieboek 108 van Opsterland. Op folio 1 kopen A. van Wijkel en T. van Oenema 5/8e deel van de oude veencompagnie, op 19 februari 1629 ingeschreven. Ze kopen die van ten eerste: Watze Eelkes die het eerder gekocht had van Gerbrich Vincents dr, mogelijk familie van Vincent Gales en een van de vroegste voorouders van de Heloma’s. Deze Gerbrich was getrouwd met Frans Jans van Sneeck. niet iemand uit de Friese stad, maar een burgemeester uit Utrecht. Dit 8e part was niet zijn enige bezit, hij bezat ook veen in een onderafdeling van de Dekama, Kuyck en Foeits venen onder Langezwaag in de z.g.n Medembliks compagnie.

Het tweede achtste part kochten Anne en Tiebbe, (van Wijkel en Oenema) van zekere Jan hendriks dat afkomstig was van zijn vader Hendrik Jans – mogelijk een broer van Frans Jans en dus ook een Utrechtenaar, die waarschijnlijk ook in het Medembliks een deel had.

Het derde en het vierde achtste part was afkomstig van Suffridus Nijenhuis en His Sijmons dr. het werd verkocht door Evert Boner, (!) Douwe boner, Ebeltie Boner, Symon Boner, Attie Boner en Wytske Boner, Voogd over twee van deze kinderen was Douwe Nijenhius, die we in een proces uit 1607 genoemd vinden naast Watse Eelkes en Wabbe Wisses. Maar hij was geen eigenaar van een deel van de compagnie, iet wat in “Turf uit de Wouden “wel gesuggereerd wordt. De Gorredijksters zijn zo snugger geweest om geen straat naar hem te noemen.

Het vijfde 8e part kwam van Jacob runia en At Runia, die gehuwd was met Jan Tiallinga. Zij hadden het geërfd van hun ouders Jacob Runia en Doetie Wijkel.

Op folio 62, het is dan mei 1629 drie maanden later koop Anne van Wijkel nog eens een 8e part. Hij koopt dat van Cornelis Kinnema – v.d.Molen schrijft Binnema – en Trijntie Cornelis dr van Aengium. die weduwe was van Govert Tiepkes en zo het zesde 8e deel had verkregen.

Op de volgende folio is op dezelfde datum nog een 8e part verkocht. Dat kochten ze van Gerit (!) Frans dr en Antie Frans dr., kinderen van Frans Jans zn. van Sneeck. Die dus net als Suffridus nijenhuis twee achtste parten oftewel een vierde part had.  En samen, overbodig om te zeggen  de helft bezaten. Daarmee is het zevende achtste part ook opgespoord.

Het achtste part kost wat meer hoofdbrekens omdat de gegevens niet voor het oprapen liggen. Dat moet het deel van Wabbe Wisses geweest zijn. Deze was burgemeester in Leeuwarden en afkomstig van Opsterland, zijn vader was Wysse Waebes die hier grond bezat. Aangezien Wabbe Wisses niet getrouwd was, kwam zijn bezit bij verwanten terecht. Dat moet een nicht van hem geweest zijn, met de naam Aet Gatze dr. Van der Molen noemt haar naam in een onduidelijke relatie, en Visscher zegt in de voetnoot dat zij de nicht was van Wabbe Wisses.

Daarmee zijn alle acht delen van de oude Kortezwaagster Compagnie gevonden. Hoe het deel van Aet in de latere compagnie terecht is gekomen blijft gissen. We moeten de mogelijkheid onder ogen zien dat dit via de van Wijkels was die getrouwd waren aan de Fockensen en de van Teyens.

Anne van Wijckel en Tiberuis van Oenema van Oemea hadden  nu een weinig florissante boedel in handen. Te weten niet aangesneden en bereikbaar veen. Sinds het proces in 1607 bleef de Hogedijk, aangelegd door de eerste vervener van Burmania in 1552 liggen zonder dat er een vaart door kwam. De vaart naar de Hogedijk, westelijk van de Nieuwe Weg, die bij het huis waar vele huisartsen hebben gewoond, aan de weg kwam, was 80 jaar lang niet onderhouden. Het leek de compagnons dan ook beter om een nieuwe vaart te graven, dan de oude uit te baggeren. Mogelijk wilden de heren ook een nieuwe vaart om de uitspraken en processen die met de oude sloot samen hingen, vermijden. Deze sloot kwam zo gezegd voor de Kromten in de oude EE, de nieuwe sloot begon aan het eind van de Kromten en werd zuidwaarts gegraven in de richting van de Hogeweg. Naar de plek waar nu de hoofdbrug ligt. Pas in 1640 horen we hier van een brug en bewoning, uiteraard een huis waar getapt werd. Na de aankoop heeft het nog tien jaar geduurd voor de Veenheren met het exploiteren van hun veen konden beginnen. Het verschijnen van deze brug, en naar valt aan te nemen ook de sluis en het huis is de start van Gorredijk als plaats. Dat is 10 jaar later dan Anderen hebben verwacht. Was de oude sloot nog bruikbaar geweest, dan had het centrum van Gorredijk zeker westelijker gelegen. Als we nog even vergelijken met de andere late veenkolonie in de buurt, Drachten, dan blijkt dat Gorredijk precies een jaar eerder was, dan de Passchier Bolleman doorgraving.

6. AFSCHEID PROF BREMMER.

op 16 juli j.l nam prof Rolf Bremmer afscheid van zijn leerstoel Engels, waarin een/tiende voor het oud fries was opgenomen. Ons bereikte via een circulaire van de Fryske Akademy de mogelijkheid om dit bij te wonen. Dus schreven Nayad en ik ons in. dier Pieter en Frits bereikten we zonder problemen het gebouw waar het gebeuren plaats zou vinden. Aan het programma en aan het tijdsschema mankeerde niets, alles liep op rolletjes. De eerste spreker was mevrouw dr. Patrizia Lendinara, dien een lezing hield over compounds en isoglossen in verband met het oude Fries. Nu is er niet eerder in het Fries geschreven dan voor 1323, zoals ik elders bewees, maar voor de vergelijking van de gelijkenis tussen onze taal en andere talen doet dat weinig ter zake, het is het oudste wat we hebben. Volgende spreker was Drs. Popkema die aan de hand van een eigenlijk foutief gebonden voorblad kon de herkomst kon aantonen van een van de negen overgebleven exemplaren van het gedrukte Fries landrecht – ook wel Oude Druk genoemd. Namelijk uit de biblitheek van het hoofdelingen geslacht van Oldersum waar het in 1590 ( of iets later, mijn aantekeningen laten me in de steek,) aanwezig was. Helaas mij niet bekend toen ik een beschouwing over die Oude Druk heb uitgegeven. Na de thee/koffie ging Dr. Oebele Vries verder met voorbeelden van direkte rede in het oude Fries. Het is overigens wel opmerkelijk hoe omzichtig men tegenwoordig omspringt met de terminologie Oud Fries. nu is het Oud Fries, dan weer het Oude Fries of het oudste Fries en nu er voorbeelden van na 1500 werden aangehaald, sprak van enkele relatief late voorbeelden van het oud fries. Je vraagt je daarbij af of de bestaande definitie over het oud Fries nog wel dekkend is. Zijn lezing werd gevolgd door Dr. Mirjam Marti uit Zürich die sprak over de patronen die de woordschepping in de vroege fase volgde voor “agent nouns”. Duidelijk niet mijn specialisme. Wat overigens wel opviel was dat deze lezing in keurig en verstaanbaar Engels ging terwijl de eerdere sprekers, ook de Friezen, wel heel speciale klankvormingen hadden, waardoor het in sommige regels pas twee regels later duidelijk werd wat het misvormde woord of klankgroep was. Na nog een pauze begaven wij, Nayad en Ik ons naar het groot Auditorium. Het college bestuurders, hoogleraren en bestuur van de Akademie, waaronder de 0,1 leerstoel viel, schoof met toga en baret de zaal in. Toen kwam de afscheidslezing van Bremmer. Hij vertelde in een kort en strak overzicht wat er in zijn tijd zoal gedaan was op “it mêd” van het Fries en zijn eigen rol daarin. Halverwege de lezing begreep ik waarom ik was uitgenodigd. De rij vorsten en koningen, gaf hij aan, als gekomen uit de toendertijd gangbare kronieken,( conclusie 2, van mij afkomstig) en dat deze reeks de rechtvaardiging was dat de Friezen daarom ook zelf hun eigen recht konden maken. (mijn hoofdconclusie in Nieuw Licht, conclusie 1) Waarbij het beroep op Karel de Grote niet meer dan een gemaakt historische grondslag was. Wat Bremmer als ook theologisch geschoolde in dit geval voor het eerst uitsprak was de aan de reeks koningen en keizers voorafgaande premisse: dat God hun (ik denk zowel de Koningen als de Friezen) aan de basis van van het Recht stonden. Inderdaad, daar ben ik teveel heiden voor. Misschien was een andere reden om me uit te nodigen de dateringskwestie van de 17 Keuren. Sinds Bremmer dit aan de voorwaarden op hing, die nodig zijn om te schrijven, kwam er 1 1/2 jaar later een publikatie uit, die van elk van de keuren nawees waar deze eerder was gebruikt en zag dat het stuk voor stuk ontleningen waren. Waarvan de laatste ontlening in 1427 was. De kritiek die eerst boven zijn hoofd had gehangen, woei nu naar die andere auteur en ontlaadde zich boven dat hoofd. Al met al  was een geslaagde dag, voor hen  die dit organiseerden, voor de bezoekers en voor Bremmer zelf.