DE AGRIPPIJNSE PENNING

DE AGRIPPIJNSE PENNING

Naarmate je meer dingen ontrafelt over bepaalde zaken, des te meer andere zaken er naar boven komen, die ook in het licht van die ontrafeling komen te staan en ook vragen om een oplossing. Neem bijvoorbeeld het door velen nog steeds als mysterie geziene stuk de 17Keuren. Het is overigens maar welke gedachten je over het stuk hebt, dat de mate van mysterie bepaalt. Twee euwen lang heeft men gedacht dat het stuk rond het jaar 1000 is ontstaan. Veel meer dan suggesties hebben de nieuwsgierigen uit de nationalistische school daarover niet naar voren kunnen brengen. Een paar jaar geleden bleek dat dertien van de 17 keuren letterlijke citaten of omwerkingen zijn van oorkonden uit de Friese landen. Waarvan de oudste uit 1275 is en de laatste uit 1427. Met daartussen allerlei jaartallen, waaronder de keur die zo zeer op het bezit van eigendom de nadruk legt – keur 3. De heer Kuiken nam het tegen mij op, maar intussen zijn we het wel eens dat hij naar de vroegste tekst verwees en ik naar een latere waar die keur drie letterlijk staat. We concludeerden daarmee dat er nog in 1399 tijdens de dreigende inval van Albrecht van Beieren nog druk onderhandeld is over de voorwaarde waarop de Friezen zich onder zijn juk wilde schikken. De andere 12 ontleningen zijn door niemand bestreden, voor de specialisten op dit Zeventien Keuren gebied is zit zulk een afwijkend resultaat, dat ze niet in staat zijn te reageren. Degene die mij er in zijn werk op wees dat ik geen oude paden moest betreden was Rolf Bremmer, die zich concentreerde op de voorwaarden die er nodig waren om tot schrijven te komen. Hij zocht in de omgeving van Stavoren en niet voor 1200, wat nog driekwart eeuw voor de eerste ontlening is.

In “Een Mythe Ontmanteld” signaleerd ik day delen uit de zogenaamde proloog rechtstreekse ontleningen waren uit werken die in de veertiende en vijftiende eeuw dateerden. ( “Mythe en “” Nieuw Licht.” ) Dat waren meer narratieve of belerende bronnnen van internationale aard, waar niets Fries aan was. Maar ik in de 17Keuren is zo’n ontlening uit een verhalende/belerende bron te vinden: dat is de passage over de AGRIPPIJNSE PENNING. Je kunt je af vragen hoe een stukje geschiedenis uit de Reomeinse tijd in dit middeleeuwse stuk terecht komt, als je ook de herkomst uit zo’n bron verwerpt. Keulen lijkt er met de haren bij gesleept. En de geschiedkundige feiten zijn in de tegenwoordige optiek niet meer juist. Door een verbinding met de mythologische munters Rednath en Canga, wordt dit in het Friese kader getrokken. De Fivelgoose versie betrekt er ook een zekere Fooka in, waarmee het toen eigentijdse heerschap Focko Ukena bedoeld wordt. Om te te weten waarom Keulen in dit stuk voorkomt moeten we iets weten van de geschiedenis van het wegen en van het het standaard gewicht dat bij het aanmunten van geld werd gebruikt.

Na het jaar 1000 raakte het muntwezen in het ongerede. De munten werden kleiner in de inhoud aan edel metaal liep terug. Verschillende heerschoppen maar ook steden begonnen op eigen houtje te munten. De handel die wel bij de gewichten uit de tijd van Karel de Grote bleef had nadeel van de verslechterde munten. Het standaard gewicht werd in die dagen het Troyes gewicht genoemd, naar de jaarmarkten in dat gebied, ten noorden van Frankrijk. In het Rijnland was een kink in de kabel gekomen: daar was het handelsgewicht naar beneden bijgesteld van 12 naar 8 onzen en in enkele gevallen nog minder. Halverwege de veertiende eeuw beleefde de Rijnstreek een opgang en werd het gewicht weer naar boven bijgesteld. Het gevolg was dat Het Keulse pond rond het jaar 1400 zo’n 50 gram zwaarder bleek te zijn dan het Troysche pond. In 1364 bepaalt de stad den Briel dat er in het vervolg met het Keuls gewicht zal worden gewerkt. (Zeve3nboom/ Wittop Koning; pag. 9) In het noorden is er een halve eeuw het streven merkbaar, dat de munters ook met het Keuls gewicht moeten werken.

Daarmee was voor de munters, muntheren en vooral de muntmeesters een probleem gerezen. Moesten er nu munten volgens het oude Troysche systeem worden geslagen of volgens het Keulse?

We moeten hieruit opmaken dat deze passage over de Keulse munt, niet voor 1364 in deze Friese teksten terecht kan zijn gekomen. Voor een paar van die teksten mag dat merkwaardig heten, want die worden vroeger gedateerd. Die zouden objektief gezien deze Keulse passage niet in hun teksten kunnen hebben. Omdat ze wel in alle zeven originele teksten staan, blijkt de theorie over de verschillende ouderdom van de teksten niet kunnen kloppen. Deze vrij late doordringing van het Keulse systeem in de Friese landen had wel een reden. In de Friese landen werd niet gemunt, ze waren afhankelijk wat enige steden in de buurt en aanpalende streken aan munten leverden. En de zeven landen van de 17Keuren zeiden op deze manier dat ze munten van de beste kwaliteit graag in hun landen zagen. Hoewel er geen vast jaartal is te geven wanneer er in de Friese gebieden voor het eerst met Keuls gewicht wordt gewogen en in navolging daarvan ook wordt gerekend, is het duidelijk dat dit in geen geval voor 1364 is geweest. In die zin past deze ontlening ook tussen de overgenomen passages uit andere vaak niet in de codexen opgenomen oude Friese wetten. De “kreet” om het Keulse pond te gebruiken ook bij de betalingen, is in dit latere tijdperk geen loze. Wil men dat voor 1364 plaatsen, Dan zullen er heel wat inmiddels vaststaande feiten moeten worden genegeerd. Zoals Nijdam onlangs, nu de Friesistiek de hete adem van Bremmer niet meer in de nek heeft, de datering van 1200 zonder verdere wetenschappelijke onderbouwing weer terug draaide naar het jaar 1000. Blijkbaar verwisselt dit soort wetenschappers het begrip “ratio” maar al te graag voor “natio”. Met ratio kan het voorkomen van de Keulse Munt worden goed worden verklaard. Ik ben benieuwd of de andere visie (natio) er in het geheel wel uitleg voor heeft. Het is al met al te veel geredekavel over een verwijzing naar een munt die niemand ooit heeft gezien, omdat het geen munt uit Keulen maar een kwestie van bepaling van massa edel metaal en in de handel een kwestie de te gebruiken gewichten betreffende. Het hoogtepunt over deze zaak ligt dichter bij het midden van de vijftiende eeuw en is zelfs nog in de 16e eeuw voortgezet. Het geval in Brielle is een eerste geval en voor dat het deze noordelijke gebieden bereikt heeft, zal daar zeker een halve of driekwart eeuw overheen zijn gegaan.

LITT: Zevenboom en Wittop Koning: Nederlandse Gewichten.

J.Post: Een Mythe Ontmanteld. en Nieuw Licht (op de 17 Keuren.)