Artikelen

INHOUD:

De artikelen worden geplaatst met datum, de oudste staan onderaan, de jongste boven.

De abtenlevens nog eens bekeken. Zie ook : artikel Frederik van Hallum. En de twee stukjes uit “Montaillou.

Twee stukjes uit Montaillou: een ketters dorp rond 1300:

Een verboden spelletje : hoe de jeugd in 1300 spotte met de hostie. en:

Allemaal naar bed, doorelkaar in het stro, in Montailou.

Oud Fries bestaat niet. ( ook als A-zesje verspreid)

EEn lonscha is 3 Englescher (numismatiek)

Hornestreek, deen dijk maar een strandwal (hefswal)

Illegaal zuivelfabriekje op de Tynje in 1944?

Von Richthofen na 150 jaar. niet meer geschikt als basistudie Fries ?

Matthijs Siegenbeek. Waarom niet in de vierdelige encyclopedie?

Een beeld in Beets. Waarom Kerst Huisman niet in de commissie zat!

Een boek over dijken. Rienks en Walther achterhaald en Noordpeil niet voorbereid op onderzoeken ter plekke.

De veencompagnie van Watse Eelkes en Wabbe Wisses te Gorredijk 1630.

De derde van de 17 keuren.

Austerterp Leeuwarden

Twee regelementen over de burenweide van Wier.

Puthaak, poothaak als bisschopsstaf.

Brief aan KNAW

TURF: aantallen, maten lonen etc in Troch de Tynster tiid.

Bisprek: steentijd tentoonstelling te Burgum.

Super Librrum.

Wat is recht? Winsumer codex door Meijering en Nijdam gedeeltelijk uitgegeven.

Vianen 2x

Muntkunde: over D.J. Henstra

Polder Tirns/Tjalhuizum

Black Lives Matter en de M.L. King herdinking in 1967 in Drachten.

Naar het oostland.

Geplaatst 8 februari 2023.

DE FRIESE ABTENLEVENS NOG EEN KEER OP DE KEPER BESCHOUWD.

In 1997 publiceerde Paul Noomen een essay over de familie Cammingha en haar relaties met de kloosters in Noordelijk Friesland en de relaties met aanverwante families. Noomen duikt diep in de tijd en de eerste persoon die hij weet te plaatsen is een zekere Ulbrand die schout was te Rijnsegum. Naar valt aan te nemen Rinsumageest rond 1050. Daar valt wel wat op aan te merken: De functie “schout” bestond in die dagen nog niet. In 1127 komt deze functie pas voor in een latere toevoeging op het Condominium verdrag. En daar wordt juist uitgesloten dat Friesland ooit aan een schout zal worden beleend. De schout wordt in latere mythes beschouwd als een “uitvinding” van Karel de Grote. Net zoals het veertiende -eeuwse veemgericht ook door hem zou zijn ingesteld. Dat wil zeggen dat als deze schout uit de “gesta Abbatum” geen originele een betrouwbare figuur is. Ook pas in of na de 14e eeuw in de volkswijsheid terecht gekomen. Een wijsheid, die overigens bewaard werd in kloosters. Maar ook in geschriften in die kloosters wordt er niet over schouten gesproken in die vroege elfde eeuw. We moeten het gegeven als vals of apocrief beschouwen. Een ander nogal groot vraagteken haal ik uit een Camminga testament: Peter van Camminga zegt daarin dat hij de Cammingaburg heeft laten timmeren van het geld van Zyte Lousma. Camminga Burg op Cambuur heette oorspronkelijk blijkbaar LOUSMA. Dat testament verwijst er niet naar dat Zyte Lousma eerder getrouwd is geweest, terwijl Dit in de abtenlevens wel wordt vermeld. De vraag is daarmee welke bron betrouwbaar is. De tekeningen en schilderijen van De Cammingaburg geven een fors rechtopgaand gebouw in het midden aan waar aan twee zijden vleugels zijn aangebouwd. Uit het water rijst voor dit geheel een torentje op, dat de indruk moet wekken dat het een herinnering aan een donjon is. Wie de rechte muurwerk van het middelste deel in ogenschouw neemt, krijgt niet de indruk dat het een donjon is, met dubbel en driedubbel zware muren. De ramen zijn er ook te groot voor en de kozijnen springen maar weinig in. Voor zover er metselwerk is te herkennen heeft dat ook geen middeleeuws karakter. De Camminghaburg zou wel eens na 1551 gebouwd kunnen zijn, de datum van het testament. (!) Het aantal genoemde vertrekken in de burg, na het overlijden van Titus van Camminga, noemt maar een beperkt aantal kamers. Niet meer dan er te tellen zijn, wanneer men er omheen zou kunnen lopen. Hier is hetzelfde gebeurd als met de 11e eeuwse schout: op basis van een gewenste afstamming en grootheid, is er een “kasteel” gefabeld op een plek waar vroeger niets, of een grote boerderij van de Lousma’s was. Een geslacht dat maar één keer voorkomt. Het belang van dit geslacht was voor de schrijver van de Abtenlevens niet van belang. Noomen beschouwt de Abtenlevens als een bron, waaruit de kloosterlingen van de verschillende kloosters waar vooral de Caminga’s mee annex waren, ze zouden veronderstelt de auteur dan ook vooral zijn voorgelezen in de kloosters, om het belang van de stichters en de eerste generaties van de Cammingha’s te benadrukken en hun rol in de “politiek” van de 12e en 13e eeuw. Ze zouden voor het gebruik binnen de kloosters zijn geweest, maar merkwaardig genoeg, staat er bijna niets in van het leven in de kloosters, dat de genoemde personen daar moeten hebben geleid. Ze bekleedden wel allemaal hoge functies in heel wat kloosters of als deken van Oostergoo, maar van enige vrucht van het reilen en zelen door de door hun geleide kloosters merken we niets. Geen landaanwinningen, geen problemen met water en stormvloeden en geen invloeden in de venen tussen de klei- en zandgronden. De basis om een geslacht Cammingha te construeren in de elfde twaalfde en dertiende eeuw is zo gezien uiterst zwak. Wat ook zwak is, is de standplaats van de Cammingaburg, die wordt gedurig aangegeven als Kampingabure, met C of K maakt niet uit. De uitgang “bure” wijst namelijk niet op een verhoging of een terp. Als we dit bij de opmerkimg uit het testament voegen, dan is de Kammingha burg de derde in een rij. De eerste plaats van waaruit de Cammingha’s “resideerden” was het huis op Caminghehorn. Het latere FLMD, een gebouw dat nog steeds een wel heel erg echt torentje, als behorende bij een stind, bezit. De tweede plaats waar de Cammingha’s zich vestigden was aan de Voorstreek, waar ze waarschijnlijk pas na 1511 heen waren verhuisd. Later zou die tak, (van salige Siucke, zie het artikel in het Neigesetsje van de Neitiid anno 2022) binnnen de stad terechtkomen door de samenvoeging van Oldehove, Nijehove, en Austerterp. MET, lees die ene oorkonde goed, de INNERE HUECK tussen de derde terp en het Camminga huis, het latere Amelandshuis. Daar zaten de Camminga’s voor de tweede keer in de stad, waar ze wel graag hoofdeling waren, maar waar ze het liefst buiten woonden. Zo werd de Lousma boerderij rond 1551 de derde zetel van de Cammingha’s. De veronderstelling in de abtenlevens wordt daarmee nog zwakker. Terwijl er tientallen hoofdelimgen geslachten in Oostergoo bestonden, concentreert het geschrift zich vooral op de Geslachten Camminga en Jelgerhuis. En hun functies worden voornamelijk aan de kloosters in Oostergoo verbonden. Dat geeft te denken: Beide genoemde geslachten waren rond 1580, nog katholiek. Bovendien de vroege reeks van de Cammigha’s die de Abtenlevens presenteren, geven een aantal woonplaatsen in het noorden en Noord-oost Friesland, die ook uit de latere testamenten van de Cammingha’s in de 15e en zestiende eeuw aanwezig zijn. Daar helpen de huwelijken met andere geslachten als Merkla niet bij. De vroege Camminga’s zijn voor een deel terugprojecties, en voor een deel fantasie. Mijn indruk van de Abtenlevens is deze: het is een geschrift van de Contra Reformatie. Dat niet minder en niet meer de bedoeling heeft gehad, om de Friezen voor het Katholicisme te behouden. Want het lijkt er wel op dat de Commingha’s het meest vooraanstaande geslacht in deze streek is geweest, en dat de Klerus nu als voorbeeld wilde stellen als een specimen uit de gouden tijd van het kloosterwezen.

Geplaatst 1 februari 2021

FREDERIK VAN HALLUM

IN Leuven vond ik bij “De Slegte” overgenomen en her-opgestaan in België, met nu ook dependances in Nederland, de pocket uitgave van MONTAILLOU, een ketters dorp 1266 tot 1300. In het Frans, dat wel. Dat kon ik mooi vergelijken met de Nederlandse uitgave. Het eerste wat me opviel, was dat de jeugd van het dorp een spelletje speelde dat verboden was. Op een afgelegen plek in de velden werd door de kinderen van de katharen, maar er waren ook katholieke kinderen bij, de draak gestoken met de viering van de mis. Een van de jongens speelde pastoor en bij wijze van wijding hield hij een dunne plak raap op naar de hemel boven een geïmproviseerd altaar, waarschijnlijk niet meer dan een flinke steen. Dit was door Rome al sinds hoeveel jaren of meer dan een eeuw verboden. nu lees ik dat de kleine Fredrik van Hallum al vroeg, er staat geschreven voor zijn vijfde jaar in zich zelf gekeerd de mis opvoerde in de huiskamer. Maar het brood, of de ouwel de wijn worden niet genoemd en evenmin wat hij als altaar gebruikte. Ik wantrouw dit gegeven in zijn tijdskader. Het lijkt me meer contra-reformatoir gekwezel, dat op de grens van de 15e en 16e eeuw geplaatst moet worden en niet in de dertiende eeuw. Dat hen ik dan toch maar aan de vergelijking van het Franse origineel met de Nederlandse vertaling te danken. De vertaling, de Nederlandse auteurs zeggen het zelf ook, is niet een exacte vertaling, maar naar de teneur van hetgeen er staat. Daar heb ik nog wel een opmerking over:

ALLEMAAL NAAR BED.

Bij de oogst van de gierst in de midzomer werd de jeugd er ook bij betrokken. Overdag werkten ze mee en in het dorp werden ze ’s nachts gestald in een van de grotere ruimtes, waar iedereen hutje-mutje door elkaar sliep, op het gedorste stro van de gierst, jongens en meisjes. Een soort slaapfeestje zou je zo zeggen. De Nederlandse vertaling is echter, dat ze daar keurig in bedden sliepen. Er staat zeker niet, dat er in bedden werd geslapen. Enfin de middeleeuwen waren niet zo preuts. Het doet me denken aan wat mijn penfreundin Inge uit Rudolstadt, (DDR) schreef als zij op campagne gingen, om hooi, aardappelen of bieten te oogsten. Eén kampagne jaarlijks was vaste prik, of er nog meer zulke uitjes waren, schreef ze niet. Wel sliepen jongens en meisjes daar apart, maar er was volgens haar genoeg tijd en plaats voor algemeen en particulier genoegen. Bron: Editions Galimard pag. 396 en 397.

Geplaatst 20 jan 2022

TOCH GEEN OUD FRIES:

WINST OF VERLIES ?

Op dit moment neus ik wat in een aflevering van US WURK nummer 1-2 van dit jaar 2021. Het is een blad voor ingewijden. Ik dacht altijd dat het een taalkundig blad was en dat is een tak van sport waar ik me niet in verdiept heb, anders, ik heb het gemeden als de pest. Met die sterretjes, streepjes boven letters – fonemen en > ‘groter dan’ tekentjes kon ik niets. De ingewijden zullen begrijpen dat ik uit twee systemen put, waarvan het derde, hun eigen systeem voor deze ingewijden gesneden koek is. Ik heb altijd gezocht naar ontstaan, het aan aan papier en perkament toevertrouwen, naar volgorde in van stukken in hun tijd. Ik heb gezocht naar toetsmomenten, peilschalen en ladders om via die volgordes, waarin de stukken bleken te zijn ontstaan om zo een blik op de geschiedenis te krijgen. Geschiedenis is doorgaans een zaak van oorzaak en de gevolgen vaak doorsneden van onvoorziene gebeurtenissen.

Dat is een heel andere manier van benaderen dan men in Us Wurk, en niet alleen daar, pleegt te doen. In dit nummer is in het eerste artikel op bladzijde 13 te lezen:

The term old Frisian was already in use, in the sense of ‘respectfully old’ before Jacob Grimm formulated the well-known tripartite periodization of old/middle/modern. Hence Old Frisian recorded between ca 1250 en ca 1550 is used for the period that adjacent languages predicated wirth middle, for instance (e.g.) Middle Dutch, Middle Low German, Middle High German and Middle English.

Bij dit citaat rijst bij mij meteen een vraag. Zijn er in 1250 al teksten in de Friese taal geschreven? Het antwoord volgt in de loop van deze verhandeling. Ik verklap nu alvast dat het niet voor 1320 was, voor de Friezen in hun eigen taal schreven. Dat kan ik al zeggen uit twee vorige onderzoeken, die ik heb gepubliceerd als: Nieuw licht op de 17 Keuren en Een Mythe ontmanteld. Hier zoek ik de oorzaak op waarom het schrijven van het Fries vrij laat, later dan de ingewijden, degenen die zich tot over hun nek in de materie ingegraven hebben en ondanks al hun onderzoeken, zich geen rekening hebben gegeven van het tijdskader, waarin het Fries opkwam als schrijftaal.

Een probaat middel om een tekst te dateren ligt in de betaalmiddelen, de wijze van betalen, of de eventuele onderverdeling van en standaardmunt in kleinere eenheden. Bijvoorbeeld een gulden (1 ƒ, van florijn) is vier kwartjes, elk kwartje is vijf stuivers. En die stuiver zou je ook nog weer in 5 kleinere eenheden uiteen kunnen laten vallen. Neem een euro en verdeel die op een soortgelijke wijze in vijf ‘kwintjes’ om het stuk van 20 €-cent maar een naam te geven, die ditmaal uit vier €-stuivers blijkt te bestaan, die ook in vijven uiteen kan vallen. Maar waarvan de €-stuiver omgerekend twee keer zoveel waard is als de “ƒ” -stuiver. Overigens om van het guldensysteem naar het Euro systeem te komen, kan het het makkelijkst via de stuiver berekend worden. Een gulden was 20 stuivers, een Euro is 44 stuivers. Een bedrag omrekenen in de andere munt kan met de breuk 20/44e of 10/22e, of 5/11. De kleine afronding moet u me schenken. Het is trouwens een beetje onzinnig om dit er bij te slepen. Ik doe dat, omdat ik er één ding mee kan aantonen: het is niet mogelijk om de ene soort munt straffeloos te verwisselen voor een andere. Dat kan nu niet en het kon in de middeleeuwen evenmin. Veel dateringen berusten op de hulpwetenschap van de numismatiek. Het jammere is dat de numismatiek in handen is van vrijwel uitsluitend hobbyisten. De meesten daarvan zijn goed in het herkennen en identificeren van munten, maar in de meeste gevallen hebben ze geen idee van de waarde en de koopkracht in de tijd dat ze in omloop waren. Daarom kan men merkwaardige uitwassen vinden. Op pag. 6 van dit artikel van Us Wurk beweert Bremmer op grond van Henstra (2008) dat de 15e van de Zeventien Keuren uit 1014 -1040 zou stammen. (Us W. bl. 6; 4e regel van onder.) Dat is, we zullen het hierna aantonen, totale lariekoek. De heer Henstra heeft zich in de kring der ingewijden weten in te dringen met een dissertatie. En met een titel word je zo in “de kringen” geaccepteerd. Henstra zag niet dat de munten in de door hem genoemde tijd niet overeenkwamen met de munten die in de 17 keuren worden genoemd. In de 24 landrechten komen overigens geen munten voor, daar hoeven niet verder over door te zagen. In feite blijkt, dat voor er een empirisch tot stand gekomen schaal bestond, niemand enig idee had van de ouderdom van de 17 keuren – en de 24 landrechten. In “Een Mythe Ontmanteld” en in “Nieuw Licht op de 17 Keuren” Verschenen 2010 en 2015 heb ik de ouderdom via de numismatische schaal kunnen vaststellen als na 1427 en voor 1435. Onlangs bij de uitgave van een artikel waarin ik de onderzoekingen van Von Richthofen opnieuw onderzocht, vond ik de reden waarom dit tot aan vandaag toe onjuist gedateerd wordt. [ zie Rûpstek Nû. 1]

Die empirische schaal is in de vorm van een muntboekje met chronologische opeenvolging van de munten in de tijd, als “ provisorische catalogus” uitgegeven. Er zou namelijk nog wel eens een nieuw muntje kunnen opduiken, het is geen eeuwig vaststaande schaal, bij elke nieuwe vondst is deze voor verbetering vatbaar. Het is duidelijk te zien, dat het standaardwerk van Van der Chijs over de munten van Friesland nu, door meestal detector vondsten, hiermee behoorlijk uitgebreid is. Wel heb ik in 2000 de meeste tot dan toe opgedoken vondsten hier tussen kunnen plaatsen in “Op zilver gemunt. ”In de uitgave van “Fries naar naam en faam”, kon op dat moment nog net de dubbele sterling uit Stavoren worden meegenomen, die door een anonieme goudsmid is gemaakt en misschien door de stad uitgegeven. In “Op zilver gemunt” tekende ik een schematisch overzicht van 17 munten. Van de specifiek Friese munten in het muntboekje kon ik 134 types laten zien. Nog daargelaten wat in de “Dorestat” periode was gemunt en met het met het voorbijgaan aan de Frankische munten. Een behoorlijke verbetering t.o.v. Van der Chijs die een stuk of 35 types gaf.

Wat kun je van de ouderdom van een tekst zeggen, als je niet op de hoogte bent van de munten? Harald Siems vroeg zich dat af, in verband met de datering van dat andere stuk, waarover nog steeds vele vraagtekens bestaan, de Lex Frisionum. Als over die munten iets meer bekend zou zijn, was zijn mening, dan zouden we de “Lex” beter kunnen dateren. Siems zag ook wel dat de onderlinge waarde van de munten niet strookte met de waarde van de munt in de tijd van Karel de Grote. Hij had het als vraag, aan een volgende generaties onderzoekers. Meer speciaal met het idee, dat numismaten er licht in konden brengen. Met dit in het achterhoofd heb ik deze vraag als basis voor verder onderzoek genomen. Wat betreft de Lex ben ik er nog weinig mee opgeschoten, wat betreft de ouderdom van de Friestalige stukken des te meer. Dezelfde vraag, maar nu met een ander criterium: is het mogelijk in een gewest, om eigen wetten op te stellen, als het land, gebied of district onder het bewind van een naburige heerser of rechthebbende valt? Ik zeg: nee. Andere auteurs proberen er onderuit te komen via een soort veemgericht constructie. In Friesland zouden dan twee systemen tegelijkertijd gegolden hebben. Voor de periode tot 1300 – we nemen even een rond getal, zijn er geen berichten over opstanden van Friezen in de huidige provincie tegen het wettige gezag. Behalve dan in de Lex Frisionum, waar is beschreven deelnemers aan een oploop of een bestorming zullen worden berecht. Niet voor 1300 hebben de kopstukken in Westerlauwers Friesland zoveel kennis in huis, dat ze zich beroepen op de keizer. Ze laten alle nieuwe machthebbers en machten lijdelijk over zich komen. Pas in latere teksten doen de Friezen een beroep op de keizer als hoogste gezag terwijl ze de hulpkrachten als graven, bisschoppen en misschien een hertog – dux uit de Lex Frisionum? – die zich graag als Fries Opperhoofd (sic) zagen, afwijzen. Van de gegevens, waaruit blijkt dat deze provincie beleend was, is met enige moeite een vrij goed aaneensluitende rij te maken, die als leidslijn kan dienen. Bremmer maakt in dit Us Wurk- artikel zo’n reeks voor de tijd vanaf Willibrord en de andere missionarissen tot aan het jaar 1000. Tenminste zolang het (midden-) Frankische rijk in tact bleef en in de eerste eeuw van het Duitse Rijk, tot Friesland aan de Brunonen kwam, waarvan drie leden van dat geslacht het uiteindelijk een jaar of 50 bestuurden. Maar wel op afstand. Het schijnt dat na de Brunonen Friesland aan Zutfen toeviel, via een wat schimmige verwantschap van een Brunonendochter met Hendrik van Nordheim, die Friesland in de tussentijd, maar drie jaar bezat. Hij kwam op naar het schijnt, bij het achtervolgen van aanvallers, voor de kust van Zuidwest Friesland. In 1114 is er ook de melding dat Friesland werd verruild tegen een landgoed geheten Alzey. De melding staat in de kroniek van Herman de Lamme. (Heriman Augiensis) Alzey was een landgoed of een iets groter gebied, dat misschien ooit nog van Godfried met de Baard, hertog van Midden Francië was geweest en dat via een rechtstreekse lijn vererfd kan zijn op de Graven van Zutfen. Later tegen 1300 zou Gelre, waar het graafschap Zutphen in opging door een huwelijk, nog een paar keer rechten claimen op Friesland. En er zijn zelfs onderhandelingen over gevoerd. Het enige wat er duidelijk over wordt, is, dat het vooral om Stavoren en het aangrenzende gebied gaat. Zo ziet de tweede schakel, die na de Brunonen er uit. Dat kan kloppen, want er bestaan munten die op naam van “Zutven” geslagen zijn, ja, met een “v” en niet met een “f” of een “ph”, met enige letters in het omschrift, waaruit blijkt dat die te Stavoren zijn geslagen. Derde fase: nadat Otto van Zutfen is overleden, besluit de keizer om Friesland onder te brengen bij het bisdom Utrecht. In een paar van de plaatsen waar de Brunonen muntten hebben is er door de Utrechters ook gemunt. De bisschop van Utrecht heeft zich verder blijkbaar niet al te veel aan Friesland gelegen laten liggen. Misschien dat dit een tijdlang niet zo goed gegaan is; in 1166 besluit de keizer om onze provincie tweeledig te laten besturen. Het Condominiumverdrag is daar de grondslag voor. Medespelers zijn: Keizer Frederik, Floris IV van Holland en bisschop Godfried (van Rhenen) gaann om en om naar Friesland voor een gerechtsreis. In 1226 blijkt het verdrag nog te bestaan; er is dan een bepaling over de termijn van aanzegging. Dat moeten de bisschop en de graaf zes weken van te voren elkaar aanzeggen dat ze op gerechtsreis door Friesland denken te gaan. Als dit geen uitvloeisel is van het Condominium verdrag, dan is het wel een zeer korte vierde fase in de geschiedenis, of een sub-fase in het Condominiumverdrag. De jaarlijkse gerechtsreis schijnt volgens latere berichten te zijn afgeschaft en vervangen door zo’n grafelijke reis in de schrikkeljaren langs de verschillende ons onbekende plaatsen, waar de graaf recht sprak. Echter uitsluitend door de Graaf van Holland, die dit volgens een kroniek voor het laatst in 1334. Overigens geen schrikkeljaar. Is dit een foutje in het overgeleverde gerucht? De bisschop wordt niet meer genoemd. J.J. Grolle schrijft aan deze periode een muntje toe, op niet duidelijk overtuigende gronden.

Nu waren er in de middeleeuwen enige – drie – manieren om je gezag en je spierballen te laten zien: als heer van een bepaald gebied legde je een schatting op, of je maakte een gerechtsreis om de boetes te innen. Een andere mogelijkheid was via een tol geld binnenhalen. Hier blijkt maar weer: de mens en ook de Fries is per definitie schuldig, zelfs al woont hij in een beklagenswaardig gebied, dat doorsneden is met geulen, waar het water dagelijks twee keer rijst en daalt en waar geen dijk te bekennen is. Toen ion 1300 nog niet, in elk geval. [Zie zoden aan de dijk, J.Post] Van de schrale inkomsten van de terpen houden de landheren hof. Maar of een reis een keer in de vier jaar voldoende opbrengt? Hoe lang moet je een delinquent laten wachten voor zijn zaak voorkomt? Raakt het gezag daarmee niet op de achtergrond? Na 1334 horen we daar niets meer van. Is dit het moment, dat Friesland zich min of meer zelf moet redden? Hoe ga je in een vacuüm om met misdaad? Wie houdt de Friezen op het rechte Hollandse pad? Daar is maar een organisatie die dat aan kan. De algemene over heel Europa aanwezige kerk, met vele vestigingen, waaronder kloosters.

Laten we eerst eens naar de landen over de Lauwers tot en met de Weser kijken. Liudger, had na zijn dood de “Groninger Gouwen” nagelaten aan het bisdom Münster, al ware het een persoonlijk bezit. Dit gebied strekte zich van de gemeentegrens ten westen van het tegenwoordige Opperkooten bij Twijzel, uit tot voorbij Aurich, tot een smalle zandrug tussen twee “mooren” waar nu de buurtschap Plaggenburg eindigt. Deze gouwen waren niet met het gebied Münster, waar de bisschop zelf zetelde, verbonden. Het was een soort “overlandig” gebiedsdeel, zoals later koloniën overzeese gebiedsdelen werden genoemd. De toestand was daar wat betreft rechtspraak en belastingheffing moeilijker dan in Friesland: zowel Holland als Utrecht waren “bij ons” de naaste buren, die recht spraken en geld inden. In Münster moeten de bisschoppen al vroeg hebben begrepen, dat de ligging van het gebied tussen de Kooten en Plaggenburg er toe noopte om de band wat meer los-vast te maken. Uit een aantal rechtsstukken, die vanwege hun boetes en de wijze van betalen, die in de Friestalige Codici zijn opgenomen, is te zien dat ze als vroeg moeten worden gekenmerkt. De verschillende onderdelen van dit Münsterse gebied hebben daar stukken in nagelaten, die er op wijzen, dat de gebieden elk voor zich recht plachten te spreken. Waarschijnlijk al rond 1200, begin 13e eeuw en niet veel eerder. De vorm waarin deze oude keuren gegoten zijn, kan men in zekere zin gelijkvormig noemen. Misschien is die vorm voortgekomen uit de wijze waarop het bisschoppelijk gerecht recht sprak, als dat tenminste voor die dagen bestond en gebruikt werd, bij het recht spreken? Hoe dan ook, de oudste rechtsteksten ten oosten van de huidige driesprong voor het dorp Twijzel, kunnen numismatisch gedateerd worden rond 1200. Geen ervan is in de volkstaal geschreven, het zijn in het Latijn gestelde stukken, die in die taal tot ons gekomen zijn, of in een latere vertaalde versie. In Een Mythe Ontmanteld noemde ik ook nog omgewerkte stukken. Teksten uit de Friese middeleeuwse rechtsboeken, waarin de muntbenamingen veranderd waren, maar waarin grote bedragen, die vanwege een zeer sterke muntverzwakking niet toevallig zijn blijven staan. In andere stukken echter, bleven de benamingen staan, maar werden de waarden aangepast. Dat we die teksten nog hebben mag een gelukje worden genoemd en danken we aan de laat middeleeuwse verzamelaars die ze zo rond 1430 ze hebben afgeschreven en vertaald hebben opgenomen in de Friese codexen, waarop “De Ingewijden” zo trots zijn. Al bleven er daar naast een paar losse teksten in het Latijn bewaard. Tot nu toe hebben de tegenwoordige onderzoekers die delen niet herkend als de oudste in hun soort zoals ze zich in deze wetsboeken voordoen en die hier vertaald en wel, nog te lezen zijn. Vrijwel alles van deze teksten komt uit de gebieden oostelijk van de Lauwers en niet uit de tegenwoordige provincie, al blijken ze op numismatische gronden wel voor 1250 te zijn geschreven. Wegens gebrek aan peilschalen, meetgereedschap of tijdbalken, hoe je het maar wilt noemen, is men niet in staat geweest de stukken in zo’n Codex te dateren. Het lijkt me zelfs zo, dat er bij de onderzoekers tot nu toe geen poging gedaan is, de verschillen in betaling tussen al die stukken te verklaren. Dan is de essentiële vraag van Siems ook niet tot hen, die gelden als kenners bij uitstek, doorgedrongen. De eerste en tussentijdse conclusie is deze: er bestaat wel een klein aantal stukken oud Fries recht voor 1250 in de Münsterse gebieden, waar geen Oud-Friese taal voor is gebruikt, het is een en al Latijn geweest. In Westerlauwers Friesland zijn zelfs geen vroege Latijnse stukken die door de Friezen zelf zijn opgesteld, niet in het Latijn en niet in het Fries. Al moeten we de akten van 1292 waarin Staveren zichzelf een stadsrecht geeft daarvan uitzonderen.[ Zie bij litteratuur: A. Ganze] Een beetje sneu, dat “De Ingewijden” dit bij gebrek aan criteria niet konden, of misschien wel niet wilden opmerken.

We hebben gezien dat Friesland, vanwege de nabije ligging lang aan het lijntje liep van andere heren. Misschien waren de Friezen er zelf technisch en organisatorisch ook niet toe geëquipeerd. De toenemende problemen in de opvolging van de bisschoppen, de betwisting van het erfrecht in Holland, en de onderlinge oorlogjes tussen Utrecht en Holland, hebben hun positie in de loop der rijden ten opzichte van Westerlauwers Friesland verzwakt. Na 1240 moeten de Friezen ook op dit idee gekomen zijn. Ze waren verweesd, ze moesten alles zelf doen, maar daar waren ze niet toe in staat. Een organisatie, we hebben dat hiervoor even aangestipt, die dat wel kon, was de kerk in ruimste zin, met name het kloosterwezen. Friesland was bezaaid met kloosters en het gebied was toen ingedeeld in aartsdiakonaten, die min of meer samenvielen met de gebieden van de oudste en grootste kloosters. Deze gebieden zouden in de loop van de tijd uiteenvallen: zoals oude het (aarts-)dekanaat Bolsward in een aantal delen uiteen viel. Borndego, eveneens een dekanaat, viel ook uiteen in stukken: Haskerland, Aengwirden en Utingeradeel en Opsterland. Gebieden, die later grietenijen werden genoemd. Het schijnt dus, nadat de Hollandse Graaf niet meer op bezoek kwam, om zijn penningen op te eisen, de inwoners zich tot de kloosters gewend hebben, om onder hun bescherming te vergaderen, wat waarschijnlijk vrijwel direkt niet meer in het open veld geschiedde, maar op het grondgebied van het klooster. Bijvoorbeeld in de schaduw van een boom, een “Upstalboom” In 1864 waade er zo’n boom om die voor het klooster Smalle Ee stond. Later werd er zelfs binnen de muren vergaderd. Het spreken van het recht zal daar volgens kerkelijke richtlijnen zijn gegaan. We kunnen met bewijs achteraf, het ontstaan van de delen en de “grietenijen” een vijfde fase zien in de weg naar de Friese Vrijheid. De heerloosheid, en het ontstaan van een eigen manier van rechtspreken, was daar de aanzet voor. Evenwel, het heeft niet onmiddellijk geleid tot het gebruik van een eigen taal in de rechtbanken.

O. Vries signaleert voor het eerst in 1275 een grietman. Dat is een aparte functie die nog niet eerder voor is gekomen. In een eerdere publicatie heb ik de herkomst van de naam behandeld: ik zie hem als degene die de “groet” invordert. Dit was zoals hiervoor gezegd een van de manieren voor het gezag om aan geld te komen. De groet was een oud begrip en men vindt het al bij de jaarmarkten in de Karolingische tijd. Kooplieden worden vrijgesteld van allerlei, zo niet alle belastingen, waaronder de groet, de hulde aan de landheer, als ze naar met name genoemde jaarmarkten kwamen. Het was in de dagelijkse handel een soort tol, die op de ingevoerde “waar” werd geheven, misschien een vast bedrag, zoiets als een penninkje per persoon en misschien over de ingevoerde goederen die op de wagen, in het schip en door de man met de mars op de rug werd meegevoerd. Vraag: “Wat heb je te koop?” “Nou, dat. Wil je ’t zien?” “Né ik grútsje wol.”[ Ik schat wel] En voor nog een klein penninkje kon de koopman met de mars, de schipper en de wagenaar met hun vervoermiddel, de weg vervolgen naar hun kopers en hun klanten. En zo had hij zijn bescherming “gekocht”. Zo zie ik de herkomst van de Grietman. In 1276 wordt zo iemand in een oorkonde van Wildingen (Wonseradeel) met Utrecht, genoemd als Grutimagnis. Hier schrijft – naar mijn uitleg, de tolgaarder van een gebied aan zijn hoogste baas en passeert de abt, zijn kloosterhoofd, en de raadsmannen, die aan hem de praktische zaken hebben overgelaten. Ik weet wel, dat deze visie net iets anders is, dan toen ik het de eerste keer onder woorden bracht. Met name de verantwoordelijkheid en de gezagsverhouding is enigszins veranderd. De volgende fase is de opkomst van de grietman. Friesland schijnt in dit stadium na 1234 maar zeker rond 1280 zo vrij te zijn, dat het zich tegen de baas van de aartsdiaken, die hoge mijter van een bisschop, die in Utrecht zetelt, durft te verzetten. De verdere strubbelingen met landheren over de Friese vrijheid, die nu dan toch een realiteit was geworden, zijn beschreven door Oebele Vries. [zie litt.] In feite is er maar een pretendent over gebleven, die het op de Friese Vrijheid had voorzien: Holland. De mededeling in de Engelse kroniek rond 1240, dat de Friezen hun eigen rechters kiezen, zal eerder op de Münsterse landen slaan, dan op Oostergo en Westergo en het Staverse gebied.

Of dit bericht, dat de Friezen zelf maar aan het besturen en berechten zijn geslagen, doorgesijpeld is naar Holland, waar Willem III, bijgenaamd de Goede aan de macht was gekomen, is niet bekend. Hij was in deze gebieden wel als heer erkend, maar hij had er geen werk van gemaakt om zijn gezag te vestigen. Niet eerder dan 1310 stelde hij voor, de inrichting van Friesland en zijn gerechten naar Hollandse wijze van bestuur in te richten. De Friezen voelden dit alsof zij een deel van Holland zouden worden. Misschien was dat, zoals in het vervolg blijkt, ook werkelijk zo. De graaf riep daarbij oude stukken aan, of ze nu bestonden of niet, om zich als heer van Friesland te doen gelden. Hij probeerde zelfs in 1319 en daarna schouten te benoemen. Dat was tegen het zere been. Dat was concurrentie van de Grietmannen, die nu al minstens 40 jaar gewend waren in die gebieden zelf de gelden te innen. Voor het eerst zijn de Friezen echt boos: Hun geld wordt hun afgepakt. En daarmee hun vrijheid. Ze lopen niet direct te hoop tegen de Graaf en zijn knechten, maar ze overleggen in een klooster midden in de onlanden ten noorden van Hartwerd. In Oldeklooster kun je van alle mogelijke kanten vijanden zien aankomen. Het overleg heeft nogal wat haken en ogen. Wie mogen er allemaal meedoen? Zijn er onwilligen? Hoe zat het in Oostergoo, waar de kloosterhoofden een veel dikkere vinger in de pap hebben dan in Westergoo? Ze waren net voor 1300 al eens berispt door de graaf van Holland en zij als abten, hadden zich toen nog van Westergoo gedistantieerd met een brief. En moesten ze de gebieden over de Lauwers ook mee zien te krijgen? Er wordt langdurig geconfereerd en diepgaand overlegd en besloten. In 1323 laten ze een manifest het licht zien: De Willekeuren van de Upstalboom. Het is aan de herkomst te zien, dat het uit Westergoo komt, maar alle mogelijkheden worden open gelaten voor anderen om zich aan te sluiten. Er is over alle gebieden waar Friezen wonen en die in een soortgelijke positie verkeren nagedacht. De positie dat ze door buurlanden zullen worden geannexeerd en opgeslokt, is voor meerdere gebieden in die dagen reëel, ook voor de landen ten oosten van het Munsterse gebied, zoals Astringen en Riustringen, waar de graaf van Oldenburg op loerde. Willem III is er nogal boos over en hij schrijft brieven aan de gebieden aan de overzijde van de Eems – daar zijn die brieven tenminste bewaard gebleven – waarin hij vraagt, nee eist, dat bijvoorbeeld Wangerland en Riustringen zich niet met deze muiterij in zullen laten. Was dit een poging om de “Upstalboom” te verzwakken, bijvoorbeeld door die gebieden te “pakken” in hun handel met Holland?

Eindelijk is in Friesland tussen Vlie en Lauwers het idee, dat ze zelfstandig kunnen en willen zijn, doorgebroken. Om de andere Friese gebieden te lokken werd de oorkonde van de Upstalboom – de vergadering te Oldeklooster – in het Latijn opgesteld. Van Fries en de Friese taal is nog geen sprake. Het stuk is opgesteld door de crême de la crême, intellectuele klasse van die dagen, de kloosterlingen, waarvan de meesten niet Fries waren maar wel bereid naar de friezen te luisteren en hun wensen op te3 schrijven. Vergelijk de correspondentie van de abt van Oldeklooster met de koning van Frankrijk. ( in “Een Mythe” op de bijbehorende schijf). Die hadden niets met het Fries. In de maatschappelijke lagen, die van de hoofdelingen in hun stinzen , vaak ongeletterd, gistte het wel. Al konden ze niet lezen, ergens bestond wel de notie, dat de Friezen bij uitstek krijgshaftig waren. Minstrelen en vertellers kenden verhalen hoe “de Friezen” verschillende heersers hadden geholpen. Bij Aken in 1248, een reëel jaartal, later is er ook een geheel irreëel verhaal van de verovering van Rome door de Friezen, op dezelfde manier als in de oerversie in de kroniek van Wittewierum, [Jansen en Jansse pag: ……$] en – tweede irreëel voorbeeld – een Saksische hertog te verjagen en dat onder het motto: Vrijheid, hier en nú; Heersers: weg! Alles voor het Rijk, maar andere lagere heren, daar moesten ze niets van hebben. Dat kromme Hollandse taaltje: weg! Waarom geen taal die we kunnen verstaan; we bedoelen de taal, die dagelijks werd gesproken. Nu we vrij zijn, kunnen we ons ook in onze moedertaal uitdrukken, maar hoe? Er was nog geen letter in het Fries geschreven, niet hier, en ook niet over de Lauwers. Volgende vraag: mogen we eindelijk weten waarom en waarop we veroordeeld worden? In de rechtbanken was hetzelfde geprevel te horen als de bij mis. In de predicatie moest uitgelegd worden, waar die Latijnse passages op sloegen. Misschien ben ik hier te sarcastisch: een rechtbank, of wat er voor moest doorgaan, kon het gebruikte Latijnse artikel wel even in het kort toelichten. Zo: een klap: een sterling; twee klappen 2 één derde sterling, drie klappen, vier klappen, enzovoorts. Zie hierna de bijlage. Reken het progressieve tarief maar uit. De rechters zullen wel duidelijk en redelijk moeten zijn in hun uitspraken, anders heeft recht voor ons Friezen geen zin. Of als er niets was genoteerd dreunde dan de “kampman” de bedoelde boete op, zoals Kampa Jeldrik tegen 1400 zou resumeren, hoe hij dat in zijn praktijk deed? De behoefte groeide om dit op te schrijven: “Quoniam ea geruntur in tempore, simul cum tempore labuntur….” – “Omdat wat in de tijd geschiedt, mettertijd vervaagt….” Het is dus een vraag om een gelijke behandeling voor iedereen en het is tegelijkertijd een vraag naar continuïteit. Dat was in de periode tussen 1096 en 1310 toch niet het geval geweest, zou je zo denken. Of is het hiaat toch groter en begon dat al na de tijd van Karel de Grote?

De Upstalboom had als gevolg, dat er een Fries bewustzijn boven kwam drijven. Dat is te zien aan de oudste stukken die we in Westerlauwers Friesland hebben en die in de eigen taal zijn geschreven, in tegenstelling tot het statuut van de Upstalboom, dat in het Latijn is neergepend. Deze Friestalige stukjes, van verschillende delen, bepalen de boetes op bepaalde delikten. Eigenlijk zijn het verkorte keuren, met als kenwoord het delikt, en als respons de boete. Zonder al te veel verklaring en hakkelend en struikelend met de ganzeveer, opgesteld. Vergelijk deze kleuterversie van uitdrukking eens met het vloeiende proza van de 17 keuren van een kleine 100 jaar later! Deze teksten komen uit het Westerlauwerse gebied en hebben dezelfde munten als in de Keuren van de Upstalboom staan en die specifiek voor het gebied voor de huidige provincie gelden. De kenmerkende passage is: [vertaald] “we rekenen drie Lovensche voor een sterling.” En die waardebepaling vinden we terug in de allervroegste boetetaksen van die latere Friese grietenijen, zie hierna. Ze zijn niet uit alle gebieden overgeleverd. De betreffende stukken zijn later zichtbaar uitgebreid. In de oudste, misschien de later niet meer gebruikte taksen, is dat oude tarief blijven staan. Dit is niet de eerste keer dat dit wordt gesignaleerd: het tarief heb is op de schijf bij “Een Mythe Ontmanteld” gepubliceerd. Ik heb daar de meest uitgebreide versie genomen, namelijk de boetetaksen van Wijmbritseradeel uit de Codex Unia, waar het een van de vier stukken is, waar de omrekening voorkomt dat drie Leuvense ingewisseld kunnen worden voor een sterling. De bedoelde tekst is overgenomen [getypt, niet gekopiëerd] van de schijf bij H. Nijdam’s Lichaam, Eer en Recht. ( Pag 551.) Op de schijf bij mijn “Een Mythe Ontmanteld” als volgt vindbaar: 1323 Wijmbrits Unia. Zo dat is er uit, dat voorkomt veel noten. De boetetaksen zijn ook in het charterboek te vinden.

Ik was van plan een heel ander verhaal te schrijven over dit onderwerp; het stond al klaar in handschrift, maar mijn enthousiasme en nieuwe inzichten hebben me op een ander pad gebracht. Vooral hoe de de opeenvolging van de verschillende gegadigden die Friesland wel wilden hebben, als zelfstandig gebied, als sub-dominium van het eigen gebied, of als wingewest in een groter geheel, zoals Holland zich dat voorstelde. Vanaf dit moment tot de Rottenburger Abrede in 1498 passeren alle bedreigingen van de Friese vrijheid bij O. Vries de revue. Daarmee kunnen we deze specifieke en politieke tijdbalk voltooien. De Friezen zaten wel met een probleem, hoe moesten ze verklaren, dat ze geen heer meer wilden en vooral geen belastingen meer wilden betalen? Uit de kronieken kwamen gegevens die daarvoor gebruikt konden worden. Daar vond men dat de keizer boven de graven en hertogen stonden. Door lezen en studie in die weinig betrouwbare bronnen kwam men tot de constructie, dat men zich op het hoofd van het Duitse Rijk beriep. De sprokesprekers en de derderangs minstrelen hadden dat gevoel wakker gemaakt en het gevoel werd versterkt bij en door iedere bard die op de zate, state of stins zijn opwachting maakte. Die tussenlaag van uitheemse heren, die alleen maar kon graaien en plukken, kon men missen als kiespijn. Maar Karel de Grote komt niet meteen op het chapiter, hij is pas de latere held van de Friese Vrijheid. In de kroniek van Wittewierum wendt men zich eerst tot de Roomskoning, dat is dan Graaf Willem II van Holland, die de hulp van de Friezen bij het innemen van Aken goed kon gebruiken. Andere Friezen – die van West Friesland zouden hem, nog niet definitief als keizer erkend, later vermoorden – weg graaf en adspirant keizer. Maar het idee dat er een hogere macht was, waar men zich op kon beroepen, bleef. Uiteindelijk werd Karel de Grote gevonden als redder van de Vrijheid. Maar ook de niet bestaande Magnus Forteman werd begin 1400 nog aangeroepen als degene die de vrijheid gaf in een ideologisch zwaar aangezet stuk, de Magnus Keuren. In de ook niet zo vroege sage van de 12 Asega’s is het Jezus zelf, die de Friezen verlost van vreemde heren. Kortom, men wist het niet, er werd gewoon naar de hoogst mogelijke macht gezocht, waarbij allerlei achteraf twijfelachtige bronnen, werden gebruikt.

Daar zocht ik niet naar. Ik zocht naar het oudste Fries. In de passage uit Us Wurk wordt op een heel slimme manier verklaard waarom Oudfries, hoewel jonger dan de andere Oud-Germaanse talen toch oud zou zijn. Dat komt van de suggestie van Von Richthofen, die zonder schalen en hulpwetenschappen zijn staketsel opzette. Aan het voorafgaande afgemeten, is dat niet meer houdbaar. Zolang Friesland onder vreemde heren viel, nominaal of in de harde en wrede werkelijkheid, zolang werd het Fries weggedrukt en werd het hoogstens gesproken. Maar de administratieve taal van de heersers was in geen geval Fries. Daar hebben we maar enkele woorden van uit andere bronnen. Het merkwaardige is wel, dat Bremmer in zijn artikel de relatie legt tussen Oud-Engels en Oud-Fries – beide geschreven – terwijl nu blijkt dat de gaping, de tijd waarin niet in het Fries geschreven werd, bijna een eeuw duurde. Oud Engels eindigt volgens de indeling van Grimm in 1250. Ook het vervolg wordt nu duidelijk: in 1335 verklaart de eerste door Sipma opgenomen oude Friese oorkonde, dat het vroeger gewoonte was om alles in het Latijn te noteren, maar dat tegenwoordig het Fries ook in aanmerking komt. Zeven jaar na de Upstalboom (1323 1327), gaan ook de plaatselijke gamegen, gaepresters [Vellinga p. 7 e.v] en notarissen over op het Fries. Omdat we het jaar 1250 al flink gepasseerd zijn, kunnen we nu op grond van de geëiste bedragen in de stukken begrijpen dat deze munten veel later in omloop zijn gekomen dan 1250. Pas na 1323 (1327) zijn de eerste woorden in het Fries aan het papier toevertrouwd. Daarom bestaat er geen Oud Fries, er is alleen maar Middelfries, daarom moet de hele schaal die in het citaat van Us Wurk genoemd is, worden herzien. Niet de indeling van Grimm, maar de indeling die hier te lande wordt gehanteerd.

Hoe ik daar zo zeker van ben? Door de volgorde van de schijf bij “Een Mythe Ontmanteld” op volgorde van jaartal te plaatsen, bleek ook wanneer er nieuwe munten in latere stukken in omloop waren gekomen; wat de waarden waren en dat er later ook onderverdelingen bleken te zijn. Voornamelijk toen er ook gouden munten in omloop kwamen. Door dit achter elkaar te zetten en aan te vullen met teksten zoals de munten die de Ontvanger van Bergum – met dank aan Eibert van der Veen – opsomde, kon ik een volgende peilschaal, thermometer, of proefondervindelijke schaal maken, waarmee ook weer andere niet gedateerde stukken te lijf konden worden gegaan. Het werd uitgegeven onder Naar Naam en Faam: FRIES, waar de munten tot 1500 werden getoond in hun volgorde van opkomst. Een zelfde peilschaal als die van de machtsverhoudingen over dezelfde periode, volgt als bijlage. Nu is er een dubbele mogelijkheid zaken te verifiëren en te dateren.

Maar ik maak me niet de illusie, dat dit muntboekje [ noch dit artikel] tot het handgereedschap gaat behoren van de groep van “ingewijden”, die ik hierboven noemde. Ook deze “belenings”- ladder toont aan dat er geen Oud Fries bestaat. Met een derde ladder ben ik nog bezig: de paleografische kenmerken van de Friese geschriften ten opzichte van de andere geschriften in de naastliggende gebieden en verder weg, zelfs van gebieden over heel Europa. Ik zal de ingewijden op de hoogte houden.

Conclusie:

Over het geheel gezien is er in de Friese historie een ontstellend gebrek aan systematisch en chronologisch onderzoek naar zowel de politieke als de taalkundige wortels geweest. Dat is niet één-twee- drie goed te maken. Hoe snel dit gebrek zal worden verholpen valt nog te bezien.

BIJLAGE.

DE GROOTSTE VERZAMELING MET LONSCHA EN ENGLISCHER vindt men in de boetetaksen van Wymbritseradeel. We nemen dit als voorbeeld, wegens zijn uitgebreidheid.

EN TEVENS DE EERSTE PROEVE VAN SCHRIJFKUNST IN HET FRIES.

Door H. Nijdam opgegeven vindplaatsen: Ms Junius 49, Bodleian Library Oxford f. 64- 66 r. en in Codex Unia = Codex Gabbema in quarto; daar besloeg deze tekst f. 146 v – 148v. De tekst is ook te vinden in het Charterboek.

  1. Faxfeng: en lonscha min so sex englescer. een Lonscha ( “lovense”) minder dan 6 Engelse.
  2. n.v.t
  3. Birdfeng om thine snawel en lonscha and 6 englescar [is wrsch. verkeerd overgenomen van één lonscha min (-der) (dan) sex englescer. ] {zie art. 1: so sex englescer = Sjoch bij kêst no 1.}
  4. n.v.t.
  5. n.v.t.
  6. Benbreck an ther breinpanna: xvii englescer. ( of ca 1360?)

Inri thet haved: also stoer.

  1. This forma benis utgong: en lonscha and xi englescer. { of: 11 engelse min een leuvensche?}
  2. This ora benis utgong: en lonscha min so sex engliscer
  3. This tredda benis utgong: en lonsca and iiii englescer
  4. Aechkerf and wlitewlemelsa and berdbreke: allerlyck en lonscha and xi englescer.
  5. Gerstelbreke: alsa stoer.
  6. Weerbreke, also fiir so hit tille se van tha toschum, so aech hi een weerbrekis bote and een wlitewlemelsa and enis inriis in thine mond, allerlyck aech; ane lonscha and xi englescer.
  7. n.v.t.
  8. Gerstelkerf an tha ara: en lonsca min so vi englescer.
  9. Thruchgong this aerlippa: alsa fule.
  10. n.v.t.
  11. Trira wirsna kerf: allerlyck en lonscha and viii englescer.
  12. Metedolg: en lonscha min so vi englescer
  13. n.v.t.
  14. n.v.t.
  15. Benbreke an thine halse: en lonscha and xi englescer.
  16. n.v.t.
  17. Blodresne oppa tha aechlide: en lonscha min than vi englescer.
  18. Litwei oppa tha halsknape: xvii englescer.
  19. Dustsleck xxi nachta weden and wanfelle: en lonscha and xiii englescer. ( Nijdam: 8 engelsche.)
  20. xlii nachta weden and wanfelle: en lonscha min than xvii englescer.
  21. n.v.t.
  22. Benis onstal: en lonscha and iiii englescer thet aech bote and ninne eeth.
  23. Litwei op ther axla: en lonscha and xi englescer.
  24. Benbreke altherbi: en lonscha and xi englescer, thet dolg altherti ti bitane.
  25. Litwei in tha ermboga: also fula.
  26. Litwei in ther hondwersta: en lonscha and viii englescer.
  27. Benbreke altherbi: alsa fula.
  28. Litwei itta *uursta knokel: en lonscha min so vi englescer. *[ vursta]
  29. Benbreck: also.
  30. Althernest: en lonsca and iiii englescer.
  31. Benbreck: alsa fula.
  32. – 40 n.v.t.
  1. Neilkerf: en lonscha min so vi englescer.
  2. Beenbrackan and lithwagan thera sconkena and thera ermena, thera tanana an thera fingerna: an alle logum alliik grate.
  3. Benbreke an tha scolderbeen: en lonsca and xi englescer.
  4. Borstbreke: xvii engleser
  5. n.v.t.
  6. n.v.t.
  7. Quembennisbreke: en lonscha and xi englescer.
  8. Inre ther ermmerch: xvii englescer.
  9. In thine tiachmerch also fula.
  10. n.v.t.

—–

73 Helakerf: en lonscha and viii englescer.

  1. Flioswerp, thet hi weet ans wasich se: en lonscha min so sex englescer.
  2. n.v.t

—-

  1. Hwane so ma mit coppe and mit biare onder syn ontletene werpt, thio bote en lonscha min so sex englescer.

97. n.v.t.

  1. Hwam so ma syn clan torant, thio bote en lonscha min so sex englescer (…….)
  2. t.m. 110: n.v.t. ( Later toegevoegd of veranderd, zoals eerdere vermeldingen van n.v.t. )

21-11- 2021

Jan Post.

Resumé van de verschillende periodes vanaf de Brunonen, waaraan Friesland was beleend.

1. Brunonen van ca 1045 tot 1098. ( data van Tanja Brüsch)

2.Tijdelijk deels terug aan Utrecht.

2a. Hendrik van Nordheim, getrouwd aan een Brunoonse dochter, maximaal 3 jaar,

3. Daarna Hendrik van Zutfen. Van 1107 – 1114.

4. Vervolgens aan Utrecht. 1115 tot 1165 (?)

5. Condominiumverdrag tussen Holland en Utrecht. Vanaf 1166

6. In 1224 nadere uitwerking van bovenstaande verdrag, dat blijkbaar nog functioneerde.

7. 1234. Holland alleen, tot hoelang onbekend.

GEPLAATST 7 september 2021

Weer een reaktie op het mallotige boekje van K.H. Dat met de titel “op de vierkante millimeter” bedoel ik. Het lijkt me vanuit mijn standpunt meer een strijd tegen een leeghoofdigheid van een kubieke kilometer. Zie het stukje van 29 aug. j.l. ( Hieronder.)

DE KUST VAN FRYSLÂN. In zijn artikel om” it Kreilerwâld hinne” heb ik destijds van een doorgetrokken lijn een onderbroken lijn gemaakt, door er kleine stukjes uit te lakken. Het was het stuk dijk tussen Harlingen en het Bildt. Het artikel van de gevierde auteur ( een vijfje is het niet waard) speelde voor de 14e eeuw. Het onderzoek voor mijn dijkenboek bracht me weer bij dit stuk dijk en ik plaatste er een foto bij van de onderste steen bij het einde van de Slachte in de dijk, die zonder jaartal was. Wanneer was die dijk nu gemaakt? Daar had ik in het boek “Zoden etc… ” geen antwoord op gegeven. Bij dezen dan. “Water,” leerden we op de ULO, “stroomde volgens de wet van Buijs Ballot op het noordelijk halfrond met een afwijking naar rechts…..” Niet alleen rivierwater, maar ook zeewater. Toen het systeem van de Middelzee (Burdo – Middelzee-Marne) nog bestond, hield de stroming rechts aan langs de kust. In deze stroming onder de kust werd geen slib neergelegd, er werd eerder land weggeslepen. In oud Barradeel, daar spreken we immers over, was de Hornestreek de oorspronkelijke kust. Daar ligt nu een strook grond voor. Wanneer is die strook er gekomen? Dat kan niet eerder dan toen de stroming minder werd. Naarmate er meer van de Middelzee werd ingepolderd werd de stroming minder en de aanslibbing meer. De doodklap van de stroming langs de kust was wel de inpoldering van het Bildt. Toen schuurde de zee niet meer langs de kust en kon de kwelder begroeien, doorgroeien richting zee. En toen het rendabel leek, is het stuk tussen de Hornestreek en de tegenwoordige dijk ingepolderd. Bij de bedijking van het Bildt hoort het jaartal 1502. Het heeft er causaal geredeneerd alle schijn van dat dit gebied pas sinds 1502 tot een volle aanwas is gekomen. De Hornestreek was zonder meer een natuurlijke vorming, daar zijn geen mensenhanden aan te pas gekomen: de zee had hier zelf een “hefswal” of strandwal opgeworpen. Dus als de heer K. Huisman boos is, om een paar uitgelakte stukjes op zijn kaartje dan is zijn inzicht niet verkregen door onderzoek ter plaatse, noch door scherp redeneren, maar door het napraten van oudere theoriën. Hij is weer eens boos omdat hij zelf heeft gefaald.

Dat er langs de kust meer grond is aangeslibt, vind ook nog enige ondersteuning in de visvaarten die de dorpen van Barradeel oorspronkelijk hadden naar de Waddenzee. Die zijn met de bedijking, zeker niet 1502 niet gedamd. Want de waterstaatsproblemen uit 1503/03 hebben zeker iets te maken met het inpolderen van het Bildt. Hetzelfde gold ook bij Hallum aan de andere kant van de Middelzee: de stenen voor de kerk waren van de zeezijde aangevoerd. Aan de voet van de terp werd bij opgravingen een loswal gevonden, waar stukken en brokken tufsteen werden gevonden. Dus is daar sinds de uitbouw van de oorspronkelijk misschien wel houten kerk, ca 1250 voor Hallum nogal wat land bij gekomen. Deze constatering staat in schrille tegenstelling met de “gesta Abbatum” die melden dat er op Griend een kloosterschool stond, die in 1267 te gronde ging, door een stormvloed. Nu zijn de Gesta de enige bron, die op meer plaatsen de plank falikant miskleunen, wat de reden voor mij is om ze te bestempelen tot een maakwerk dat circa 1580 tot stand is gekomen, in het kader van de Contra Reformatie.

Verder heb ik Kerst Huisman een artikel toegestuurd, dat ik op een andere plaats op deze website heb upgeload. Ik heb de “Untersuchungen van Von Richthofen nageplozen en ben tot de conclusie gekomen, dat in het licht van 140 jaar vervolgonderzoek nogal wat een mankeert. De veronderstelling dat de 17 keuren uit 1154 zouden dateren”, wordt niet onderbouwd trouwens de structuur van de “17” spreekt dan tegen in vergelijking met de structuur van de andere wetten die door “jurati” zijn opgesteld. ( zie pagina 17 Keuren)

GEPLAATST 29augustus 2021

Het laatste komt eerst. Deze website is een omgekeerd boek: van boven af krijg je eerst het slot te lezen. Dus lezer hou je vast: dit is niet de eerste reaktie op “de vierkante millimeter” maar de laatste. Zittend op mijn 47e fiets, terwijl ik van het zuiden de stad in kwam, nog voor het M.C. Esscherviadukt, wist ik weer een antwoord op het wrokschrift. Ik wist plotseling wat ik moest zeggen op het stukje uit de LC. toen gelijkgeschakeld uit 1944 dat ik in het werkje “Twa Tynjes” had geplaatst. Het ging over een illegale melkfabriek op de Tynje. Toen ik “Troch de Tynster tiid” (450 pag.) klaar had, bleek me dat dit waarschijnlijk een vals alarm door moffen en moffenjournalisten is geweest. Er is me niets van gebleken dat er zoiets gebeeurd is. Wel was er de moord aan de Rolbrêgedyk, die ik er foutief mee verbonden heb. In “TdTt” heb ik de naam van Hylke Watzema, daarvan kunnen bevrijden dank zij zijn familie. Terug naar Kerst Huisman en zijn vierkante millimeter. Hij is daar op zijn minst slecht op de hoogte, wanneer hij uit de summiere aantekening voor dat jaar er uit destilleert, dat het de “Coöperatieve Zuivelfabriek Volharding Twee” zou zijn. Omdat er voor de viering van het 100 jarig jubileum in 2010 weer niets tastbaars over zou blijven heb ik via notariële archieven en Delpher ( waar de kranten zijn in te zien) binnen 2 maanden geprobeerd om een jaartallenlijst te maken over de laatste 100 jaar, om tenminste iets tastbaars aan het eeuwfeest te bewaren. Tijdnood heeft er toe geleid, dat ik dit soort zaken als feit heb aangenomen. Wat in de krant staat is waar, dat zal Huisman ook wel weten, behalve zijn eigen fake artikelen over andere en diepere sloten, om een bedrieger als toonbeeld van oprechtheid voor te stellen. Het erge is dat je dan zelf willens en wetens tot bedrog moet vervallen.

Als nu Kerst Huisman in zijn werkje suggereert dat de Volharding twee een illegale fabriek zou zijn, dan bewijst dat voor de zoveelste keer, dat hij beter (en vileiner) kan schrijven, dan hij kan lezen. Het was hem voor de zoveelste keer om een afrekening te doen. Door zijn boosheid of kwaadaardigheid gedreven blijkt hij zelf grotere fouten te maken, dan degene die hij bestrijdt. Wat niet weg neemt dat de koppeling van de moord van eind dec. 1944 met het nazistische fake- nieuws een fout mijnerzijds is. Dit is mijn vierde reaktie op de MM2, van zijn boekje blijft zolangzamerhand niets over.

GEPLAATST 19 augustus2021

Een paar afleveringen hiervoor reageerde ik al op dat dure boekje, van de streit op de vierkante millimeter. Wel, ik ben geen mof en doe niet aan streit. Ook ben ik geen historiker, ik ben onderzoeker en doe daar verslag van. Ik heb nu weer een volgend antwoord op het boze geschrift van K. Huisman tegen mij klaar. Het is een boekje A6 en hij heeft het proefje, zonder omslag, gisteren ontvangen. Hij was in zijn “pocket” nogal boos, dat ik het waagde om aan de ouderdom van de Friese Codices te twijfelen. Toen zijn leeftijdgenoten en hij studeerden kregen ze te horen dat Karl von Richthofen de eerste onderzoekingen had gedaan en dat wat hij geschreven had betrouwbaar was. Sommigen dachten zelfs dan het de waarheid was, dat die Friese en Friestalige Wetsboeken 1000 jaar oud waren. Daar hoorde Kerst ook bij, begreep ik uit zijn boosheid. Alle reden om de “Untersuchungen” zelf te onderzoeken. Ik kwam tot enige onbewezen zaken, zoals het feit dat vR zegt dat de 17 keuren in 1154 bij de Upstalboom werden opgesteld. Ik vond geen bewijs en geen onderbouwing, het is dus een slag in de lucht, met de datering van DE 17 KEUREN. Ik heb er wel tegenargumenten bij geleverd, dat het anders zit. Daarnaast vond ik een groot aantal hiaten en door de tijd achterhaalde zaken. Het is nu duidelijk dat de 17 Keuren niet ouder zijn dan plm. 1425 en dat is numismatisch aan te tonen. Ik maakte daar een artikel van. Maar helaas, It Beaken is dood. Toch was goede raad niet duur: ik heb een gefotokopieerde oplage gemaakt, onder de titel DE ONDERZOEKINGEN NA 140 jaar ONDERZOCHT. Met als ondertitel: Is het werk van von Richthofen nog wel tijdsbestendig? De vestzakpocket – A6 en 52 pagina’s – is voor € 5 af te halen op Robinsonstraat 139.

EXTRA: iK HEB EEN ADVERTENTIE OPGEGEVEN bij de LC OVER DE DIEFSTAL VAN HET VINDERSCHAP ( de prijs van het bedrog) VAN DE VUISTBIJL VAN WIJNJETERP. Daar heb ik ook een boekje over gemaakt, maar dat wist u al. Ik ben benieuwd of de Vlietjes of de zich miskend gedragende Huisman nu eens niet eigen rechter spelen, maar de moed hebben (heeft) om hun bewijzen te tonen. Hun gescheld op Wouter en mij, heeft tot nu toe nog geen doden aan de zijk gezet. Integendeel we zijn springlevend!

Verder heb ik het boekje Zoden aan de Dijk in herdruk, dat is tijdelijk uitverkocht.

Kijk ook nog even naar Archief, wat H. Nijdam over de ouderdom van de 17 Keuren zei: rond 1200 in opbouw.

GEPLAATST 11 juli 2021

Mathijs Siegenbeek.1774 – 1854.

In drie encyclopediën van Friesland heb ik hem gezocht. Terwijl de oude van 1958 bol staat van predikanten, missen we deze. Matthijs Siegenbeek was predikant in Dokkum van de Doopsgezinde Gemeente. Hij was dat maar een jaar,daarna werd hij achter de meelzakken en wijnvaten getrokken om de eerste hoogleraar Nederlandse taal te worden. Maar ook de tussentijdse encyclopedie van Abma- Jansma missen hem, evenals in de NEF. Het lijkt er op dat hij ook mede bewerktstelligd heeft dat de doopsgezinde gemmente samenging met de Remonstrantse, een klein feit, maar uniek in Nederland. Na Siegenbeek werd er namelijk geen expliciet doperse voorganger benoemd. In 1797 aanvaardde hij het ambt van buitengewoon hoogleraar. Omdat er voordien geen leerstoel “Nederlands” bestond moest hij de ruimte voor het vak zelf scheppen. Als eerste gaf hij een proeve van Nederduitsche welsprekendheid uit. In 1801 werd hem de opdracht gegeven een spelling te ontwerpen, en met P. Weiland werd hij belast met het samenstellen van een spraakkunst.

GEPLAATST 17 MEI 2021.

Het is met die Kerst Huisman ook altijd gedonder. Eindelijk tijd en geld om dun boekje van hem te kopen voor 20 Euro, dat is in oud geld afgerond f 42,40 Daar kom ik meteen al iets raars tegen. Kerst weet niet meer hoe oud hij is. Dat doet hij in een kommentaar op de plaatsing van een beeld van Karianne Krabbendam in Beets, in 1987 dat de veenarbeidersstakingen memoreert. Hij zegt dat hij niet in die voorbereidende commissie zat, omdat hij toen nog vervangende dienst deed. Dat was dus op zijn 37e want hij is geboren in 1940. Zelfs wat betreft zijn eigen geschiedenis blijkt hij onbetrouwbaar te zijn. Dienst, de gewone of de vervangende, daar kregen de jonge mannen van omstreeks 18 jaar mee te maken. Op je 17e gekeurd, op je 18e opgeroepen en voor je 20e weer thuis. Je kon als je studeerde ook uitstel krijgen. Voor de kweekschool maximaal 5 jaar. Ik kan er over meepraten. Dus zou Kerst toen hij 22 of 23 jaar was, zijn vervangende dienst hebben gedaan.

Oom Kerst heeft nog meer te zeuren: waarom is het beeld niet op of bij de Rolbrug gekomen? Wel, het beeld werd gefinancierd uit de Beetster armengelden. Bij de opheffing was daar een bedrag van blijven staan, in beheer bij de Gemeente. Het was Beetster geld en de Rolbrug was Tijnje. De grens lag tot ver na de oorlog in het Ouddiep. Kerst vond het wel mooi omdat het min of meer op het driedorpenpunt was. Ook Tynje had wel een stakingstraditie. Terwispel ( Dorp) had dat niet. Dat was al voor 1800 verveend. De armengelden van de Tynje waren in beheer bij de polder en na lang overleg, zijn die onder de dorpen verdeeld, die grond binnen de polder hadden. De Beetser gelden moesten, vond de commissie van voorbereiding, aan het dorp waar het was opgebracht ten goede komen. De meest vanzelfsprekende plaats zou zijn: De Hoek. Waar Rechte Swynswei, Prikwei, de grote weg, die ooit in 1700 zoveel (ook) Breeiwei werd genoemd bijeenkwamen. Maar op advies van een van de leden, de vertegenwoordiger van de gemeente, kon het daar beter niet. Er was weinig ruimte om het beeld te plaatsen en dit was het punt waar de auto’s weer optrokken, zodat het weinig aandacht zou krijgen. Er zaten een man of acht in de commissie en daarvan was ik het jongste broekje. Ik was de absolute beginner ik had toen juist een reeks van 30 artikeltjes in de Drachtster Courant gehad. Verder herinner ik me alleen Rink van der Velde en Ernst Huisman in die commissie. Ik denk dat Kerst contact heeft gehad met zijn achterneef in de zesde graad, want wie wordt de schuld in de schoenen geschoven dat mijn zogenaamd tirannieke optreden de reden ervan zou zijn dat het beeld in de bebouwde kom geplaatst is? De eeuwige lasteraar E.H. die nu op de eeuwige wrokvelden vertoeft, wilde op de grond van zijn aanstaande post-humiteit (vergeef me het woord) voor de zoveelste keer zijn definitieve gal over mij spuwen. Zoals hij dat ook al in de Vuistbijlzaak deed. Volgens mij was hij de eerste die erin meeging om het beeld dan maar bij de Hoofdbrug in Beets te plaatsen. Over de plaats is verder niet gestemd, of gestreden. Het lijkt me, dat deze vooraanstaande rol, die Kerst me toebedeeld, iets te groot is voorgesteld, want het waren voor het grootste deel “kanonnen” van formaat. Ik kon er weinig tegen inbrengen. Wel wil ik zeggen dat er drie kandidaten waren voor de opdracht en dat ik bij de minderheid behoorde, die een andere beeldhouwer op het oog hadden. Deze passage in het boekje (mm2)van het formaat van een gemeentegidsje, maar dan veel dunner, bewijst maar weer dat Kerst aan het eind van zijn latijn is en dat hij niet in staat is om zelfstandig onderzoek te doen. Nog een detail: Ernst is op atelierbezoek geweest en heeft stiekum de foto’s van het beeld (schets?) in wording gefotografeerd, waarmee hij de regels op het auteursrecht overtrad. De commissie moest hier over zwijgen, voor ze de foto’s te zien kregen. Misschien zitten ze nog wel in zijn nalatenschap. Dat zal Karianne leuk vinden als ze er achter komt. Van het gebroddel van Kerst wordt ik zo langzamerhand aardig zat. Hij blijft maar omgaan met verkeerde mensen. Men mag van een historicus, KH is doctorandus in die tak van sport, verwachten dat hij zijn zaken op een rijtje heeft. Dat is hier duidelijk niet het geval.

En dan hebben we ook nog de foute verklaring waarom Kerst meent, dat hij niet in de commissie zat. Hij stelt het voor, dat hij toen nog vervangende dienst deed. Dat beeld van Karianne werd geplaatst toen hij al minstens 12 jaar als journalist werkte. Zo omstreeks zijn vijfendertigste. Als meneer in dit geval beweert dat hij toen nog les gaf ergens in Holland of later in kamp Aekinga, dan was hij toen 35 jaar. Verifieer het maar in de Nieuwe encyclopedie van Friesland. (NEF) Kortom iemand die zelf niet meer weet wanneer hij waar was en wat deed, moet je niet serieus nemen die is seniel, gek of wraakzuchtig jaloers.

GEPLAATST 16 JAN 2021

Zwanenzang.

Eindelijk de laatste hand gelegd aan een boek over de Friese dijken. Het is dat zul dan zien, na de verschijning nog steeds niet compleet. Er zijn nog een paar stukjes dijk onder Warga en Wirdum waar ik niets over gezegd heb. Eigenlijk omdat het me niet duidelijk is waar ze beginnen en welk gebied ze tegen het water verdedigden.

Er is ook nog een punt waar ik verder op wil ingaan. Dat is de Súdermuda. In een kritiek op mijn blad [de Neitiid] kwam de klabschigaernroncker K.H. met de bodemkaart van Cnossen: die meldde dat de grond in dit gebied door menselijke aktiviteit was toegetakeld. Ik heb daar in die special in dat blad niet op gereageerd, misschien is het tijd om dat nu te doen. Wat, waarde K.H. wat was er zo belangrijk om de originele bodem daar zo te vernielen, dat Cnossen er geen raad mee wist. En wat zat daar in die Sudermuda, wat er niet in of op het oudland zat. Het zou best kunnen zijn dat het sediment, dat de verdwenen zee had aangevoerd zo nuttig was, dat het er vandaan is gehaald en verwerk tot…. Mag ik een voorstel doen: tot steen, tot dakpannen en tot de bekende Makkumer en Harlinger tegeltjes. Je hoeft maar op Schotanus’ kaart te zien hoeveel van dergelijke fabrieken in die buurt stonden. Van Harlingen tot ver het land in. Het verst van zee was in dit gebied de steenbakkerij onder Dronrijp, met de naam de Orebijt. Maar ook onder Leeuwarden werd steen gebakken, de bekende geeltjes van de Schenkenschans. Ook onder Snakkerburen staan in 1832 twee briketteries of steenwerken op de kadastrale minuutplans. Ik denk trouwens dat de steenfabrieken als ik ze zo mag noemen in het Sudermude gebied het oudste zijn. Ouder dan die bij Leeuwarden.

Overigens is het ook zo dat de vroege polders onder Tzum gemaakt zijn omdat er een eb en vloed beweging is geweest, op het moment dat zij ingericht werden. Overigens raad ik KH aan om ook de eerste bladzijden van het boek nog door te nemen. Dan kan hij zien welke munten geldig waren in de tijd van de Schoutenrechten en in de 17 Keuren. Voor een andere visie op het ouderdomsprobleem van deze toch waarlijk niet zo oude stukken, zijn er geen periodes aan te wijzen wanneer een soortgelijk wisseltarief/waarde bepaling gold.

DE FRYSLÂN nummer 4          2020.

geplaatst 31 juli 2020

Dit vierde nummer viel voor mijn ogen op tafel bij een vriend van mij. Er werd thee gezet en ik bladerde het geschrift even door. Waar ik op de voorpagina al las:  van de nammen fan Bomkleaster, een bespreking van het boek over A. Bohmers , een ramp op West Vlieland en zo nog wat.

Nu heb ik een allerverschrikkelijkse hekel aan die lui die in de oorlog naar het oosten trokken, ditmaal niet met wapens maar met hooivork en riek. Daarmee waren ondanks de propaganda van die dagen dit soort lui geen haar beter dan de niet sedentaire volkeren die hun bazen, Hitler, Himmler en masse wilden uitroeien. Ik noem maar even de Roma, de Sinti, de aanhangers van geloven zoals Jehova’s en van Joodse tradities, die door de nationaal socialisten als “Fremdkörper” in de reine Arische samenleving werden beschouwd, omdat ze ooit van de ene plaats naar de andere trokken, zoals nu de Lappen nog steeds geen vaste woonplaats kunnen hebben. Een naam die in het rijtje van vervolgden doorgaans wordt vergeten. Van de degenen die naar het Oostland trokken waren velen ongeschikt, zo meldt de schrijfster. “Halve en hele analfabeten, avonturiers, geen boeren met verstand van zaken. ” Daaronder waren ook Friezen. Maar op hoeveel en welke aanstaande Oostlandboeren het voor Friesland betreft worden we niet van op de hoogte gesteld. “Nederlanders verwierven zich ook spoedig een naam als zwarthandelaren, helers en dieven.”

En dan zwenkt het uitzicht plotseling naar een paar Friezen, waarvan de belangrijkste J.P. Haisma was. Deze werd na zijn thuiskomst gearresteerd. En dan het ongelofelijke: zijn dieren werden verbeurdverklaard. De twee kamelen gingen naar het Noorder dierenpark. Kamelen in de Oekraïne? Of had Haisma ze ergens anders vandaan? Hier wordt niet over een sloot gesprongen maar over een oceaan van niet vertelde stukken, die met het hele verhaal niets te maken hebben. Tot slot wordt  H. Speerstra er bij gesleept, die redaktioneel ook niet van smetten vrij is en die Haisma nog in Argentinië heeft geïnterviewd. Maar “Kameraad Hollanski” van Rink van der Velde komt niet in het verhaal voor.  We weten nu nog steeds niet iets meer van de Friezen die das Reich wel even een dienst zouden bewijzen, en zichzelf het meest.


Het tweede artikel in no4 van 2020 waar ik minder tevreden over ben is het artikel over “Bomkleaster” of Buwe klooster.  Het begint al met de stichting van het klooster.  De auteurs wijzen hierbij naar een zekere Buwe, Bouwe zou in verband met de huidige uitspraak beter uitkomen, maar dan blijf je wel zitten met de oorkonde uit de 14e eeuw waarin het klooster Bava- Klooster wordt genoemd. Bava lijkt me eerder een vrouwennaam en dat paste ook beter bij een vrouwenklooster. Ik heb hier eerder in de Neitiid commentaar op geleverd onder de titel “Wûnderlike Abtenlibbens”. Het bleek me daar dat alle namen die in de “levens” van de kloosterheren van Mariëngaarde voorkwamen, er maar heel weinig  namen van families en personen die in die tijd ook in oorkonden voorkomen. De relatie van de Abtenlevens met de oorkondelijke geschiedenis blijkt bijzonder zwak te zijn. In zijn stinzenboek zegt P.N.Noomen van het leven van Siard dan ook van zijn levensbeschrijving is geen enkel feit gevonden dat geverifieerd kan worden (mededeling van Mr. W. Visscher).

Is Bava, (in goed Fries Baafke) de stichtster van het klooster geweest?  Maar als deze Buwe niet heeft bestaan, wat blijft er dan van over dat Gerke een klooster onder Torp, nu bij Gerkesklooster, het nu zo genaamde klooster heeft gesticht?  En welke broer stichtte dan het Vrouwenklooster onder Scharnehuizen?

Dat de Muontsegroppe niet meer was dan een Greppel, in fuorge yn it fean,  hoeft geen veronderstelling te zijn. Op de kaart in 1617 ( 1613?) staat duidelijk  d’ grepel met een p te weinig. Maar goed, het zal heel wat amateur geschiedenis-uitleggers uit de droom helpen, die tegenwoordig verkondigen dat het de hoofdverbinding was tussen Buweklooster en Smalle Ee, en dat het een gleuf in het veen was, die door wagens bereden kon worden. De monnikegreppel is in 1540 bepaald door Grietman Boelens zijn broer (Binnert?) en de verdere belanghebbenden en dorpsvertegenwoordigers. De oorkonde is te vinden bij Schwarzenbergh. De veronderstelling dat de gravers op de toren van Buitenpost rooiden wordt nog heden ten dage gelogenstraft. De denkbeeldige lijn van de Monnikegreppel komt uit op de kerktoren van Kollum. Bij de gekoloniseerde percelen rondom de huidige weg van Drogeham naar Augustinusga, steekt het klooster-blok een beetje vreemd tussen de verkavelingen van De Ham en Stynsgea in, die oostelijke grens daar, is niet op een voor mij duidelijk punt gericht. De greppel die tussen het veen van het Bava-vrouwenklooster lag, tegen het bezit van de 16e eeuwer Quackenburg aan, loopt evenwel weer recht op de Kollumer toren aan. Ja, je zult er maar een boek over geschreven hebben, hoe al die aparte dorpskolonisatie en delen van dorpen in elkaar steken. Maar jammer genoeg heb ik die veengreppels daar niet in vermeld, want dan had je kunnen zeggen, dat literatuurstudie van deze auteurs niet hun sterkste kant was.

De laatste enormiteit is de tekst dat de oude eiken die op de kaart van 1613 staan, nog steeds aanwezig zijn. Beter was geweest, “net als in 1613 staan er nog steeds eiken rond de vroeger plaats van het klooster.” De eiken die er nu staan schat ik op 120 tot 150 jaar.  Overigens toen ik er in verband met het kolonisatie onderzoek ben geweest, bleek me dat de heer Gatsonides die er toen woonde, de plattegrond van het klooster voor een deel gereconstrueerd had. Het is meer geweest dan het rechthoekige schuur – achtig gebouw, bovendien mis ik de officiële naam. Het klooster heette Maria’s graf. In 1577 waren zowel de abdis als de priores Gelderse adellijke vrouwen. De proost was Nicolaas Doccum.

31 juli 2020

Een stukje recente geschiedenis. n.a.l.v.  BLACK LIVES MATTER.

In 1968 was er een zekere animositeit tussen de twee koffiebars. De eerste was Cosy Corner, aan de Noordkade, hoek Tine Talmanstraat, met als eerste exploitanten, Anneke Dalstra en Mindert Wijnstra. Mindert was net als ik nog niet afgestudeerd aan de kweek, maar met mijn weinige zakgeld kon een kopje koffie er wel af. Eerder zat er in het pand een winkel waar wat ouderwets houten speelgoed in de etalage stond. Johannes Drost, toen nog winkelier in wat later de Wynkûp zou worden en oom van Anneke, kocht het pand en maakte er het koffiezaakje van. Zou kwam het pas getrouwde stel daar als exploitant. Een jaar of anderhalf werd er aan het Mounein, het tweede huis voor de Leympf nog een koffiebar gevestigd door Piet Kusters. Deze zaak had de naam “De Girder”. Het bezoek van deze tent was wat gemêleerder en het is denk ik daarom geen wonder dat na de moord op Martin Luther King, van hieruit een herdenkingstocht door drachten werd georganiseerd. De motor was Rein Munniksma, die later nog gedeputeerde in Drenthe zou worden en daarom cirkelde allerlei los-vaste figuren. Ik herinner me Ferry Wieland, met Indische roots. Klaas Ferbeek, die vele kennissen had en zorgde, dat we een geluidswagen kregen van een zekere “Willy”. Het zou me niet verwonderen als Gerke Kok daar ook bij rond liep, en uiteindelijk kwam ik er ook bij. De herdenking werd een succes, er deden minstens 400 man, voornamelijk jeugdigen mee. Ter afsluiting werd er een gedicht voorgedragen en gingen we weer uiteen en dat is zo gebleven. Ik zou wel eens willen weten wie van hun er nu weer bij was bij Black lives matter. Omdat ik in Leeuwarden zit, ben ik maar naar de BLM demonstratie hier gegaan.

15 april 2020

VIANEN, niet in vieren verdeeld; Kadaster 1832.

Het feit is dat wat de Compagnons, toen Gekommitteerden geheten in 1813 overnamen de gronden van Compagnons van 1644 waren. Bij de overdracht waren geen vertegenwoordigers van de Erven van Gellius Hillema. Dat blijkt bij de eerste optekening van het Kadaster in 1832. De Hillema strook was toen in handen van anderen dan de Compagnons. De resterende drie vierde-delen zijn dus altijd buiten het Compagnons bezit gebleven. Dat maakt zijn etymologie totaal belachelijk. Nog afgezien van het feit, dat de Fiaansterwijk in de gronden van de Folgeren venen lag.

De tegenwoordige Compagnons hebben weer geen gelukkige hand gehad. In 1985 misten ze een paar belangrijke bijdragen aan de geschiedenis van het dorp. En in 2019 hebben ze het ongeluk, dat ze iemand treffen die zelf niet vrij is van foute conclusies. De wens om groot te lijken treft dan voornamelijk Compagnons. Alleen het resultaat is er niet naar. Ze hadden daar ook grotere geesten voor kunnen aanzoeken. Maar daar zal het besef dat ze 35 jaar geleden historisch een punt gemist hebben, zich wel tegen verzet hebben. Ik kan de uitvallen van Durk niet anders verklaren dan in opdracht van de Compagnons te zijn geschreven. Immers de aangevallenen hebben zich op een gebied begeven, waar zij meenden heer en meester te zijn en waarop zij ook menen dat ze en alle rechten, ook het auteursrecht, hebben. Wat betreft Mr. Visscher, die wordt nog even zwart gemaakt omdat de Fryske Akademy waar dhr. Veenstra ook gewerkt heeft, voor zichzelf de publikatie voor een groot werk over de vervening had gereserveerd. Al weer iemand die zich op andermans terrein begaf een nog even een negatief schouderklopje krijgt. Het zij zo. Het sop is me de kool niet waard om verder te procederen.

25  januari 2020

EEN NOG OUDERE POLDER ONDER TIRNS-TJALHUIZUM.

Nu het boek over de Tynje klaar is, heb ik even gefreewheeld. Ondertussen heb ik gedacht wat heb ik nog meer? Heel wat. Maar het project dat het meest onaf was, was het dijken project. Weliswaar hebben ze mijn veldschattingen nu al weer jaren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort, maar dat betreft alleen de doorsnede, en de vorm van de dijken in de loop der tijden. Al 40 jaar, misschien ook langer ben ik de dijken langs gereden met de auto en later op de fiets. Op de fiets zie je meer. Twee keer zoveel, zei mijn pake. “Net sa hurd, oars sjochst neat” was zijn adagio. Ik ben dus begonnen om de dijken weer langs te gaan, in mijn gedachten en wanneer nodig pakte ik de fiets, voor “oculaire inspectie”. En anders hielpen de kaarten van Schotanus, Eekhoff, de Netteplans atlassen van Wolters Noordhof wel tot en met de laatste uitgaven toe. Luchtfoto’s stonden in de Robas Atlas die ik destijds van iemand heb gekregen, ja, gekregen, duizendmaal dank. En een prachtig nieuw medium is het actuele hoogtebestand van Nederland. Op internet te raadplegen. En dat allemaal met de bijbel over de Dijken van Rienks en Walther in de hand, maar vergeet ook Eric Betten niet met het “Boek over de Ee”, waarin ook bijdragen over de afwatering en de dijken rond dit in 1478 gegraven kanaal en Meindert Schroor die de laatste en wat betreft uitvoering de mooiste uitgave het licht heeft doen zien.

Dit was de inleiding met de gebruikte literatuur. Zal ik nu maar beginnen? Ik ben de Slachte langs gegaan en zag toch nog enige dingen die niet in “Binnendiken stonden. Ik ging door tot ik bij de binnendijk van Oosterend kwam, de zogenaamde “Hoep van Oosterend” die door Lorié als eerste is gezien. Ik had er in de Neitiid al eens op gewezen dat aan de zuidkant, aan de Zandlaan (Sânleane) ook een strook van de Middelzee bij in was gedijkt. Dat hadden de beide ingenieurs niet vermeld. Dat was toch wel een verschil met de andere grotendeels oudlands-polders in het binnenland die R+W memmepolders noemen, waar ik in een recent uitgaafje minstens een polder heb moeten schrappen. Wat er verder in het brede bekken van de Middelzee was gebeurd, daarover is de atlas bij de “Bijbel”, de Binnendiken en Slieperdieken niet geheel en al duidelijk. Dat komt eigenlijk omdat de conclusies van Rienks en Walther, niet op wat recentere kaarten en niet op een exacte schaal zijn ingetekend. Zo nu en dan is de oriëntatie niet al te nauwkeurig. Dus ging ik maar eens om het bekken heen, om te zien hoe deze binnenzee bedijkt is geraakt. Dat bracht me bij het dorp Tirns, dat op een nogal vooruitgeschoven puntje oudland in het vroegere bekken uitstak. De dijk hier heet nu Ringdijk. Ik volgde de dijk op kaarten vanuit de lucht en kwam tot de ontdekking dat je inderdaad van Turns naar Tjalhuizum en dan verder langs Ysbrechtum weer naar Tirns terug kunt. Een ring met vier hoeken. Maar onmiskenbaar een ringdijk die tegen het dorp (terp?) van Ysbrechtum aanleunt.

Deze dijk ligt bijna helemaal op oudland, je zou ze niet eens als dijk herkennen, als niet ook Schotanus (1716) ze als dijk aantekent. Klein en primitief, en kleiner dan de toch plaatselijk vrij zware Hoep-dijk aan de overzijde. De Ringdijk moest dus ouder zijn dan de “Hoep”. Maar hoeveel ouder? Daar was in 1985 een sluier over vandaan getrokken. Binnen deze dijk, toen nog niet als een echte, het geheel omsluitende Ringdijk herkend, werd een scheepswrak gevonden. Vanaf de weg zichtbaar, goed te fotograferen en na conservering bleek dat het hout rond 1160 was gekapt en verwerkt. Hoe lang gaat een bootje van dit kaliber, zo groot was het niet, mee? Laten we dat eens op 40 jaar stellen, dan zit je precies in 1200 dat er hier nog zee was en nogal diep. Want het bootje lag enigszins scheef naar beneden in de werkput. Door stroom of storm tegen de wal aangedrukt en gebroken. De afgebroken punt lag minstens op 2 meter diepte. Dus hoelang duurt het voordat die meter klei tot de huidige hoogte, die het al sinds de bedijking door de Ringdijk had, is opgeslibd. Misschien wel een eeuw. Dan zit je op 1300 en dan begrijp je dat de ringdijk om het oudland pas gemaakt kon worden wanneer dit stukje nieuwland ook “klaar” was. Als de primitiefste en vroegste dijk pas in de eerste jaren van de 14e eeuw is gemaakt, dat moeten de structureel zwaardere en beter geconstrueerde dijken wel jonger zijn. Zoals de Hoep van Oosterend die ik als referentie heb gebruikt. Als ik het boek over Oosterend lees, dan is het nog voor het jaar 1000 geweest dat de ingelanden daar besloten een dijk te maken. Daar is nu aan te twijfelen. Want het was bepaald een nouveauté dat er ook een strook Nieuwland binnen de Hoep-dijk werd getrokken. Terug naar Tjalhuizum-Tirns. Dat het ruitvormige gebied inderdaad een eigen polder was blijkt uit het feit dat het een eigen afwatering had. De Netteplan-kaart geeft dat mooi aan. Via de “Bludderige ” vaart en de Bluddrige Tille, waar niemand meer weet van heeft, dat hier vroeger een zijl of pomp moet hebben gezeten, naar het toen nog open deel van de Middelzee. Dat deel waar de Âld Rij loopt, dat later binnen de dijken van de Nijlanderhem zou worden getrokken. Het inpolderen van de Middelzee had voor onze Ringdijk van Tirns Tjalhuizum gevolgen. Toen Ysbrechtum een stuk Middelzee had aangewonnen en bedijkt, vanaf Thabor tot bijna aan Scharnegoutum, is dat de Ysbrechtumerhem geworden. Twee polders die zo verkleefd waren als een Siamese tweeling, konden eigenlijk niet apart voortbestaan. En aangenomen dat Rienks en Walther, de juiste conclusie hebben getrokken, zijn de beide polders samengegaan en in het vervolg als Ysbrechtumerhem de boeken in gegaan. Waarmee de eerste fusie op waterschap gebied niet door hen werd opgemerkt, ze behandelen het omsloten gebied als één polder. Een ander probleem is, dat “Binnendiken”, de vroegste dijken rond het jaar 1000 dateert. Dat moet gezien de datering van het schip en de technische vooruitgang van de techniek toch met minstens 250 jaar bijgesteld worden tot 1250 zo niet 1300; de eerste jaren van de veertiende eeuw. Het is teleurstellend, eigenlijk niet wetenschappelijk, dat geen van de andere collega onderzoekers die over dijken hebben gepubliceerd, aan de oude dateringen vasthouden

Over Fusies gesproken, op mijn reizen, door mijn aantekeningen, in mijn gedachten en op atlassen vond ik nog meer een grotere “fusies” uit de late zestiende en zeventiende eeuw. Die mogelijk te maken hebben met het maken van trekvaarten uit dit gebied, Bolsward, Sneek naar Workum, Franeker en Leeuwarden. Daar heeft ook nog niemand over geschreven, dat wordt hier ook voor het eerst gesignaleerd.

MUNTKUNDE

16 jan 2020

Deze keer geen artikel maar een verslag. Deze week viel het jaarboek Munt en Penningkunde op de mat. Van het Koninklijk genootschap, alstublieft, daar ben ik lid van. Het bevatte weer heel aardige informatie. J. Lucassen had een artikel over diepe monetisatie. Oftewel wanneer gaat in een samenleving het ruilen van diensten over in betaling voor de diensten. Dan moet je iets weten van de hoeveelheid geslagen munten en het aantal inwoners. Lucassen citeerde daarbij de Engelse numismaat Spufford. De voorbeelden van wat de inwoners per persoon in de beurs hadden, worden in dat artikel gegeven. Dat interesseerde me want hij gaf cijfers waar ik voor  de Friese geschiedenis naar zocht, en die ik zelf niet had kunnen vinden, voor de periode, waarin tot nu toe de 17 Keuren werden gezocht. (Zie in deze site de pagina 17 keuren, hoe oud ze werkelijk zijn) In de 11e eeuw had iedere Engelsman in theorie 4 tot 6 penningen tot zijn beschikking. Van die kleine zilveren penninkjes, rond, ca 12 mm, dik 1/4 millimeter. Gewicht ca 1 gram. In 1200 , begin 13e eeuw had de Engelsman 20 penningen per hoofd van de bevolking tot zijn beschikking. Dit is weer een gemiddelde, want de rijke Engelsen hadden misschien wel honderd van dit soort muntjes, die toen pond werden genoemd. Dus hadden de eenvoudige boeren er vast geen 20 of 40, misschien 10 of 20 en hadden de arbeiders misschien niet eens 5 van de penninkjes, die op een gegeven moment 1,3 gram per stuk wogen. In 1300 was het gemiddelde aantal penningen per burger, volgens Lucassen al opgelopen tot 80 penningen per persoon. Er werden tot dan toe alleen eenwaardige penningen geslagen, van penningen met de dubbele, vierdubbele of tienvoudige waarden had men nog nooit gehoord.

Zo hebben we een mooie staat van vergelijking voor Friesland, het Friesland, dat D.J. Henstra in zijn dissertatie behandelde. Aangezien we voor Friesland geen cijfers hebben, en omdat er hier geen munten werden geslagen is de vraag Hoe behielpen de plattelanders, er waren nauwelijks steden in dit gebied, zich?

De monetisatie in dit gebied was zeker niet zo ver voortgeschreden. De registers van Werden en Fulda, laten getallen zien, voor de huur van een hele boerderij van 1 tot 5 penningen. Keulse penningen, ongeveer even zwaar. Nu mag de huur nooit meer zijn dan een tiende van de opbrengst van het bezit. Dus valt hieruit te schatten dat een hele boerderij 10 tot 50 penningen jaarlijks opbracht. Deel dat over het aantal hoofden dat het gezin telde en wat blijkt, op zijn krapst is dat 1 penning ( welgeteld: één) en op zijn hoogst 8 à 9 penningen. Meneer Henstra stelde het weergeld op grond van een flut aanname vast op 1663 gram zilver per hoofd van de bevolking, kleine kinderen en babies incluis. Destijds heb ik het weergeld gerelateerd aan een paar koeienprijzen, waardoor ik tot de concluzie kwam dat Henstra het weergeld op ca 330 koeien had gesteld. ( zie deze site bij veeprijzen) Het misselijke kommentaar van Jouke van Dijk op mijn kritiek op Henstra blijkt ook nu weer wel degelijk enige grond te hebben. Vertaald uit het artikel van Lucassen betekent Henstra’s stelling, dat elke inwoner  het Friese gebied ca 1200 penningen tot zijn beschikking had. Dat is  600 keer zoveel als in Engeland. In het geval van Henstra is er niemand die bij zijn aanname heeft stilgestaan. Het toont maar aan dat je als je de Friezen maar overlaadt met goud, al is het klatergoud, nogal snel tot de geachte titel van DOCTOR kunt opklimmen. Nu ik er weer een medestander bij heb, zal Jouke het woord schamper denk ik niet zo snel gebruiken.

Een TWEEDE artikel in dit jaarboek vult dit nog enigzins aan. In een artikel over met de detector gevonden kleingeld in een legerkamp bij Oorschot De soldaten daar kregen dagloon, wat per week werd uitbetaald. Dat was per dag 25 cent, waarschijnlijk een net iets betere beloning dan de gemiddelde arbeider. Op pag 160 zeggen Baselmans, Van der Kamp en Verspaandonk, dat elke inwoner van Nederland er 30 1/2 “halfjes”tot zijn beschikking had. ( 15 1/4 cent)  en 41 ,1 hele centen. Voorwaar geen vetpot. Totaal 5 1/2 zilveren dubbeltjes of 11 ronde zilveren stuivertjes. ( Die had je toen nog.) Waar de guldens en rijksdaalders zaten staat er niet bij. Maar met een dagloon van 25 cent per dag  kom je niet ver. Soldaten die de kost toe kregen, betaalden daar 10 cent per dag voor. Bleef over 15 cent per dag. Daar moesten alle andere kosten uit betaald worden. Het is de vraag of dagloners wel konden sparen. De in de tijd van 1820 tot 1830 geslagen guldens en rijksdaalders zullen denkelijk niet bij de dagloners, zelfs niet bij de mannen van de tiendaagse veldtocht moeten worden gezocht. Voor die oorlog met België lagen ze daar bij Oorschot. Geen wonder melden de auteurs, dat de legers al naar huis gestuurd werden voor de eigenlijke vrede getekend was. Het land was door het onderhoud van 40.000 man in allerlei kampen en bataljons op de rand van Bankroet geraakt. Reden voor Willem I om af te treden.

DE COMPAGNONS.

De Compagnons van de Rottevalle waren niet bereid het simpele rekeningetje, een oorspronkelijk bedrag met rente op rente, voor de door hun overgenomen, zeg gejatte tekeningen, te betalen.

Want zeg nou zelf, mij wordt in het krantenartikel vier keer een trap na verkocht, terwijl de schrijver wel mijn tekeningen gebruikt. Ik noem dat de gespleten geest van de auteur. Misschien een begin van schizofrenie?

Ik heb daarom een advocaat in de arm genomen die me een concept heeft voorgelegd, wat inhoud, dat het vierdubbele wat ik heb gevraagd, plus de kosten van de advocaat, de eventuele kosten voor de rechtbank en de inbeslagname van de resterende boeken. ( 15 dec. 2019)

ARTIKELEN

Geplaatst 3 juli 2019  (na een jaar rust en andere bezigheden )

VIANEN.

Vriend Durk schreef een boek over de Vianen. Over de wat? over DE Vianen. dus niet over het stadje Vianen, dat in Zuidholland ligt. Nu denkt Durk dat hij de naam Vianen mag afleiden van vierdeparten, “Fearndels” in het Fries. Het klinkt trouwens als “Fjirdels,” dus hoe deze leraar Nederlands aan een Gymnasium hier bij komt is me niet duidelijk. Is de opleiding niet meer wat het vroeger was? Of schuilt er iets anders achter? De eerste mogelijkheid is, dat in 1985 een vette kluif voorbij gegaan is. En dat Durk, die nu in de compagnons zit, plaatsvervangend boos is, omdat hun  voor het dorp gezien groot nieuws, hun bekje voorbij gegaan is? Want ja ik vond de eerste verveners in het dorp en al in 1577. Maar de commissie van toen had na twee keer herschrijven nog zoveel vijven en zessen, dat ik het bij een echte uitgever onder heb gebracht. Zo kwamen er in een jaar twee Rottefalle boeken uit. En dat heeft hun achteraf wel pijn gedaan. Maar terug naar Vriend Durk Veenstra.

De meeste sneupers beginnen hun historische carriére met hun stamboom, of beter gezegd hun kwartierstaat, de ouders en de grootouders en dan de ouders daar weer van, enzovoort . We kijken dus naar een beginnerswerkje. Het domme geneuk, zeg maar. Maar De Vianen was in 1832 nog helemaal hoogveen er woonde niemand. En waar niets is verliest de koning zijn recht. Dus is de associatie met degenen die zich er tijdens en na het turfsteken vestigden de associatie wel duidelijk. Daar is niets, en omdat het een slechte tijd was en er weinig verdiend werd, was het wel duidelijk dat er ook niets viel te halen. Want toen was men blijkbaar wel op de hoogte, met een bijbetekenis van die de stad Vianen had gekregen. Vianen maakte geen deel uit van de Nederlanden, toen nog een republiek. Het viel onder een graaf in Duitsland en hoorde bij het Duitse rijk. Wie dus naar Vianen ging was dus in een ander land. En de bewoners en ook de vluchtelingen, waren voor de Nederlandse justitie ongrijpbaar. Vooral mensen met schulden en bankroetiers, die volkomen Blut waren vluchtten vaak naar Vianen. Vandaar de associatie “DAAR VALT NIETS TE HALEN.” Het was misschien nuttiger geweest om uit te vinden wie deze associatie voor dit laatste restje veen voor het eerst heeft gebruikt, dan iemand anders van onjuist inzicht in de historie te betichten. Wat ik alleen kwalijk vind, is dat de Leeuwarder Courant er gebruik van maakt om mijn reputatie maar weer eens bezoedelen.

GEPLAATST 15 JUNI. 2018

WAT IS RECHT?” Een selectie van teksten in het Nederduits die geacht worden een Friese ondergrond te hebben, door H.J Meijering en H. Nijdam. Leeuwarden 2018

De vraag wat recht is, wordt geregeld opnieuw gesteld en zelden gelijk beantwoord. Recht op het schoolplein is een zaak van gelijk oversteken, maar soms ook het recht van de sterkste. Recht kan om het duidelijk te zeggen ook afhangen van eerder genomen beslissingen of vroeger genomen besluiten: deze of gene heeft recht op dit of dat. Dan is recht al gauw niet meer de zaak van: iedereen evenveel of: het hier al genoemde gelijk oversteken. De oudste rechtsstukken, in de vorm van zelf gevonden en zelf opgestelde rechten, zeg maar wetten zijn in de Groninger Ommelanden opgetekend. Er is een Fivelgoër recht, dat voor 1250 moet worden gedateerd, in het Latijn. Er is een Hunsingoër rechtstekst dat in zijn titel zegt dat het uit 1252 dateert. Een tekst uit Langewold zegt van zichzelf dat het uit 1207 dateert. De laatste voorbeelden zijn alleen in een latere vertaling bekend. De ouderdom blijkt uit de betalingswijze, de benaming en de aantallen munten. Die komen voor in enkele oorkonden, in de Kroniek van Emo en Menko en een stuk dat Quedam Narracio heet. Na 1250 worden de grote aantallen munten verdrongen door een nieuw type munt die 10 à 11 keer zo veel waard is. Vaak zijn deze oude stukken ook in andere gebieden gebruikt, het Latijnse Fivelgoër Recht blijkt in een “wetboek” van Humsterland te staan, naast dijkrecht uit het eind van de 14e eeuw, dat door Baker Johnston werd uitgegeven. De auteur Bo Sjölin, net al vorige bewerker en uitgever van een als algemeen Fries bestempelde Codex uit Fivelgoo, meende dat die wettenverzameling zoveel uit andere gebieden ontleende stukken bevatte, dat hij bij de uitgave sprak van “de zogenaamde Fivelgoër Codex”. Want in de meeste gebieden en dan vooral in de huidige provincie Groningen zijn die teksten verzameld in codexen.

Het zou dus mooi zijn geweest als nu de wat minder belangrijk geachte Rechts- en Wetsboeken zouden worden uitgegeven. Ik denk hierbij aan de collectie met de naam “Codex Sickinghe”, die door vererving en andere oorzaken tegenwoordig in het Drents archief rust. Maar nu moet je net de Friezen voor de Lauwers treffen: Die zoeken uit deze boeken en elders verzamelde papieren alleen de stukken die een Friese achtergrond hebben. Dat komt vaak neer op de uitgave van de zoveelste keer van dezelfde tekst. Dat zegt veel over de Friese manier van bestuderen en een zekere onmacht om alle stukken, verzameld en niet verzameld in een overzichtelijk kader onder te brengen. Waarmee de mogelijkheid wordt gemist om tijd van ontstaan en de groei van het aantal stukken te laten zien. Maar er mist ook de interesse om voor de Groningers en een ieder ander die meer wil weten, de hele verzameling te ontsluiten, door ze te bewerken te vertalen en uit te geven, zodat iedereen er wat aan heeft. Daar zit hem nu juist de kneep bij het onlangs verschenen boek “Wat is Recht” van Meijering en Nijdam. De eerste tekortkomingen zijn hiermee al aangegeven. Een andere tekortkoming is de datering: een anderhalve eeuw nadat Von Richthofen zijn theorie over de ouderdom van de Friese Wetten naar buiten bracht, heeft nog niemand een exacte datering, of een verifieerbaar feit kunnen vinden over de ouderdom van die stukken. Er wordt in deze uitgaven voor een ander stuk, de Zeventien Keuren, vaag gewezen naar elfde of twaalfde eeuw, zonder een vaste datum. Maar de onderlinge waarde van munten in die stukken, moeten eerder in de vroege 15e eeuw worden geplaatst dan in de 11e eeuw. Twee in de inleiding hier boven genoemde stukken hebben geven jaar en dag dat ze zijn “opgericht”, net zoals nu nog met statuten gebeurt. Na anderhalve eeuw in het duister tasten zou het tijd worden dat het in Leeuwarden bij de Fryske Akademy daagt, dat de theorie van Von Richthofen te kort schiet. Zo van: “Jongens, dit is een doodlopend spoor, we moeten een nieuwe werkhypothese formuleren”. Dat was overigens op een andere plek waar Fries wordt bestudeerd al gebeurd. In Leiden had Professor Bremmer het over de boeg van de kunst van het schrijven gegooid; hij stelde dat dit soort stukken niet voor 1200 geschreven konden zijn in het huidige Friesland, met name Staveren. Er stak een storm van commentaar op, want zo werd de mythe dat “wij Friezen” al duizend jaar plachten te schrijven met 200 jaar bekort. Maar nu twintig jaar later wordt deze nieuwe hypothese door Meijering en Nijdam weer terzijde geschoven op grond van een paar snippers perkament, dat gezien zijn schrift eerder 15e eeuws is dan 12e eeuws, zoals Meijering en Nijdam suggereren. Vergelijking met kopiën van her en der laat zien dat de schrijfwijze van de Latijnse woorden is gedaan in een boekschrift, dat sterk op een humanistische minuskel lijkt en op zijn vroegst 15e eeuws is. De Friese woorden die er vertaald onder staan zijn zeker niet tegelijk met het Boek(-schrift) zelf. Een stomp in de maag van goed onderzoek en een goede onderzoeker. Beide auteurs zouden moeten weten, dat op stompen in lichaamsdelen in de door hun behandelde wetten een hoge boete staat. En weer twee icarussen die in hun bewijslust te dicht bij de zon kwamen. Dat er nog meer onderzoekers waren, die op grond van de geëiste en betaalde munten nog veel nauwkeuriger dateringen konden geven, is de heren totaal ontgaan. Bij een zo klein vakgebied, als de “oude Friese wetten” mag men er op rekenen dat alle publikaties op het gebied bekend zijn en liefst ook besproken of desnoods neergesabeld zijn. Dat is niet gebeurd: van twee belangrijke publikaties heeft men in het geheel geen nota genomen, als er iets fout was geweest aan “Nieuw licht op de 17 Keuren” of aan “Een Mythe Ontmanteld”, dan waren de kolommen in de specialistische Friese bladen niet breed genoeg geweest, om op die onjuistheden te wijzen en was er in de dagbladen zeker aandacht aan besteed. In deze twee particulier uitgegeven studies, zonder subsidies, door de auteur zelf werden deze specifieke verzamelingen gedateerd op 1427 of direct er na. Voor nieuw onderzoek en voor discussie staat men in Akademische kringen ook al niet open. De Friese wetenschap heeft ook als axioma, dat het bestuderen van de oude Friese wetten zaligmakend zou zijn, naar oorkonden die het een en ander zouden kunnen bevestigen wordt zelden gegrepen. Als in een geconditioneerde reflex vliegen de auteurs Nijdam en Meijering af op bijbelse citaten (uit: Exodus 21 en 22) om die om als oud en zeer oud te verklaren: het is hun niet opgevallen dat die in de oudste stukken, zoals die in de inleiding van hiervoor niet voorkomen. Wel in stukken uit de late 14e eeuw. Ze hadden in “Mythe Ontmanteld” ook kunnen lezen dat de zes codexen even oud moeten zijn en dat het verzamelbundels waren uit diverse streken uit verschillende tijden, zoals voor het Humsterlandse wetboek juist wel werd vastgesteld en ook voor de Codex Sickinghe. Aan de hand daarvan had men ook kunnen lezen dat de “Urheber” van de zes Codexen uit de verschillende Friese gebieden het gevolg waren van een idee van een 15e eeuwse Friese Napoleon. Dat waren de gebieden die deze Focko Ukena, rond 1427 op het toppunt van zijn macht, in de gebieden waaruit de verzamelingen van wetten stammen, ze bijeen liet brengen om er een “groot en verstandig landrecht” van te maken. Naar de herkomst van de Groninger Codex Sickinghe is bijvoorbeeld geen enkel historisch onderzoek gedaan. Ook wordt er niet verwezen naar de Groningse Auteur Redmar Alma, die in 1999 al publiceerde over de familie Sickinghe. Dit wetboek had toebehoord aan die familie Sickinghe die rond 1460 macht wist te verwerven in de streek rond Warffum en in Loppersum. Aan het schrift te oordelen is de Codex ook in die dagen bijeengebracht. Bovendien, maar die relatie kon Alma destijds niet leggen, was Feyo van Sickinghe, de eerste eigenaar, getrouwd met de jongste dochter van Focko Ukena. Daarmee staat deze op dezelfde hoogte als de verzamelbundel uit Riustringen, (Oost Friesland) waarvan de hoofdeling ook getrouwd was met een dochter van Focko Ukena. En daarmee past de codex Sickinghe ook in de reeks oude (Friestalige) wetsbronnen, van Hunsingo, Fivelgo, Emsgo en Riustringen, de streken tussen de Lauwers en de Wezer. Over het gebied ten westen van de Lauwers, het huidige Friesland valt alleen te zeggen dat die pas na de eerste helft van de 15e eeuw rechtsteksten in boeken bijeen hebben gebracht. Vooral omdat de mogelijke herkomst van de Sickinghe Codex te deduceren was uit Alma’s artikel blijkt dat Nijdam en Meijering in het geheel geen onderzoek naar de herkomst van deze Groningse codex hebben gedaan, noch naar de herkomst van andere stukken. Zo wordt duidelijk dat voor de beide auteurs alleen zaken die zij op grond van de door Von Richthofen in omloop gebrachte mythe, de stukken als Fries bestempelen. In feite liep de huidige provincie Friesland flink achter op de ontwikkelingen over de Lauwers, waar wel een heerloze samenleving bestond, terwijl de Friezen nog altijd, in naam onder Hollands bewind stonden, zonder dat de Hollandse graven daar veel van waar konden maken. Zo wordt duidelijk dat de ietwat valse Friese pretenties de oorzaak zijn, dat er feitelijke, dus wetenschappelijke zaken en artikelen straal worden genegeerd en dat is met deze uitgave ook gebeurd.

Een goed punt van de uitgave is wel, dat de teksten in het Nederlands zijn overgebracht en dat is dan toch een stap vooruit. De in de zestiger en zeventiger jaren uitgegeven edities van de oude Friese wetten waren in een Duits juridisch jargon, dat op zich uitleg behoefde. In zoverre is er door deze auteurs toch terreinwinst geboekt. Wat door Groningers aan wetten is gemaakt – zij waren de Friezen in de huidige provincie ver vooruit – de Groningers schreven hun landrechten al voor 1250 (overigens in het Latijn) terwijl de Friezen in het nu nog Friestalige gebied hun eerste delicten- en boetelijst pas in of direct na 1323 zouden noteren in het Fries, terwijl eigenhandige oudere stukken – ook in het Latijn – blijken te ontbreken. Door deze uitgave is de inhoud en de strekking voor meer geïnteresseerden toegankelijk. Vertalingen van stukken waren tot nu toe schaars, slechts enkele onderzoekers brachten zelden meer dan een oud stuk over in gewoon Nederlands.

De uitgave van een dergelijk boek stemt triest, vooral voor de Groningers. Hun wordt geen recht gedaan in deze Friso-centrische uitgave. Misschien moeten de Groningers de draad weer opvatten waar het genootschap “Pro Excolendo Jure” zijn werkzaamheden heeft beëindigd, door alle stukken in de juiste tijdsvolgorde te zetten en uit te geven.

Besproken werd “Wat is recht?” door J.H. Meijering en H. Nijdam, Uitgave Bornemeer. € 39,50       599 pag.

GEPLAATST 8 JUNI 2018

SUPER LIBRUM

In de kelder van Tresoar, het als Provinciale Bibliotheek gebouwde instituut is een fijne een fijnzinnige tentoonstelling te zien. Als statische objekten zijn er drie manuscripten te zien en een gedrukt boekwerkje. Dat boekwerkje is het meest bijzonder. Eigenlijk had het niet kunnen en mogen bestaan: het was een ongewenst kind, omdat de culturele toestand nog niet zo ver was, dat ze gedrukte kinderen konden baren. Anders gezegd voor 1500 was er in Friesland geen drukkerij te vinden. En toch bestaat dit drukwerkje ontstaan in Keulen en waarin de bezige hand en intellektuele signatuur van Godschalk Donia herkenbaar, beter misschien, beredeneerbaar is. Alleen daarom alleen al zou je de trap af moeten gaan.

Er liggen nog drie handgeschreven boeken, volgens de begeleidende teksten uit verschillende eeuwen. Wie hier de raadgever voor de tentoonstelling is geweest, als het niet de anonieme samensteller zelf was, dan zit er in die datering een grote onlogica. De manuscripten worden namelijk gedateerd, naar criteria die volkomen uit de lucht gegrepen zijn. De criteria staan in de 17 keuren, die in alle drie handschriften voorkomen. Maar in alle drie de versies komen wel telkens dezelfde munten voor. Dat is merkwaardig want gemiddeld twee keer per eeuw, komt er een verandering in de muntomloop voor. Wie de muntjes uit 1276, in het oudste geschrift op een rijtje zou leggen, die krijgt het volgende rijtje: een sterling is 10 of 11 oude ponden. De nieuwe franse munt die Turnoois wordt genoemd is hier nog niet gesignaleerd. Het is een bijzonder kort rijtje.

In 1323 wordt die nieuwe munt ( Tournoois of groot), wel gesignaleerd, dan is de omrekening: een oude Franse groot (de turnoois,dus) is vier sterlingen. Drie kleinere munten, nu Lovensche of loonse genoemd is een sterling. Dit is uit de Willekeuren van de Upstalboom te halen, maar zoals gezegd de omrekening in de 17 keuren is anders. Als de eerste als niet goed is, dan is deze datering zeker onjuist. Drie loonse = 1 sterling, 4 sterlingen is een groot.

Algemeen wordt aangenomen dat het laatst geschreven handschrift, waarin de 17 Keuren in hun zo origineel mogelijke zetting voorkomen, is te dateren rond 1430. Maar dan klopt de omrekening wel: Het pond is zeven Aggrippijnse penningen en die valt uiteen in vier weden. Tot nu toe hebben de akademici, hier geen onderzoek naar gedaan. Ze hebben het pond niet herkend als de – Gelderse – Reynaldus gulden van 14 groten of van 7 dubbele groten (ook schilling genaamd.) Die naar de Keulse norm was geslagen, wat de reden is, waarom er het woord Agrippijnse in de tekst is gepoot, wat velen op een dwaalspoor heeft gebracht. Net zoals Von Richthofen, met zijn mondelinge overdracht, die de datering van diezelfde 17 keuren te ver heeft opgerekt, tot aan het jaar 1000. Het blijkt nu, dat hier in deze kluis drie versies van een tekst te zien zijn, die in alle gevallen rond 1427 moet zijn opgesteld.

Als de bezoeker op een knopje drukt krijgt hij er een sfeerbeeld bij van de middeleeuwen. Twee pugils, of kampvechters, bestrijden elkaar in de op de wand geprojekteerde beelden, op de manier en met de wapens die van een Fresco uit een kerk op de Groninger klei zijn afgeleid. En daar hoort ook muziek bij. En dat is prachtmuziek

Het ensemble Super Librum zingt en speelt er bij op de melodie van een dertiende eeuwse tekst. Die melodie komt niet uit Friesland, maar uit Engeland, naar ik meen uit Canterbury. En die past strofisch precies op te tekst uit de laatste Friese Codex: Thit was tho ther Tiid, Thet Kening Karl bigan to riuchte(n)…… ” Super Librum legt hier alle eer mee in. En het feit dat de twee teksten als twee identieke rasters op elkaar kunnen worden gelegd, past wonderwel bij de Frieszinnige visie, dat die boeken onderling een eeuw verschillen. De vervalsing zit hem niet bij Super Librum, maar bij de samensteller van het geheel. Deze suggereert bij dezen, dat de 17 keuren en daarmee de complete handschriften wel flink van tijd van ontstaan verschillen.

Maar heeft de academicus – dat neem ik tenminste aan dat het een academicus is, hij volgt zo verschrikkelijk slaafs “het boekje”, dat je niet anders kunt, dan veronderstellen, dat hij uit de School van Buma, Ebel – Von Richthofen komt. Heeft diegene hier niet buiten de waard, de uiterwaard en de kwelder gerekend? Er zijn al sinds 2010 publikaties verschenen, die de visie van de “school” van V. Richthofen, tot en met Mol, Noomen en vele anderen totaal hebben ondergraven. In feite hele visie op het gebruik en schrijven van het Fries opnieuw heeft bekeken en op grond van oorkondenvergelijking heeft vastgesteld dat de eerste Friese woorden die aan het papier of perkament werden toevertrouwd, pas na 1323 dateren. En dat ons gewone Friezen, die die Akademici maar laten begaan een oor is aangenaaid en de Politici en de Staten, die hun subsidiëren, ons nu al anderhalve eeuw op het verkeerde been hebben gezet.

Dat is merkwaardig, want die publikaties dateren al uit 2010. Daar is geen tegenwerping vanuit de “Schoolse hoek”, bijna schreef ik scholastische hoek, op gekomen, laat staan tegenbewijs. Ze zijn onverdroten voortgegaan de oude ideeën uit te venten. Terwijl er wel personen in die kringen hebben gezegd, “Je kunt op zijn minst naar die man luisteren”. Van een ander, niet de minste uit deze kringen, hoorde ik onlangs dat hij het grotendeels met me eens zou zijn. Helaas is hij niet in de positie, dat hij zich er sterk voor kan maken. Die wijsheid heb ik toch maar aan mijn bezoekje met de begeleiding van SUPER LIBRUM te danken.

Geplaatst 23 april 2018

Begin deze maand trof ik Geert Zijlstra, die de website beheert “GEERTSINES” Hij had nieuws over het Faillissement van de Grietman Augustinus Lyklama à Nijeholt.  Bij het doorzoeken van de op internet geplaatste  RECES boeken dat zijn drie zoons de erfenis hebben geweigerd. Ik heb mijn artikel verplaatst naar archieven, zie aldaar. Wie de ontdekking van Geert wil zien, met denk ik de verwijzing naar de internet pagina, moet zich op zijn pagina vervoegen.

Nieuw geplaatst 15 april 2018

Geplaatst maart 2018.

BESPREKING.       Steentijd tentoonstelling in Bergum.

Met opzet zijn we de laatste week dat de tentoonstelling stond, gaan kijken naar de zaken die de APAN wilde laten zien. De Apan heet een vereniging, waardoor je zou denken dat de Praktijk Archeologie door meerdere leden wordt beoefenden dat die elkaar in hun enthousiasme steunen. Of, die elkaar, wanneer er verkeerde wegen worden ingeslagen kunnen bijsturen om de wetenschap zuiver te houden. Eenmaal binnen blijkt deze tentoonstelling een eenmanstentoonstelling te zijn, waar de naam Henk Geertsma achter staat. De schaduw op de achtergrond is Tjerk Vermaning, en op een moment wordt in de constant door draaiende video gesproken van Opa, “die  maar één bijl had.”     Het is bijzonder sympathiek dat een museum als dit mensen als Henk G. plaats biedt. Na een minut of twintig heb ik wel een beetje een indruk. Tien procent van de stenen hebben een zekere kwaliteit, en staan niet veraf van echte artefacten. Van 30 % is de toeschrijving dubieus en de rest is hoewel ergens op lijkend, niet in de prehistorie door een mensenhand aangeraakt. Het is meeer een collectie toevalsvormen. “De eerste weken heeft de tentoonstelling vrij wat volk getrokken vertelt de employee, die een archeologische achtergrond blijkt te hebben. Hij vindt trouwens mijn schatting over het aantal echte artefacten aan de hoge kant.  Daarmee weet ik dus zeker dat ik niet tegen de haren van de goedwillende mensen die dit museum runnen, in strijk. De doorlopende video bestaat uit een paar reportages over Vermaning en over H.Geertsma zelf. Het sneue van dot soort zelf benoemde specialisten en zieners is dat ze alles willen behappen en omschrijven. Dat uit zich zowel bij Vermaning als bij Geertsma in maar half begrepen technische termen, zoals bij Geertsma die van “retouche” zoiets maakt als “roedoes” of redoes. Dit gepaard aan een nogal regionale uitspraak, diskwalificeert dit zijn enthousiasme. Zowel in wetenschappelijke zin als in uitdrukkingsvermogen kunnen ze niet duidelijk over het voetlicht krijgen, wat ze menen te zien. Soms ook wat ze niet zien. Ik zag een half geslepen bijl in een van de vitrines, waarop dankzij de goede belichting moderne slijpsporen zie, van zoiets als korund of carborundum. Geertsma zoekt zijn eigen erkenning en tegelijk ook de erkenning van de vondsten van Vermaning, maar of hem dit op deze manier zal lukken? Er zijn wel erg veel grote wetenschappers die in de Apan-achtige theorieën niet mee gaan, onder meer Roobroeks. De grote wetenschap is blijkbaar niet voor H.G. weggelegd. Er kan nog een andere reden zijn waarom Geertsma aan de steentijd verslingerd is. Dat is het uniciteitsprincipe.  Als je in een nieuwe tak van wetenschap (hum) de eerste bent die iets ziet of formuleert, dan blijft je naam daarmee geassocieerd. De voorbeelden liggen van Archimedes tot Einstein voor het opdweilen. Op de hier vertoonde wijze twijfel ik ook sterk aan deze insteek. Het kan ook het erfelijkheids principe zijn. In een van de vitrines staat een beetje ongemerkt de brochure over de Vuistbijl van Wijnjeterp. Dit geval van eigenrichting, zal wel geen stof meer doen opwaaien. Wie op een herroepen vindplaats, voor hetzelfde voorwerp op een andere tweede plaats het bewijs voor authentiek vinderschap in elkaar draait, is op zijn zachtst gezegd niet wetenschappelijk bezig. Hij zou wat daar geschreven is, eens moeten controleren, om van de ziekelijke voorouder verering af te komen. Geamuseerd lieten we het museum achter ons.

FEBR. 2018

TURF, aantallen maten prijzen.

DE LONEN VAN DE TURFMAKERS.

Van de lonen van de baggelaars en hun uiteindelijk bedrag was al weinig bekend, van de turfmakers is dat nog minder bekend. Een onverwacht goede bron daarvoor vormen de audiëntiebladen van het Kantongerecht. Daaruit volgt de volgende rij van lonen en gepresteerde arbeid. Waar mogelijk aangevuld met andere gegevens uit publikaties: cursief.

1859 dagloon f 1,25 – f 1,30

1859 -1860 Loon trekkers f 1,50 – 160 per dag

,, ,,                  loon turfmaker f 1,30 per dag.

1862: 150 Roede turf à 85 ct de roede f 127, 50 (in dat jaar verdiend)

1862 (idem) 225 Roede turf à 90 ct de roede … (niet in bron)

1869 852 Roede turf à 90 ct de roede f 791.- doch kreeg f 338,70.

1869 (idem) 908 Ellen klijn = 110 ct de roede f 55,70 (omgerekend)

1870 ? à 575 de roede i.p.v. 65 ct de roeden

1871 – (loon v.e. visser f 12.- per week)

1872 6869 m2 klijn = 431 roede à 95 ct (niet in bron)

1874 – Dagloon jongen v. 16 jr: f 1.25 per dag.

1877 97½ ct de roede

1879 448,7 Roede à 100 ct de roede = f 448,70-

1879 (idem) 660,7 Roede à 100 ct de roede = f 660,70

1879 (idem) 1089,2 Roede à 100 ct de roede = f 1098,20

1881 6697/12Roede à 100 ct de roede = f 669,56

1882 232 Roede à 925 ct de roede = f 194,85 maar kreeg slechts f107,53

1883 518 Roede à 90 ct de roede = f 466,20

1884 70 Roede à 90 ct de roede = f 63.-

STAKINGEN:

1853 onbekend; einde graafwerk voor de Polder.

1862 geboden 85 cent de roede. Gevraagd onbekend

1869 ,, 70 ct ,, 80 ct

1873 ,, 80 ct voor’t bakwerk. Door volgende veenbazen (zie hierna)1)

,, , 95 ct voor ’t bokwerk

,, 70 ct ’t baggelaar bakwerk Gegevens: Drachtster Courant 27mrt ’73

1874 ,, Beets 5 cent minder ,, wrsch. 80 ct. 2) K.H.

1876 ,,Tynje 75 cent minder ,, onbekend 2)

1878 2)

1879 Als in 1878 = 10ct minder, = 575 ct ,, onbekend turfprijs f 1,50 lager p. R.

1880 wordt vlgs. kantongerecht 120 ct betaald ,, gevraagd en gekregen (in 1 geval) 2)

1882 ,, 55- 56ct per roede ,, onbekend; plm 10 ct meer

1885 Eis: 10 cent meer:65 – 75 cent per Roede.

1888 geboden 65 ct Eis 90 ct; werd 70 ct.

Eis: dagloon f 1,25 en meerdere uren + 10 ct

1889 als vorig jaar werd: 70 ct de roede (vierkante roede)

1890 gevraagd leggeld: f 1.- per dag

,, Eis 80 ct in de (baggel-)bak

Eis 90 ct in de bok en voor turfmakers:

Eis 80 ct de roede v. opmaken (drogen)

( de 1e keer dat turfmakers zich roeren)

1891. verdiend 85 ct de roede ( Opstand …. etc)

1)

De ADVERTENTIE van 32 mrt 1873 was ondertekend door:

J.F.Oosterbaan, W.J. Dragstra, E. v.d. Meulen, U.H. van dam, D.v.Dam Hzn, B.van Zwol, L.Poppinga, C. en F. de Haan, W.A. v/d sluis, S.P. v/d Sluis. Daaronder een ingezonden stuk: …….. misschien is het de bedoeling van deze veenbazen de vrede te bewaren, maar zou het, vraagt de spitter namens enige collega’s juist andersom werken en tot Bollejeijen leiden?

2) K.H. = ontleend aan: Opstand in de turf.

Tot 1838 zijn er aankopen van nog niet aangesneden percelen veen te vinden, de pogingen die daarna werden ondernomen leverden geen onaangesneden percelen meer op. De onaangesneden percelen, waarmee bedoeld wordt een aaneengesloten stuk land zonder water hagen en dergelijke, lagen voornamelijk in De Ripen.

1812 2 mad = 1 Ha en 1 are of 1.10 Ha voor 705 c.gld= 6½ ct per m2

1812 5 mad 2 ½ mad voor f 2400.- = 5 ct ,, ,,

1816 ½ van 8 mad = 2 Ha i.d. Langerijp voor f 2150.- = 107 ct ,, ,,

1817 ½ van 6 mad = 3 mad ,, voor f 700.- = 46 ct ,, ,,

1817 ½ van 4 mad = 2 mad voor f 550.- niet te berekenen

+ 1/2 van 5 mad hagen en water (met vorige perceel)

1818 5 mad klijnland voor f 2400.- = 48 ct ,, ,,

1822 2.72 Ha vergraven en onvergraven niet te berekenen

1824 1.65 Ha hooiland voor f 1000.- = 64 ct ,, ,,

1826 2 Ha klijnland -Korte Rijpen- voor f 801.- = 4 ct ,, ,,

1827 3.30 Ha niet nader omschreven voor f 750.- = niet berekend

1828 1.37 Ha in de Wijnje Akkeren voor f 900.- = 7 ½ ,, ,,

1830 3.30 Ha geen ligging voor f 2000.- = 63 ct ,, ,,

1838 2.05.70 Ha ( gerekend 2 Ha) voor f 1000.- = 5ct ,, ,,

DAARENTEGEN:

1831 2Ha hooiland – Moediep voor f 700.- = 3 ct.

1831 1.65 Ha idem voor f 700.- = 3 ct

1831 1.65 Ha idem voor f 701.- = 3 ct

1831 1.10 Ha. (onbekend) voor f 500.- = 5 ct (iets minder dan 5 ct)

Als 1 Hectare f 700.- kost dan kost 1 are (1/100e Ha) f 7.- dan kost 1 ca (1m2) f 0,07 = 7 ct.

Prijsbewegingen. Sponturf per ton, of dubbele hectoliter à 120 stuks in de ton. (losgestort of ingeworpen) OLD BURGER WEESHUIS.

1813 6 schuiten baggelaar à f 20.- de schuit f 350.- = 50 ct per ton (dubb. Hl.)

1814 5 ,, ,, à 30.- ,, ,, ,, 150.- = 75 ct

1815 5 ,, ,, à 30.- 150.- = 75 ct

1816 5 ,, ,, à 30.- 150.- = 75 ct

1817 5 ,, ,, à 30.- 150.- = 75 ct

1818 5 ,, ,, à 29 .- 145.- = 70 ¼ ct

1819 5 ,, ,, à 25.- 105.- = 62 ½ ct

1820 5 ,, ,, à 28.- 140.- = 70 ct

1821 5 ,, ,, à 25.- 125.- = 62½ ct

1822 5 ,, ,, à 21.- 105.- = 52½ ct

1823 5 ,, ,, à 22.- 110.- = 55 ct

1824 5 ,, ,, à 20.- 100.- = 50 ct

1826 5 ,, ,, à 21.- 105 = 52½ ct

1827 5 sch. Lukster bagg. à 24.- 120.- = 60 ct

1828 200 ton baggelaar à 65 ct. de dubb hl. of turfton. f 130.- 65 ct

MISSEN 7 jaren prijzen tussen deze fundaties als gevolg van verschillende notaties.

Aan het St. Anthony Gasthuis geleverd.

1835 72 ½ cent *1(per ton) 1856 87 ½ ct 1867 2220 ton à f 1609,50 = 72 ct

1838 72 ½ ct ,, 1856 77 ct *2 1867 732 ,, ,, 358, 60 = 49ct

1839 70 ct 1857 83 ct 1867 200 120.- = 60ct

1839 70 ct 1857 75 ct *2 1867 2200 1485.- = 67 ½

1840 66 ct 1858 80 ct 1868 1000 600.- = 60ct

1841 55 ct *2 1858 72 ct *2 1868 2220 1554.- = 70 ct

1841 70 ct 1859 75 ct 1868 180 126.- = 70 ct

1843 62 ½ ct 1859 72 ct *2 1869 200 130.- = 65ct

1843 62 ½ ct 1860 85 ct 1869 2350 1386.- = 59 ct*

1846 72 ct 1860 90 ct (!) 1870 2280 Dubb.Hl. à 1645,60(=ton)72ct

1847 68 ct 1861 100 ct 1870 120 ,, ,, 86,40 = 72

1848 68 ct 1861 85 ct *2 1870 2457 1796,04 = 65½*

1848 65 ct 1862 100 ct 1871 3310 2249,40 = 77ct *

1849 70 ct 1862 79 ct *2 1872 500 410.- = 82ct

1849 70 ct 1863 80 ct 1872 2310 2195,50 = 90 ½

1850 75 ct 1863 72 ½ ct *2 1872 100 55.- = 55 ct

1851 68 ct 1864 66 ct 1872 2450 2327,50 = 95 ct

1852 70 ct 1864 61 ct *2 1873 2310 2149,50 = 84,, *

1852 65 ct *2 1865 70 ct 1873 90 85,50 = 95,,

1854 60 ct *2 1865 62 ½ ct 1873 2450 2327,40 = 96,, *

1855 87 ½ ct 1866 57 ct 1874 1910 1814,50 = 92,, *

1855 47 ½ ct *2 1866 52 / 52 ct*2 1874 500 422,- = 84 ½

1874 90 Dubb Hl à f 85,30 = 94 ct 1883 2200.- Dubb Hl f 1870.- à 0,85 ct

1874 2450 ,, ,, – 2327,50 = 95 ct * 1883 150 127,50 85 ct

1875 500 425.- = 84 ct * 1884 2100 1590.- 75 ct

1875 1932 1932.- =100 ct 1884 2519 1908,14 = 75ct *

1876 1910 2043.- =105 ct * 1885 2006 1504,50 75 ct

1876 500 460.- = 92 ct * 1885 127 96,20 75¾ ct

1876 90 96,30 = 107 ct 1885 2440 1830.- = 93 ct

1876 2500 2612,50 = 105 ct 1886 2400 2064.- 86 ct

1877 2219 2219.- = 100ct 1886 90 83,925 = 93 ct

1877 90 90.- 1887 2250 2193 86 ct

1878 2290 2564.- = 112ct 1887 2515 2089,95 = 82 ½ ct

1878 90 100.- = 111ct * 1888 2300 2001,46 = 90 ½ ct

1879 2140 2182,80 = 102 ct 1888 2603 2143 82 ct

1880 2940 2998,30 = 102 ct 1888 60 50,325 82 ct

1880 370 354,025 = 93 ct 1889 2300 1753,75 74¼ ct

1880 2550 2473,50 = 97 ct 1889 2593 1912,34 73¼ ct

1881 2200 1958.- 89 ct 1889 18.- 4000st. à 4,50 p. 1000

1881 159 147.- = 95 ct 1890 2220 1909,20 = 84 ct**

1881 2500 2250.- = 90 ct 1890 2250 2070,75 79¼ ct

1881 159 135.- = 88 ct 1891 2491 2201,29 = 94 ½

1882 1962 1682,46 à 83 ct 1891 50 42.- 84 ct

1882 209 184,44 = 75 ct 1891 2835 2253,82¼ = 79 ½ **

1882 2561 1870.- à 0,82 1891 94 77,089 82ct

1892 2400 2064.- = 1900 2272 geen geen

1892 2848 2136.- = 76 ct ** 1900 2673 2352,25 à 88 ct

1892 100 186.- à 86 ct 1901 2393 2440,76 à 102 ct

1893 2272 2064.- à 84 ct 1901 2591 2357,81 à 91 ct

1893 2657 2150 .- = 78 ct ** 1902 2214 2258,28 à 102ct

1894 2156 1595,44 à 74 ct 1902 2741 2494,31 à 91 ct

1894 2647 19725 à 74 ½ 1902 2300 geen geen

1895 2410 2193,10 à 90 ct 1903 2031 2071,62 à 102ct

1895 96 ½ 72,355 à 75 ct 1903 2915 2653,56 à 91 ct

1896 2368 2296,96 à 79 ct 1904 1847 1883,94 à 102

1896 2800 2324.- à 83 ct 1904 2753 2505,23 à 91 ct

1897 2240 2172,80 à 97 ct 1905 1825 1861,50 à 102ct

1897 2665 2203,65 à 83 ct 1905 2830 2575,30 à 91 ct

1897 160 155,20 à 97 ct 1906 1765 1800,30 à 102ct

1898 2316 2246,52 = 97 ct 1906 2700 2457.- à 91 ct

1898 2594 2204,90 à 85 ct 1907 – – à 102 ct

1898 160 155,20 à 97 ct 1907 – – à 91 ct

1899 2287 2218,39 à 97 ct 1908 – – à 102 ct

1899 2579 2192,15 à 85 ct 1908 – – à 91 ct

1899 160 155,20 à 97 ct 1909 – – à 102 ct en 91 ct.

*1 eerste kwaliteit. geld voor alle opgaven zonder opmerking

*2. Tweede kwaliteit, konsekwent aangegeven volgens bron. Na 1900 wel duidelik welke kwaliteit bedoeld wordt.

met * = berekende prijs van de turf, niet in het gebruikte document.

Met à in de bron gegeven prijs per turfton.

met ** turf inclusief meet- en draaglonen.

TARIEVEN VAN SLIKGELDEN. Naar F.J. de Boer.

1823 – 1862 onbekend

1863 – 1867 50 ct. per 100 m2

1868 -1870 f 1,00 ,, ,,

1871 – 1894 ,, 1,50 ,, ,,

1895 – 1920 ,, 2,00 ,, ,,

1920 – 1924 ,, 4,00 ,, ,,

1925 – 1952 ,, 3,00 ,, ,, ( einde van de heffing)

In de polder van het 6e en 7e Veendistrict de heffing op turf al in 1920 praktisch verleden tijd, omdat er niet meer gebagggeld werd, er zat geen bruikbaar veen meer in de polder.

TELLEN, REKENEN EN OMREKENEN.

In de veenderijen in Friesland werd gerekend met de vierkante roede die 4 x 4 meter was.

Het slik werd met die maat opgemeten.

Een Oude Roede was ca 4.10 meter. Elders ook Groninger Roede genoemd.

De oude maat in Friesalnd was de koningsroede van 3,77 meter

Zodra de turf droog was, begon de ellende al. Want je had turf en turf en derdeklas turf, die meen ik niet in de aankopen hier boven voorkomen. Dat lag hem aan de veenspecie, als de massa slik te weinig vast materiaal bevatte, klonk die verder in. Als turfmaker kon je dan nog zo goed je best doen, de turven werden kleiner en ze werden vanwege de onverwacht slechte veenspecie ook nog losser van structuur. Het gevolg was dat ze slecht tot zeer slecht waren te verkopen. Aan het eind van de winter konden ze nog altijd weg als winterbrand aan de arbeiders en turfgravers. Meestal voor een te hoog gescatte prijs, want, op krediet bij de gedwongen winkelnering.

De verkoop ging meestal per turfton, dat was een dubbele hectoliter, waar 120 sponturven van de eerste soort in gingen. Van 72 per vierkante meter. De inhoud van een turfton was 1,8 Hectoliter. Van de tweede soort gingen er al wat meer in en van een nog slechtere soort gingen er nog meer in een ton. Ik citeer hier een advertentie die T. Vellinga aanbracht, uit de door hem doorgeflooide Drachtster Courant uit… …………… …………….

Een ton turven was dan wel mooi 120 stuks, uit een vierkante meter klijn, kwamen 72 tot 76 turven. Als je dat daarmee gaat rekenen, dan past dat allemaal slecht aan elkaar. Het is voor de tweede en derde soort nog weer anders. Maar de turfmaker had zijn percelen gespreide klijn wel mooi in stukken van 10 x 20 cm gesneden, met de “rieper”. Helemaal droog hadden de sponturven het formaat, helemaal droog en uitgehard in de bult of in de speciale turfschuur, het formaat van 7 x 7 x 14 à 15 cm. Baalders hebben en hadden droog het formaat van 12 x 13 x 7.

Dan was er ook nog karturf, die veel kleiner was dan sponturf, en waar veel meer van in een ton gingen, plm 150 tot 170 schat ik, want er is weinig karturf overgebleven en nog minder gemaakt, de laatste jaren. Desondanks was de prijs per ton lager, terwijl die voller was. De conclusie mijnerzijds is, dat de karturf, uit het onderste en slechtere veen, de z.g.n darg en/of splunterveen werd gemaakt.

Dan eerst een herinnering, in het begin van de jaren vijftig had ons gezin een vracht turf gekocht. Of alleen mijn ouders of de inwonende pake en beppe er ook van profiteerden is onduidelijk. Er lag een schip bij de Rolbrug in de Oude Vaart achter de barten, die langs de Swynswei lag achter de polderdijk en die de Nieuwe Vaart met het Ouddiep verbond. We gingen er met twee ouderwetse boerenwagens heen. Die werden volgestort. Ik als zeven- of achtjarige stond er bij en zag wat de turfladers deden. Ze pakten hun manden aan en zetten de turven er op een speciale manier in. Onderin rechtop, daarna nog een keer, dan ter hoogte van de rand vlak en dan nog een keer vlak en twee er boven op. Hoeveel turf ging er in zo’n mand? Ik weet het niet meer ! Vijfentwintig of zevenentwintig? Vijfenveertig of zevenenveertig? De herinnering laat me in de steek, na zoveel jaren. Ik heb er trouwens alleen de laatste twee jaren over nagedacht, wat ik toen heb gezien en hoe het ging. Als ik even doorreken dan gingen er 27 in een mand, dat was dan drie manden in een turfton. Plus één1, of was het tweebovenop? Of was het 45 in een mand en twee er boven op? Twee vraagtekens, want ik weet het niet. Want het heet dat men in het veen niet op een turfje ziet. Op een gegeven moment zei iemand, het zal de schipper wel geweest zijn: “Nu is’t genoeg.” De paarden werden ingespannen en we vertrokken, een andere koper reed zijn wagen voor. Als ik zo achteraf schat hadden we op die twee wagens een duizend tuven liggen. Zo’n 120 tonnen of 360 manden. Maar hoe het ging met het inzetten en tellen? Daar schiet mijn ongeoefende opmerkingsgave van een schooljongen tekort. Als iemand het weet? Beleefd aanbevelend.

De volgende vraag was nu: zijn er nog turfmanden over gebleven? Ik ben langs drie musea geweest. Het Veenderijmuseum in Nij Beets, museun Opsterland in Gorredijk en Heerenveen. Rolmaat als centimeter in de zak en omdat ik al snel alleen werd gelaten, kon ik de manden opmeten. Er waren trouwens twee soorten turfmanden. De hoge manden werden gebruikt voor lange, steek-, of hoogveenturf gebruikt, drie namen voor hetzelfde produkt en de lagere soort was voor de laagveenturf. Ik vraag me af of die manden toen bij de aflevering bij de Rolbrug van de ene of de andere soort waren. Het waren in elk geval niet de mij bekende “kynsens kuorren” waar 35 kilo aardappelen in gingen. K. Huisman beeldt er zo een af op pag 53 van “Opstand” (2011) als… turfmand! De ene soort turfmanden, de hoge vorm vond ik op ansichtkaarten die J. Dijkstra in zijn boek “500 jaar Haskerturf “reproduceerde, ze waren opengewerkt en waren naar het leek volgens een vastliggend voorschrift gemaakt. Een antieke maatvoering vond ik bij Ingrid Wormgoor voor een Groningse mand. ** Die hopelijk ook de algemene mand was. De door haar gegeven maten waren : onder: 1voet en 5 duim in cm: 34,5

boven 2 houtvoeten in cm: 58.-

hoog 1 voet en 10,5 cm in cm: 38,5 inhoud 45, 75 liter.

Een turfton ging door voor 1,8 hl = 4 korven in een ton

en 12 stuks over. (of varieerde het bij los storten?)

In Friesland, in de naaste omgeving van de Tynje vond ik andere maten:

In Nijbeets staat in het Damshuis een platte korf met volgende maten:

onder 30 cm

boven 44 cm

hoog 23 cm

In Gorredijk

stond een oude korf :

onder 33 cm

boven 45 cm

hoog 42 cm

En twee nieuwe korven van 30 bij 45 en 42 hoog. Niet geheel volgens de norm gemaakt.

Dan nog een nieuw gemaakte korf, waarvan de maten ook niet al te betrouwbaar zijn en waarvan alle maten 2 cm te groot zijn. Bij het nieuw maken is wat mis gegaan.

In Heerenveen: 2 korven

onder 30 cm onder ± 27 cm. (Zo opgesteld dat nameten slecht ging.)

boven 43 cm boven 43 cm

hoog 30 cm hoog 30 cm

Terug naar de turfton van 120 stuks per ton. Maar J. Dijkstra (500 jaar Hasker turf) geeft ook de aantallen 130 en 140 stuks per ton. De oorzaak kunnen we vinden in een advertentioe in de Drachtster Courant: het betreft turven 1e, 2e en 3e soort, hierboven genoemd.

Een wat ouder gegeven komt uit Leeuwarden: een schuite is 70 korven Leeuwarder maat. Een schuite was 3200 turven. ( soms 3400 turven) Door berekening blijken er in een Leeuwarder korf 45 à 46 turven te gaan. Vermoedelijk betreft het lange turf, en geen gebaggelde, korte turf. De berekening komt uit op 45,7 stuks. bij de laagste berekening, op 48 ½ bij de grootste in houd van een schuite, waarmee een praam bedoeld zal zijn.

Hoeveel turf ging er op een schip. Een ouderwets houten schip zo een als de schilder Sterringa op zijn Tynje schilderij afbeeldde omstreeks 1830? Dat antwoord vinden we in de levering van het Leeuwarder Old Burger Weeshuis. Tussen 1813 en 1827 wordt er jaarlijks een schip met turf van 5 schuiten afgeleverd. In 1828 is er plotseling een andere maat van toepassing: Het blijkt dat jaar om 200 ton baggelaar te gaan tegen dezelfde prijs. Het blijkt dus te gaan om schepen van 40 ton(nen) baggelaar turf, waarvan er 5 schuiten in een houten skûtsje gaan. Na 1880 wanneer de stalen skûtsjes worden gebouwd op de werven in Drachten worden er steeds grotere vrachten turf aangevoerd: in 1868 kreeg Het St. Anthonie Gasthuis een vracht van 2220 ton; in 1869 2280 ton, in 1884 al 2519 ton; in 1891 een vracht van 2835 ton, en in 1903 een vracht van 2915 ton turf. Nu zijn turftonnen geen gewone tonnen, we kunnen daarom niet verwijzen naar hoeveel de stalen schepen groter werden. Behalve als iemand een lijst heeft van gebouwde schepen en hun tonnage.

Gegevens van elders zeggen een last turf is 40 grove tonnen of 60 smalle tonnen. En: 300 ton ( van welke van de beiden?) op een schuite. Ik zou zeggen smalle tonnen. ………..De verwarring is nog niet compleet:   er waren oude roeden, volgens het stelsel dat in Friesland gold. Dat was de roede van 3,77 meter. Er waren de metrieke roeden van 4 meter in het vierkant.

Maar in Weststellingwerf werd eind 19e eeuw nog een andere maat gebruikt: 

Leeuwarden 4 december 2017

Aan het bestuur van de KNAW.

Geachte Dames en Heren;

Hoewel ik geen idee heb of u aandacht heeft voor signalen uit de maatschappij door een amateur, meen ik toch u te moeten schrijven. Voor zover ik weet is uw instituut de voedsterheer van de regionale akademies, waaronder de Fryske Akademy.

Op donderdag 30 november 2017 was ik aanwezig op het provinciehuis om een lezing aan te horen over de Friese Vrijheid. Het bleek me tijdens de lezing dat het meer een nationalisch geladen verhaal zou worden dan een onderbouwd betoog. Dat wil zeggen ik voelde me na afloop bekocht, zelfs zonder intree en teruggeworpen in een middeleeuwse duisternis. De redenen volgen hierna.

De inleider de heer Han Nijdam werkzaam bij de Fryske Akademy begon al met de Lex Frisionum, zonder de analyses van Harald Siems uit 1980 te gebruiken. Ook zondigde de inleider tegen een aantal constateringen, bewijzen en vastgelegde data, door ze niet te noemen of te gebruiken in zijn betoog. Voor een historicus vind ik dit een doodzonde. Bij een feit hoort nu eenmaal een jaartal. De dieptes waar Von Richthofen zocht naar de wortels van de Friese Vrijheid zijn namelijk de laatste 40 jaar behoorlijk ingekort. Het is tegenwoordig ook duidelijk dat de Freiherr de latere onderzoeken in een verkeerde richting heeft gestuurd. Overigens heb ik een brief van de DMGH, waarin staat dat met de bevindingen van mijn vertaling van de Lex Frisionum, de eerste gedrukte in Nederland, rekening zal worden gehouden.

H.Siems wees in 1980 op de merkwaardige muntomloop en onderlinge verhoudingen. Als iemand daar een oplossing voor zou geven dan zouden we meer kunnen zeggen over de Lex en de tijd van ontstaan. Deze munten kende men niet uit andere geschriften uit de Karolingische periode. Niettemin heeft niemand de passage gelezen of als onderzoeks opdracht beschouwd. In “Naar naam en Faam” heb ik van de onderlinge waarden een grafische voorstelling gegeven. Daar is een ander tijdperk aan te koppelen.

Alexander Ganze constateerde in een lezing op de Akademie op grond van het doornemen van enkele duizenden oorkonden dat de eerste oorkonde die in Friesland zelf geschreven is uit 1292 dateerde. Een massaal verlies van oorkonden voor die tijd, is gezien de geringe produktie onwaarschijnlijk en bovendien is deze geschreven in het Latijn, niet in het Fries. Toch blijkt Nijdam dit feit niet te kennen en plaatst een van de stukken toch maar weer rond het jaar 1000, waar hij kortgeleden van dat stuk nog zei: “rond 1200 in opbouw.” De correctie op die mening is mij niet bekend.

Rolf Bremmer professor Fries voor 0,1 fte en 0,9 fte voor Engels in Leiden die in die 1/10 baan evenveel uit de weg zette als de meeste heren op de Akademy alhier, had namelijk in “Hir is eskriven” gepleit, om het meest briljante Friese stuk rond 1200 te plaatsen. Mijns inziens 120 jaar te vroeg, maar sinds de verschijning in 2002, de eerste die zich losmaakte van Von Richthofen. Het betreft de “17Keuren”, dat als basis van de Friese Vrijheid gelden, maar het sluitstuk blijkt te zijn.

Het Friese vrijheidsprivilege uit een Hollands Falsum van 1319 heeft geen voorganger, zoals door Antheun Janse uit de doeken gedaan. Het wordt niet door Nijdam genoemd. Wel verkeren de Friese onderhandelaars in 1310 bij Willem III van Holland in de veronderstelling, dat ze een dergelijk privilege hebben gekregen. Emo van Wittewierum is er ooggetuige van, dat de stad Aken wel zo’n privilege kreeg, maar dat de Friezen slechts met “gunsten en eerbewijzen” huiswaarts trokken. Willem gaat er mee akkoord, maar het venijn schuilt in de staart van de overeenkomst: “voor zover ze dit kunnen bewijzen,” laat hij noteren. De eerste keer dat de Friezen er ook politiek notie van geven, dat ze menen vrij te zijn is pas hier in 1310.

Daar had het verhaal van Dr. H. Nijdam moeten beginnen, maar hij kende deze obstakels waar hij in zijn propaganda zonder meer overheen stapte, blijkbaar niet. De constatering van Ganse kende hij zeker niet, want die is door de ontbrekende man op deze lezing, Hans Mol, verdraaid tot: “natuurlijk konden de Friezen (voor1292) al schrijven.” G. de Langen toonde bijpassende beelden van enige snippers perkament die tegen de renaissance aanhingen. “Uit 1000” zei Nijdam.

Vervolgens draafde de inleider door over de Codexen waar die 17Keuren in staan, zes in getal, die hij dateerde in een reeks van 1250 tot en met 1430, telkens met een interval van pakweg 50 jaar. Hier stapt hij er met gemak over heen, dat de muntomloop ook zo ongeveer elke halve eeuw veranderde. Terwijl in elk van de 17 keuren de munten gelijk zijn en dezelfde benamingen hebben en dezelfde onderlinge waarde. Alweer: “Naar naam en faam”, een klein Fries muntboekje, had hem uit de droom kunnen helpen.

In zijn eigen publikatie “Lichaam, Eer en Recht,” blijkt hij ook niet op de hoogte te zijn wanneer er in Friesland voor het eerst Fries is geschreven. Het antwoord is: In Oost-Friesland in 1310 en en Westerlauwers Friesland in 1332 in een oorkonde. In zijn eigen werk, in de op schijf geleverde boetetaksen van de Hemmen en de Delen, mist hij dat er een vroeger moment is geweest, waarop de Friezen de ganzepen hanteerden in hun eigen taal. Namelijk in de kortste boetes van de Hemmen en de Delen, met name die waarin een verdubbeling optreedt. Een wonde: drie (engelse) sterlingen plus twee loonse. Twee wonden: zeven sterlingen en een loonse. Teruggerekend blijkt een engelse drie Loonse te zijn. En dat is dus hetzelfde tarief als in de (latijnse) Willekeuren van de Upstalboom van 1323, waarin wordt bepaald: drie Loonse voor een sterling. En dat in het FRIES geschreven!

Men had al deze auteurs kunnen kennen, men had beter kunnen weten en dan heb ik het nog alleen maar over een eigen publikatie gehad, namelijk het muntboekje. Toen dat eenmaal was gepubliceerd en (ook mijzelf) de samenhand duidelijk werd, kon ik meer zaken oplossen, die veelal in een vrijheids kader worden gezien. Ik nam de gehele periode op de schop in: “Een Mythe Ontmanteld”. Blijkbaar niet op “de akademy” gelezen. Daarna nam ik de 17Keuren nog eens op de schop en constateerde dat het een verzameling citaten was uit diverse oudere oorkonden, van meerdere Friese landen. Van de 17 keuren bleken 13 een eerdere vermelding gehad te hebben, meldde ik in “Nieuw Licht” (op de 17 keuren). De Fryske Akademy leeft alleen in zichtzelf en bij zijn eigen nationalisme en bij alles wat ze zelf produceert, ze durven niet uit het raam te kijken en veel verder komen hun resultaten ook niet. Ik als amateur vind dat te weinig. Ik heb me aan het eind van de lezing, in de discussie dan ook voorgesteld als iemand die hier genegeerd wordt, maar die wel bij U, het KNAW, een werkstuk op het web heeft staan.

Niet alleen op dit gebied maar ook op andere gebieden staat het er bij de Akademy slecht voor. Insiders spreken van meerdere gestopte projekten, waarvan “de Pleatsen Atlas” er een is. In tweederde van de gemeenten wachten de amateurs op de bewerking van de kadastrale en prekadastrale gegevens. Mocht u hier onderzoek naar willen doen en mocht u zelf geen referenties hebben die u kunnen inlichten, dan kunt u mij bereiken.

Hoogachtend,

J.Post;

Robinsonstraat 139, 8923 AN Leeuwarden

Tel: 058 267 25 13.

Waarvan een afschrift naar de Kommissaris des Konings in Friesland de Heer Arno Brok.

DE HEER BROK WAS WEL ZO BELEEFD OM EEN BRIEF TERUG TE SCHRIJVEN.

In het kort hield die in: ” geschiedenis is een discussie. “Mijn reaktie zal even kort zijn. Wie zoveel feiten als Nijdam negeert, zal eerst die feiten moeten opnemen en de problemen daarover oplossen, voor er gediscussieerd kan worden over de duiding van de verduisterde en niet gebruikte feiten.

VERWIJDERD: 6 ARTIKELEN VAN DE JANUARI- EDITIE.    zie Archief                                                               IDEM 5 ARTIKELEN VAN DE MEI -EDITIE.                zie Archief

OCTOBER EDITIE 2016: zie Archief. Ook naar “archief”overgebracht.

Bovenstaande titels komen overeen met de pagina’s in het menu.

PUTHAAK.

In de Friese wouden, maar ook elders in arme gebieden was het geregeld gewoonte om niet te trouwen. Nadat Napoleon de Burgerlijke stand had ingevoerd ging dat moeilijker. Bekend is het latere ritueel uit Harkema, waarvan wordt gezegd dat het bruidspaar naar Buitenpost liep terwijl de buren als een soort plicht even een nieuwe woning bouwden, die ze konden betrekken als ze van de formaliteit terug kwamen.  Voor 1811 moet dat anders gegaan zijn: wie niet kerkelijk trouwde moest op de een of andere manier toch een legitimatie hebben van de omgeving dat het stel getrouwd was. Daar was in de loop der tijd een bepaald ritueel ontstaan. Ik meen dat Rink van der Velde het zo beschreef: Een buurman of een dorpsoudste stelde het bruidspaar voor zich op en stak een stok, de puthaak genoemd tussen de beide a.s. echtelieden die elkaar over de stok heen de hand reikten, waarbij de buurman als cereminiemeester het een en ander zei. Waarna de getuigen applaudisseerden, juichten of zongen, al naar gelang de plaatselijke gewoonte. Die stok werd puthaak genoemd en het zou de stok zijn geweest waarmee men de emmer met water uit de put trok. Alleen, ik herinner even aan een plaat van Jetses, waarop zo’n put is afgebeeld, de stuk zat vast aan een soort giek. (De tekening werd overigens bij het dorp Een gemaakt waar het nu Amerika heet.) Werd die er wel afgehaald voor dit ritueel? De naam PUTHAAK lijkt me een verbastering van een ander voorwerp dat in de vroegere tijden wel los voorhanden was. Namelijk een POOTHAAK. Terwijl ik keek naar een documentaire over een kudde in Frankrijk zag ik het bedoelde apparaat terwijl het werd gebruikt. Het is een stok met een krul aan het eind, die op het eind net even van de stok afwijkt. Een schaap is moeilijk met de hand te pakken, maar op een plotselinge uitval van een stok met een haak, zijn ze niet bedacht. Is de haak eenmaal om een poot geslagen, dan doet het beest alle moeite zich er van te bevrijden. Net voldoende tijd om het schaap bij de wol te pakken en af te zonderen. Eenmaal hierop geattendeerd zag ik het apparaat nogmaals in een film van de Shetlands. De haak was daar wat groter en toen viel me op wat het eigenlijk was. Het was een primitieve staf, zoals een bisschop die had. Op twaalfde-eeuwse muntjes heeft een bisschop nog een staf als een poothaak in de hand. Pas later werd dit versierd met meerdere krullen. Toen kreeg het de vorm die iedereen ook de ongelovigen onder ons bekend is: de vorm van de staf van Sinterklaas.

Het merkwaardige van het trouwen over de puthaak/poothaak is de associatie met die van de herdersstaf. Het hoofd van de buurt of de familie had om het stel te trouwen, zich misschien uit traditie, misschien zonder het zelf te weten zich een kerkelijk attribuut toegeëigend dat van de bisschop was. Maar wat de bisschoppen zich misschien niet dagelijks realiseren is, dat ze zelf herder zijn, dat de vertaling van “bisschop” letterlijk “herder” is en dat het teken van hun waardigheid de  poothaak is, waarmee zij ongehoorzame leden van de kudde naar zich toe konden trekken. Alleen met zoveel krullen is hij al heel lang niet meer functioneel, maar nog steeds wel het symbool van hun nederige functie: herder van een kudde, met een attrubuut, in of aan zijn hand, waarmee hij weerspannige parochianen een pootje kon haken om hun vermanend toe te spreken.

2. Twee maal een reglement betreffende de Bureweide te Wier.  1567 en 1611. en een vervolg uit 1637.

  • Conditiën ende voirwairden gemaickt op te kerke ffenne leggende buyten dick opt Bilt toekommende de kercke bennen Wier als pachtenairs van ‘s] Conings wege grondhere van dien, alles in mannieren navolgende.
  • In den eersten, dat nymant in den voorschreven ffenne voir in toekomende tyden zal eenyghe grasinge, hebben bij wair saecke dat die opgelecht zall hebben aldereerst de huyre van den voorschreven grazinge verschenen ende dye noch ten achteren es.
  • Item, ten anderen dat voortaen voir yder koegrasinge zal betaelt worden drie carolus gld ’t stuck tot xx stuivers gerekent ende deselve te betalen tot alderhyligen oft te minste voor den beesten vuyt de voerschreven ffenne genomen ende geleid worden zonder daerinne te moegen slaan peert grasinge. By ffaulte van dien dat deselve de Koninklyke Majesteit voorschreven als gedepriveert ende versteecken zal zijn om enighe plaats te hebben in den v.s. ffenne ende vor dat men hem mach doen executeren met de deurwairder van de Koninklyke Majesteit Rentmeester tot zijn costen.
  • Dat de verhogingen ende verleegingen van de voernoemde drie carolus glds nu geset voir ijdere keer grasinge zall staen altijt tot veranderinge van den kerk voogden metter principale eygenaars der voorschreven dorps .
  •  Item, dat nymand van de geene die grasinge hebben in der voorschreven ffenne zal mogen met hem in neemen te weiden eenighe buyten dorpsche buyten koyen t’zij vrije oft andere, het zij oeck myt onledighe list buyten wille en consent van den v.s. kerkvoegden ende eigenerffden ende bij faute van dien dat hij daarom voortan nijmermeer enygge plaets zal hebben tot te grasinge van de v.s ffenne.
  • Alldus gesloten en geaccordeert als v.s. by ons Goslick Hiddema, Diorre Sipkes, Eerntze Harmans zoon, nu ter tijt wonende binnen Wier ende macht hebbende om op te v.s. fenne zulcke vs. ordonnantien te maycken; accorderende onsen hantschriften ende merck hier onder gestelt vuyth 23 aprilis Anno McXVCLXIII

Goslick Hiddema Diorre Sipkes en tekening van een fuik. (van Eerntze Harmens)

Tweede acte:

Also ick Johannes Saeckma Raed ordinaris in den Hove van Frieslant bij ampliatie (notarieel afschrift v.e. grosse = het voor de belanghebbende bestemde, eerst uitgegeven afschrift van een authentieke akte of vonnis) van den selven Hove den 10-en tegenwoordiger maend gegeven op den requeste van Ede Janszoon ende dorprechter ende kerckvoocht tot Wier gecommitteerd mede ware om ordre toe stellen ende helpen maken die tot conservatie ende behoudenisse van de buijrefenne aldaer soude mogen dienen. Ende Jacob Herckes ende Folckert Alberts als volmachten van de gemene grasgenoten in de selve fenne den 15e den voorschreven maents compareerd sijnde voor mij commissaris verclaert hadden geen ander last (opdracht) te hebben, dan te versoecken dat d’administratie der gemelte fenne conform voriger observantie (gebruik/beheer tot nu toe) wederom van de voorgeschreven patroon bij de kerckvoogd aengenomen mochte worden, is het dat ick om ’t selve poinct ende ’t gene meer mijne commissie (opdracht) mitbrenght eijndelijck t’effectueren, mij huijden, dato ondergeschreven op voirgaende nieuwe citatie hebbe gevouchd in de kercke van den voorgeschreven dorpe, alwaer voor mij compareerden (h)eerstelijk Jonker Andries van Hiddema voor hem ende vervangende sijne lantzaten (huurders;pachters), doch met Arijen Cornelis ende Jan Tiaerdts twee der selven in persoon, mitsgaders Sicke Claes, Claes Thonis; ende de voorgaande suppliant (die een verzoekschrift indient aan een overheidsorgaan) Ede Jans zoon geadsisteerd met Mr. Gerrijt Hardomans, zijn advocaat als besitters ende gebruijckers van de voerende (stemvoerend) ende schotschietende (boerderijen die voorkomen op het stemregister: tegen betaling van een zeker schot of belasting hadden ze het stemrecht in dorps- en grietenij en indirect in provinciale aangelegenheden) saten ende landen in den voorschreven dorpe. Sijnde Folckert Eernsties, niettegenstaende citatie hem in persone gedaen naer inholt des dorprechters relatie (verslag), op desen tijt evenwel uijtgebleven. Ende voorts dan metten voorgenoemde Hiddema ende andere comparanten gedelibereerd (besproken en besloten zijnde) zijnde op den besten voet, die men soude mogen nemen tot voorcominge van den ingeslopene ongeregeltheden ende die bij eenige grasgenoten selve gepleecht sijn geweest, tot grote beswarenisse van den gemeijnte: hebbe ick commissaris bij heure advijs ende goetvinden geconcipieerd (ontworpen) ende geraemd (beraamd)

de articulen navolgende:

( na een tussengevoegde losse, halve folio, die later volgt)

[pag. 335]

Vernieuwing van het contract van de Bureweide:

1.

In den eersten alsoe de heere Rentmeester mede difficulteert den overteijckeninge van den Patroon te doen, sal de administratie van der buijrefenne dies halven ende op de iterative instantie van de grasgenoten gedaen, continueren na voorgaende gebruijck ende blijven bij de kerkvoochd.

2.

Sal vor der jaerlijcx bij ijder van de grasgenoten te huijre betaelt worden vier goudguldens ende beneffens dien noch gedragen sijn aenpart van de geschenk welcke het Lantschap sal mogen vorderen.

3.

Niettemin de veranderinge, verhoginge ende veranderinge der huijren sal van tijd tot tijd staen ter discretie van de voorgenoemde Jonker Hiddema in der qualiteit als boven en de andere stemvoerende gemeentsluijden metten kerckvoochd.

4.

Wanneer de nood eenige slattinge vereijscht, sullen de grasgenoten dies gehouden sijn te doen man bij man ofte na de koe. ende inder gebrekigen plaetse sal de kerckvoochd sulcx te heuren costen te laten doen.

5.

In de Venne sullen geen peerden mogen scharren bij verlies van de grasinge. [pag 336.]

6.

Wijders sal oock niemant van de grasgenoten eenige buijtendorpse, te wat tijde het zij, noch oock andere familiën van den selve dorpe beneffens hen met hem mogen innemen sonder consent van de voorschreven Hiddema en de andere stemvoerende gemeensluijden bij poene van anders int geheel ende metterdaat van hunne grasinge gepriveerd te wesen.

7.

Den huijre, geschenck ende costen van slattinge sal een ijder van de grasgenoten voor, ofte ten langste bij het uijtslaen metterdaet gehouden wesen aen den kerckvoochd te betalen.

8.

Waarinne so iemand gebrekig valt ofte hem weijgerich stelt sal van de grasinge versteken wesen: ende een ander die gereed is den voorschreven huijr, geschenk ende vervallen oncosten reallijk te tellen (betalen) wederom bij de kerckvoochd in den vorigen plaetse toegelaten mogen worden.

9.

Ende, oft niemand gevonden werde die in plaetse van de faillant begeerde te comen, sal de kerckfoghet de grasinge tot profijt van den patroon verhuijren.

10.

Evenwel sal bij den deurwaerder van den comptoire der domeijnen oock de achterstallige huijr met de vordere dependentiën van den selve geëxecuteerd mogen worden.

[pag. 337 ]

11.

Maer hier onder worden nochtans niet begrepen de armen welcke bij permissie van de voorschreven jonker Hiddema ende andere stemvoerende gemeentsluijden nu in de buijrevenne eenige grasinge hebben ofte namaels mogen crijgen.

12.

Ende ten eijnde de kerckvoochd ten beter inhold van voorgeroerde artikelen moge effektueren als mede de onwillige defaillanten ofte contraventeurs te dwingen, sal deselve bij het uitslaen te sijnder adsistentie mogen nemen ofte gebruijcken den voorgeroerde deurwaerder der domeinen van den Hove, een gesworen bode, executeren van de grietenie ofte emant anders te sijnen believen.

Aldus gedaen ter plaetse voren verhaeld, desen 21-en aprilis 1611. In kennisse des voorschreven Joncker Hiddema voor hem ende sijn lantsaten, Sicke Claes ende Claes Thonis, Ede Janszoon ende advocaat Hardomans handen; beneffens mijns Commissaris hier onder gestelt.

Andries Hiddema Claes Thoenijs

Sicke Claes Ide Jans J. Saeckma G. Hardomans

(AANVULLING op dit reglement volgens extract van 25 febr. 1649 van de besluiten van maaert 1637; als volgt: op losse halve folio, zie hiervoor:)

Op huijden den 23-en marty 1637 Jonker Goslijck van Hiddema met de andere schotschietende ingeseetenen in onse kercke vergadert sijnde hebben goet gevonden ende geresolveert:

– Dat voortaen niemants van de grasgenooten onser buier fenne niet anders in de selve sullen mogen weyden als melck hooren beesten.

– Ende ofter emandt der selver grasgenoten ware die door onvermogen oft ander ongelegentheijdt geen melckbeest conde raaden (houden?) soo zal hij voor den jaer sonder langer die gerechichheijt van sijn gras beholden ende sullen die ander grasgenooten voor dat iaer soo veel te hoger quoteseert worden.

Accordeert desen met sijn principale articulen staende in het nijen kerckeboeck voorschreven dorprechter in Wier.

Actum als boven: Lourens Lourens Buiertie. ( EINDE aanvulling los blad)

Rechtstreeks uit het transcript van het boek gecopiëerd, J.P.

3. AUSTERTERP, HEERESTRAAT, OOSTERSTRAAT en omgeving in Leeuwarden.

Gedachten op een vroege ochtend.

Nog voor de zon op is ben ik al in de stad. Ik bezorg tegenwoordig kranten, dat is, zoals u zult begrijpen niet uit weelde. Ik moet ergens manieren vinden om de Fondsen de Neitiid te vullen voor grotere en betere uitgaven. Mijn bezorgwijkje ligt tussen de Voorstreek en de Oosterkade en de Tuinen en de Nieuweweg inclusief Oosterstraat, Weaze en Heerestraat. Op de Heerenstraat heb ik 5 adressen. Bij twee ervan moet ik drie treden om hoog, een tussenliggende stoep is mogelijk nog hoger. Als ik achter me kijk zie ik het provincie gebouw, er schemert iets van een laagliggende verdieping of een kelder. Het verschil in hoogte is nogal groot, die kelder zal wel uitgegraven zijn. Met mijn blik weer op de andere kant van de straat zie ik dat de huizen met de hoge stoepen geen kelderramen hebben, er is een klein luchtroostertje.  Ik denk dat de straat vroeger met een klein opstapje naar de drempel is geweest. De straat moet zo’n 50 tot 60 cm verlaagd zijn, is mijn conclusie. Vanaf de Korfmakers straat loopt de Heerestraat nog steeds flink op. Naar de Oosterstraat toe daalt de straat weer af. Een Auteur over het oude Leeuwarden heeft de onderlinge hoogte van de Leeuwarder terpen bepaald aan de hand van “putdekselmetingen”. Door na te gaan op welke hoogte het deksel in het wegdek ligt. Het cijfer voor de Heerestraat mag dan nog wel met 50m of 60 cm verhoogd worden. Al was de derde, feitelijk vierde terp vam Leeuwarden maar klein, in hoogte benadert hij de hoogte van Olde- en Nijehove.  Stond hier niet in een grijs verleden een stins van de Unia’s, die bij een van de vele oorlogjes tusen de Friese hoofdelingen werd vernietigd? Ik zou een verband leggen met de oorkondes uit 1435, toen Leeuwarden zichzelf vergrootte met een terrein ten oosten van de oude stad, over de Voorstreek gelegen. Bijna een verdubbeling van het grondgebied, dat in de loop van de tijd ook omgracht werd en van bolwerken voorzien, om niet onbeschermd tegen mogelijke vijanden te liggen. De bestaande interpretaties gaan ervan uit dat ook de Cammingha burg een halve kilometer verderop in het vervolg nu ook onder het stedelijk gebied zou vallen. Evenwel, hoe die grenzen dan liepen wordt niet beschreven. Misschien dat een herlezing van die drie oorkonden daar een ander licht op kan werpen. Mogelijk heeft Austerterp zoals de hoogte tussen de Voorstreek en de Heerestraat vroeger heette, daar nog een rol in gespeeld.

4.  DERDE KEUR van de 17 keuren.

Als publicist over oude Friese stukken ben ik autodidact. De meesten van  degenen die daar wel voor  hebben gestudeerd heb ik middels een toezending van een exemplaar (ditmaal van NIEUW LICHT op de 17 Keuren) op de hoogte gehouden. met wisselend succes. De meesten zwijgen en ook komen er geen discussies of studies meer in de Bladen, die het onderwerp van de 17Keuren aansnijden. De enige die op deze toezending reageerde was Meijering, en helaas, was die niet erg opbouwend. eigenlijk leek het er het meest op alsof hij in zijn eigen huis gekwetst was, over dingen die eeuwen eerder waren gebeurd, en waarover nu de grauwsluier was weggetrokken in een klap, van een met een groezelig doek omfloerste collectie rechtsregels die met een forse ruk in het dagelijks licht was onthuld en niet meer bleken dan citaten uit de literatuur, oorkonden wel te verstaan, waren ontleend en die nu glanzend in het volle licht van een heldere zon lagen te glinsteren en te schitteren. Het stuk was dus niet aangegroeid, het was al niet sinds 1200 in opbouw, het bleek in 1427 bijeengeraapt te zijn. De geleerden van focko ukena hadden goed werk geleverd. Waarom vraagt bijvoorbeeld en statenlid er niet naar, waarom de discussie zo plotseling is afgebroken, waarom er nu sprake is van de dertiende eeuw en niet meer van de elfde?

Ik kreeg wel een reaktie van Kees Kuiken in De Fryslân. Met het probleem van een van de laatste citaten werd daar met vlotte pen korte metten gemaakt. En wel met KEUR 3. Eigenlijk is deze keur, dit artikel de kern van de 17 keuren. Een Fries zal “unbirawed” op zijn eigen goed zitten. Ik citeerde daarbij een oorkonde uit 1399, waar dit woord in stond. Dat stuk waqs geschre3ven door de Hollandse kanselarij en lijkt in al zijn bewoordingen op een stuk vasn enige jaren eerder. Dat stuk is evenwel een stuk van Friese makelij, waarin zij stellen dat er nu een vrede is gesloten met de Hollanders, waarin de Friese rechtsvorm en een aantal typisch Friese rechtsregels door de Hollandse graaf erkend zou zijn. Want het stuk heeft alle kenmerken van een vervalsing. De Friezen hebben geen vrede met Albrecht gesloten. Wel is ABRECHT  telkens met nieuwe teksten en nieuwe voorwaarden gekomen. Wat uit het stuk dat ik gebruikte ook blijkt is, dat er in die tien jaren voor 1400 door de Friezen met de Hollanders onderhandeld is, en met grote frequentie. Want waar de Hollandse graaf (Albrecht) in het eerst volkomen voorbij gaat aan het bezit van de Friezen en hoe ze er aan zijn gekomen, maar nog meer dat het hun onvervreemdbaar eigendom is, blijkt in de tweede door mij geciteerde akte, dat de Friese bewoording in dit stuk uit 1399 is ingevoegd uit een (de ) vorige tekst, die, waar later, neem ik aan, het zogenaamde vredesverdrag of onderschikkings verdrag uit voort is gekomen. Nu suggereert Kees Kuiken in zijn kritiek dat ik een stuk citeer waarvan soms wordt gezegd, dat de bewerker- de grote Schwarzenbergh, de man van de zes oorkondenboeken – niet betrouwbaar zou zijn. Het is eerder zo, dat de interpretatie over de stukken die in deze tijd niet betrouwbaar is, wanneer ze worden gebruikt door tegenwoordige auteurs. Ik neem niet aan dat Kees Kuiken te kwader trouw is geweest en namens de gestudeerden uit de sectie OUD FRIES dit geschreven heeft, maar dat hij zelf meende een lek te vinden in de “unbirawed” passage. Kuiken en Ik Kees en Jan hebben hier enige weken later over gesproken en er daarna een op gedronken, chocomel wel te verstaan. Voor beide besprekers, er verscheen er ook een in It Beaken van Reints Faber had ik een goede fles wijn gekocht en zo gingen Kees en ik vol begrip voor elkaars kunde, kennis en standpunten uit elkaar: en olleke bollleke sol, de problemen waren weer uit onze bol.

5. De VEENCOMPAGNIE  van Watse Eelkes en Wabbe Wisses.

Deze twee veencompagnons hebben in Gorredjk een straatnaam gekregen. Al opereerden zij in een tijd dat de naam Gorredijk nog niet bestond. Ze exploiteerden veen in Kortezwaag. Dat was ongeveer in het jaar 1600, maar deze compagnons hadden een zekere pech, het slaagde hun niet om de doorgaande weg onder Kortezwaag door te graven, er een sluis te leggen en een brug te maken. Mr. W. Visscher noemt dat probleem in zijn grote werk over de vervening in Friesland wel, maar in te tekst noemt hij alleen de al bekende leden van deze compagnie en in de noten passeren nog enkele personen de revue, zonder dat duidelijk wordt welke leden de oorspronkelijke compagnie hadden. Visscher, zowel als Van der Molen wel de verkopers, meestal de kinderen en erfgenamen van de oorspronkelijke bezitters en aandeelhouders. Alleen Van der Molen las voor de familienaam Boner “bones,” wat de duidelijkheid duidelijk niet ten goede kwam.

Wat moet je dus doen in zo’n geval? De oorspronkelijke acte opzoeken. Het begind meteen goed in proclamatieboek 108 van Opsterland. Op folio 1 kopen A. van Wijkel en T. van Oenema 5/8e deel van de oude veencompagnie, op 19 februari 1629 ingeschreven. Ze kopen die van ten eerste: Watze Eelkes die het eerder gekocht had van Gerbrich Vincents dr, mogelijk familie van Vincent Gales en een van de vroegste voorouders van de Heloma’s. Deze Gerbrich was getrouwd met Frans Jans van Sneeck. Niet iemand uit de Friese stad, maar een burgemeester uit Utrecht. Dit 8e part was niet zijn enige bezit, hij bezat ook veen in een onderafdeling van de Dekama, Kuyck en Foeits venen onder Langezwaag in de z.g.n Medembliks compagnie.

Het tweede achtste part kochten Anne en Tiebbe, (van Wijkel en Oenema) van zekere Jan Hendriks dat afkomstig was van zijn vader Hendrik Jans – mogelijk een broer van Frans Jans en dus ook een Utrechtenaar, die waarschijnlijk ook in het Medembliks een deel had.

Het derde en het vierde achtste part was afkomstig van Suffridus Nijenhuis en His Sijmons dr. het werd verkocht door Evert Boner, (!) Douwe Boner, Ebeltie Boner, Symon Boner, Attie Boner en Wytske Boner. Voogd over twee van deze kinderen was Douwe Nijenhuis, die we in een proces uit 1607 genoemd vinden naast Watse Eelkes en Wabbe Wisses. Maar hij was geen eigenaar van een deel van de compagnie, iet wat in “Turf uit de Wouden “wel gesuggereerd wordt. De Gorredijksters zijn zo snugger geweest om geen straat naar hem te noemen.

Het vijfde 8e part kwam van Jacob Runia en At Runia, die gehuwd was met Jan Tiallinga. Zij hadden het geërfd van hun ouders Jacob Runia en Doetie Wijkel.

Op folio 62, het is dan mei 1629;  drie maanden later, koopt Anne van Wijkel nog eens een 8e part. Hij koopt dat van Cornelis Kinnema – v.d.Molen schrijft Binnema – en Trijntie Cornelis dr van Aengium, die weduwe was van Govert Tiepkes ( van Aengium) en die zo het zesde 8e deel had verkregen.

Op de volgende folio is op dezelfde datum nog een 8e part verkocht. Dat kochten ze van Gerit (!) Frans dr en Antie Frans dr., kinderen van Frans Jans zn. van Sneeck. Die dus net als Suffridus Nijenhuis twee achtste parten oftewel een vierde part had.  En samen, overbodig om te zeggen  de helft bezaten. Daarmee is het zevende achtste part ook opgespoord.

We kunnen het woonhuis van Frans Jans van Sneeck in Utrecht laten zien:

FOTO nog in te voegen. Het is het huis “Oudaen”

Het laatste achtste part kostte wat meer hoofdbrekens omdat de gegevens niet voor het oprapen liggen. Dat moet het deel van Wabbe Wisses geweest zijn. Deze was burgemeester in Leeuwarden en afkomstig van Opsterland, zijn vader was Wysse Waebes die hier grond bezat. Aangezien Wabbe Wisses niet getrouwd was, kwam zijn bezit bij verwanten terecht. Dat moet een nicht van hem geweest zijn, met de naam Aet Gatze dr.  Van der Molen noemt haar naam in een onduidelijke relatie en Visscher zegt in de voetnoot dat zij de nicht was van Wabbe Wisses.

Daarmee zijn alle acht delen van de oude Kortezwaagster Compagnie gevonden. Hoe het deel van Aet in de latere compagnie terecht is gekomen, blijft gissen. We moeten de mogelijkheid onder ogen zien dat dit via de van Wijkels was, die getrouwd waren aan de Fockensen en de van Teyens.

Anne van Wijckel en Tiberuis van Oenema van Oemea hadden  nu een weinig florissante boedel in handen. Te weten niet aangesneden en niet bereikbaar veen. Sinds het proces in 1607 bleef de Hogedijk, aangelegd door de eerste vervener van Burmania in 1552 liggen, zonder dat er een vaart door kwam. De vaart naar de Hogedijk, westelijk van de Nieuwe Weg, die bij het huis waar vele huisartsen hebben gewoond, aan de weg kwam, was 80 jaar lang niet onderhouden. Het leek de compagnons dan ook beter om een nieuwe vaart te graven, dan de oude uit te baggeren. Mogelijk wilden de heren ook een nieuwe vaart om de uitspraken en processen die met de oude sloot samen hingen, vermijden. Deze sloot kwam zo gezegd voor de Kromten in de oude EE, de nieuwe sloot begon aan het eind van de Kromten en werd zuidwaarts gegraven in de richting van de Hogeweg. Naar de plek waar nu de hoofdbrug ligt. Pas in 1640 horen we hier van een brug en bewoning, uiteraard een huis waar getapt werd. Na de aankoop heeft het nog tien jaar geduurd voor de Veenheren met het exploiteren van hun veen konden beginnen. Het verschijnen van deze brug, en naar valt aan te nemen ook de sluis en het huis, is de start van Gorredijk als plaats. Dat is 10 jaar later dan anderen hebben verwacht. Was de oude sloot nog bruikbaar geweest, dan had het centrum van Gorredijk zeker westelijker gelegen. Als we nog even vergelijken met de andere late veenkolonie in de buurt, Drachten, dan blijkt dat Gorredijk precies een jaar eerder was, dan de Passchier Bolleman doorgraving.

6. AFSCHEID PROF BREMMER.

Op 16 juli j.l nam prof Rolf Bremmer afscheid van zijn leerstoel Engels, waarin een/tiende voor het oud fries was opgenomen. Ons bereikte via een circulaire van de Fryske Akademy de mogelijkheid om dit bij te wonen. Dus schreven Nayad en ik ons in. dier Pieter en Frits bereikten we zonder problemen het gebouw waar het gebeuren plaats zou vinden. Aan het programma en aan het tijdsschema mankeerde niets, alles liep op rolletjes. De eerste spreker was mevrouw dr. Patrizia Lendinara, dien een lezing hield over compounds en isoglossen in verband met het oude Fries. Nu is er niet eerder in het Fries geschreven dan voor 1323, zoals ik elders bewees, maar voor de vergelijking van de gelijkenis tussen onze taal en andere talen doet dat weinig ter zake, het is het oudste wat we hebben. Volgende spreker was Drs. Popkema die aan de hand van een eigenlijk foutief gebonden voorblad kon de herkomst kon aantonen van een van de negen overgebleven exemplaren van het gedrukte Fries landrecht – ook wel Oude Druk genoemd. Namelijk uit de biblitheek van het hoofdelingen geslacht van Oldersum waar het in 1590 ( of iets later, mijn aantekeningen laten me in de steek,) aanwezig was. Helaas mij niet bekend toen ik een beschouwing over die Oude Druk heb uitgegeven. Na de thee/koffie ging Dr. Oebele Vries verder met voorbeelden van direkte rede in het oude Fries. Het is overigens wel opmerkelijk hoe omzichtig men tegenwoordig omspringt met de terminologie Oud Fries. nu is het Oud Fries, dan weer het Oude Fries of het oudste Fries en nu er voorbeelden van na 1500 werden aangehaald, sprak van enkele relatief late voorbeelden van het oud fries. Je vraagt je daarbij af of de bestaande definitie over het oud Fries nog wel dekkend is. Zijn lezing werd gevolgd door Dr. Mirjam Marti uit Zürich die sprak over de patronen die de woordschepping in de vroege fase volgde voor “agent nouns”. Duidelijk niet mijn specialisme. Wat overigens wel opviel was dat deze lezing in keurig en verstaanbaar Engels ging terwijl de eerdere sprekers, ook de Friezen, wel heel speciale klankvormingen hadden, waardoor het in sommige regels pas twee regels later duidelijk werd wat het misvormde woord of klankgroep was. Na nog een pauze begaven wij, Nayad en Ik ons naar het groot Auditorium. Het college bestuurders, hoogleraren en bestuur van de Akademie, waaronder de 0,1 leerstoel viel, schoof met toga en baret de zaal in. Toen kwam de afscheidslezing van Bremmer. Hij vertelde in een kort en strak overzicht wat er in zijn tijd zoal gedaan was op “it mêd” van het Fries en zijn eigen rol daarin. Halverwege de lezing begreep ik waarom ik was uitgenodigd. De rij vorsten en koningen, gaf hij aan, als gekomen uit de toendertijd gangbare kronieken,( conclusie 2, van mij afkomstig) en dat deze reeks de rechtvaardiging was dat de Friezen daarom ook zelf hun eigen recht konden maken. (mijn hoofdconclusie in Nieuw Licht, conclusie 1) Waarbij het beroep op Karel de Grote niet meer dan een gemaakt historische grondslag was. Wat Bremmer als ook theologisch geschoolde in dit geval voor het eerst uitsprak was de aan de reeks koningen en keizers voorafgaande premisse: dat God hun (ik denk zowel de Koningen als de Friezen) aan de basis van van het Recht stonden. Inderdaad, daar ben ik teveel heiden voor. Misschien was een andere reden om me uit te nodigen de dateringskwestie van de 17 Keuren. Sinds Bremmer dit aan de voorwaarden op hing, die nodig zijn om te schrijven, kwam er 1 1/2 jaar later een publikatie uit, die van elk van de keuren nawees waar deze eerder was gebruikt en zag dat het stuk voor stuk ontleningen waren. Waarvan de laatste ontlening in 1427 was. De kritiek die eerst boven zijn hoofd had gehangen, woei nu naar die andere auteur en ontlaadde zich boven dat hoofd. Al met al  was een geslaagde dag, voor hen  die dit organiseerden, voor de bezoekers en voor Bremmer zelf.