Marne, vooruitgelopen op een nader onderzoek door werkgroepen aldaar.

MARNE, DIJKEN, STRANDWALLEN, HELE EN HALVE HALSBANDEN.

Meer dan 15 jaar geleden heb ik in het Werkverband van de Frieske Akademie geregeld gepleit en opgeroepen voor een werkgroep “Dijkwacht” omdat vooral na de tachtiger jaren in Friesland circa 30 kilometer historische dijken zijn verdwenen. Voornamelijk omdat ze niet herkend werden als dijk. Ze zijn zonder ze te dokumenteren en te onderzoeken platgeschoven en vernietigd. Een roemloos einde voor enkele zeer bijzondere van onze “wormvormige” pyramiden. Het grote probleem was, dat men geen relatie kon leggen tussen vorm, voorkomen en in welke tijd ze zeewerend waren geweest.

Wat betreft de Peinjumer Halsband lijkt het tij nu gekeerd, verneem ik in een artikel van Martijn Horst in het Historisch Geografisch Tijdschrift. Nu heb ik over deze en belendende dijken enkele malen gepubliceerd. Laatstelijk in “Wonseradeel, het verhaal van een gemeente”. Ik verwonder me er over dat dat niet in de literatuurlijst is meegenomen. Jammergenoeg zijn er er door de eindredakteur van de uitgave enige verwijzingen in de tekst zijn opgenomen, zogenaamd voor de leesbaarheid, die helaas niet uitblinken door bekendheid met de materie. Dat terzijde, ik heb wel Krabbendijke aangehaald, maar niet de meisjesnaam uit het bijbehorende liedje. Evenmin is de eindredakteur er mee op de hoogte geweest dat het begrip “Memmepolders” een uitvinding is van de ingenieurs Rienks en Walther en dateert uit de tijd van de jaren veertig van de vorige eeuw, toen zij hun “Binnendiken” schreven. Een term die niets te maken hebben met “moer”, dat de redakteur Kl. Jansma de beide ingenieurs in de schoenen schuift.

Laten we beginnen met de constatering dat de inpoldering van de Marne tussen Bolsward en het Zand bij Pingjum kan worden opgehangen tussen twee jaartallen, waar precies een eeuw tussen ligt. In 1403 worden de Marne zijlen bij Bolsward gemaakt. In 1504 mogen de monniken van het klooster het Zand niet op de dijk rijden. Dat was het einde van deze roemruchte zeearm, die in de Frankische tijd Westergoo tot een eiland maakte, door zijn verbinding met de Middelzee. 1) In de uitgave van “Hoogte op Kleur” lezen we verder, dat via de vele geulen die het gebied doorsneden het bij vloed veranderde in een archipel van eilanden. Het is de vraag of al sinds de elfde eeuw de Marne en de Middelzee al begonnen zijn dicht te slibben en zeker niet in de kustgebieden.

Doctor Herre Halbertsma schreef mij, dat Rienks en Walther zich baseerden op de onderzoekingen van Braat, die alles 200 jaar te vroeg stelde. Deze constatering van Halbertsma is evenwel nooit meegenomen in een publikatie. Het wil wel zeggen dat de geschiedenis van de bedijking later begint. Daarbij moet men ook rekening houden met de stelregel van Obreen: de bedijking geschiedt van binnen naar buiten. Voeg daar de stelregel van Rienks en Walther aan toe, dat jongere dijken op oudere dijken aansluiten. Behalve, daar, waar “hoge wallen” waren en geen dijken nodig waren. Ik voeg daar aan toe, een afsluitende dijk heeft aan de voorzijde zichtbare opslibbing, aan de achterzijde het oude geulen landschap. Een aanwijzing dat het allemaal wat later op gang gekomen is, is het bericht van Hamburgers, die in Westergoo op de Magna Fossa zijn beroofd in 1299, een eeuw voordat er sprake is van zijlen bij Bolsward. Die “Groote Schloot” – het stuk is behalve in het latijn ook in een wat oude vertaling overgeleverd- is waarschijnlijk een andere dan de Middelzee – Marne verbinding. Ik ben geneigd die te zoeken in de voormalige nogal rechte rechte geul tussen Winsum en Oosterlittens, die op de geologische kaart goed te zien is. Wie visueel is ingesteld moet op de Weakenser brêgem gaan staan. Dan ziet hij rechts langs de vaart een lagere kamp liggen die zich in de richting van Oosterlittens uitstrekt. Mooi en bijkans recht dus in feite de letterlijke definitie van sloot.

Laten we beginnen in 1402/03, toen de Marnezijl bij Bolsward en de Eksmoarster zijl werden gezet. Het overtollige water dat eerst gewoon via de Marne werd geloosd, werd in het vervolg gelosd via Makkum. Daarmee was de open verbinding van de Hanzestad met de zee afgesloten. Boven Bolsward vinden we de volgende afsluitingen van de Marne: Bij het verlengde van de dijk om de Schraarderhem heen. Evenwel is de afsluitdijk anders van vorm dan de omringdijk. Blijkbaar is deze pas later door de geul gelegd, vrij snel na de bouw van de zijl bij Bolsward. Het stuk bezuiden de “dam” bij Schraard is namelijk nauweliks opgeslibd. Deze dijk signaleerde Horst in zijn artikel niet, waarschijnlijk lag hij buiten het blikveld van de Halsband. Maar voor de bepaling van een tijdpad hoe de Marne werd ingedamd is hij eigenlijk wel essentieel. De volgende dijk, de “achteromdijk” van de Halsbân signaleerde hij wel. Maar zoals we nog zullen zien werd deze achteromdijk pas nodig toen de inpoldering van de Marne nog verder voortschreed.

Schraard had namelijk aan de Marne zijde geen dijken. Die wal was op zich hoog genoeg. Zo ook bij Pingjum, daar was de Rige hoog genoeg, aan die zijde had de samenleving geen behoefte aan een dijk. En als het al eens erg was, dan waren er in het gebied nog zes kleinere terpjes. Ik heb in vorige artikelen dit gebied dan ook het “Eiland van Pingjum” genoemd. Rienks en Walther geven dit aan als een polder en als polderdijken. Inspectie ter plaatse, dus op de Rige, maakt duidelijk dat daar geen dijken zijn geweest. De weg van Witmarsum naar Pingjum, door de voormalige geul op het eind van de Halsband, heeft geen primaire dijkskenmerken. Ook is er aan beide zijden een gelijke aanslibbing, de weg is dus over al bestaande kwelder aangelegd en pas bij latere opsplitsing tot een scheiding tussen twee verschillende delen van de oorspronkelijke polder geworden. Ook de hogere wal waarop Witmarsum lag had geen dijk nodig, wel het achterland, dat Oosthemmer Polder wordt genoemd. Tussen Witmarsum en Arum lag nog een eerdere vloedgeul bij de Grauwe Kat, die de hoge wal even onderbrak. Het dichtslibben van de hier al bredere Marne, zal de Arumers er toe gebracht hebben om hun “Nieuwland” in te polderen. Ten zuiden van de Grauwe Kat legde men een dijk langs bestaande verkaveling tot bijna aan de laatste rest van de vloedgeul die Pingjum van Arum en Witmarsum scheidde. Daarna volgde men de min of meer gerectificeerde geul die van de Grauwe Kat kwam, tot men weer op een hoger perceel in het nieuwland kwam, die onmiskenbaar onder Pingjum hoorde. 2) En de dijkbouwers legden van daar een verbinding met het oude land en met een dijk die daar al langer lang: de Arumer Griene dyk.

Blijkbaar boterde het niet zo tussen de Pingjumers en de Arumers, want als men slim was geweest dan had men de dijk gezamenlijk kunnen aanleggen door de gehele voormalige Marnegeul. Aangezien de dijk vanaf Pingjum niet recht op de dijk van de Arumers werd aangesloten, moeten de Pingjumers pas na de aanleg van deze nieuwe dijk, thans Schutteldijk genoemd, hun weg of dijk, vanaf Hania hebben aangesloten. 3) Zo kreeg Pingjum wel zijn deel van het nieuwland. Deze dijk is waarschijnlijk nog een keer doorgebroken want het op het punt waar de uitwatering door de dijk ging (gaat) kent men de naam de Brake Pijp. Blijkbaar is de aanslibbing hierna nog sneller gegaan. En omdat Pingjum nu Kimswerd tegenover zich had, heeft Pingjum het initiatief genomen om met de inpoldering door te gaan. Vanaf de Brake pijp, het midden van de slenk, legden ze vanaf de Wiken een dijk naar het westen, om de Wiken heen, om daarna de dijk terug te verleggen om de Blokken heen. Wie hier gaat kijken vindt geen rest van een dijk tussen de twee aanhechtings punten. Rienks en Walther hebben dit betheoretiseerd, maar ze zijn er niet wezen kijken. Dit nieuwe stuk dijk eindigde weer bij een te maken dwarsdijk. De kaart bij Rienks en Walther op pag. 118 meent dat deze dijk doorliep, een even fout beeld als op kaart 117 in hun Atlas, waar ze het grillig aangehechte stuk dijk naar de Skutteldyk in het geheel niet tekenen. Waar aan het andere eind deze dijk wel recht op de Arumer Griene Dijk aan sluit. Als we nu we weer terug zijn op de hoge wal, dan gaan van vanaf de plaats van het vroegere klooster het Zand zuidwaarts tot bijna aan Zurich toe. Daar, niet ver van de tegenwoordige zeedijk ging de dijk, die het Pingjumer achterland beschermde grillig verder in de richting Witmarsum. Blijkbaar was deze “achterdijk” pas nodig toen men de voorzijde met vrij stevige dijken had beschermd. Deze dijk is namelijk van een nieuwer type, zoals in “Veldschattingen” blijkt. Hij zal dus pas later zijn aangelegd in verband met vrees dat de dijk bij Zurich, altijd al een kwetsbaar punt, zou doorbreken. En de verbinding door de geul naar Witmarsum was het logische, maar latere, vervolg ervan.

In verband met de veronderstelde duizendjarigheid van de Pingjumer Halsband moet ik nog op mijn onderzoek, met de naam Veldschattingen wijzen, dat in kopie bij het RWE in Amersfoort ligt. In de loop der tijden heeft de vorm van de dijken een ontwikkeling doorgemaakt. De eerste en oudste dijken waren laag, plat en breed. Deze werden opgehoogd, of latere werden gemaakt waarbij de zijden langzaam oplopen en een ronde kruin krijgen. Pas het type van de Arumer Griene Dyk heeft een zeewerende en een naar binnen “vallende” zijde. Naar buiten toe halfrond met een vlakke kruin, aan de binnenzijde enigszins hol. De nog nieuwere dijken hebben het trapezoïde model, een omgekeerde trog, als kenmerk. Het is nu juist het trog model waar we over spreken, als we het hebben over achterdijk van de Pingjumer Halsband.

Hulde!

Het is een fantastisch idee, dat de gemeente Zuidwest Friesland zijn oude dijken wil herstellen, zoals in de provincie Groningen al een jaar of 20 gebeurt. Het verhaal dat deze dijk een historie van 1000 jaar zou hebben was een reden om er aan te beginnen. Het is goed, zoals Horst beschrijft, daar onderzoek naar te doen, door ze met boringen te onderzoeken. Het kan leiden tot een betere visie op het samenhangende geheel van de dijken in dit deel van Westergoo. Ondanks het baanbrekende werk van Rienks en Walther, hebben dezen voor dit gebied geen goed samenhangend beeld geschetst, ze hebben bij tijden zelfs een onjuist beeld gegeven. Anders was bijvoorbeeld, bij de ruilverkaveling in de tachtiger jaren, de Exmoarster wal niet zonder onderzoek geëgaliseerd, men heeft dat niet gedaan, of deze dijk gespaard, omdat die wal bij hen ontbreekt. De beide ingenieurs waren met de toen ter beschikking staande kennis niet in staat, dit in hun alles omvattende plan onder te brengen. Zo kon men de tekst in overeenstemming met de conclusies, vanwege het citaat uit een oude Friese rechtstekst, 4) die ook veel te oud geschat is: “die Goudene Hoep die omme al Frieslandt is….” zoals ze hun boek schrijven. Op misschien de Middelzee na, eerst niet bedijkt, die zij in een keer droog lieten vallen, maar waar inmiddels minstens een stuk of vijf dwarsdijken zijn herkend, waarvan ik eerst drie en later nog de Tjessingadijk heb beschreven. (Zie: litt. bij *3) Wat betreft het oude Schoutenrecht, waarin dijken worden genoemd, dit stuk is numismatisch te plaatsen rond 1350 en niet twee eeuwen eerder. In Friesland blijkt de ene te vroege datering de andere mee te slepen in daardoor moeilijk te ontrafelen historische kwesties.

J. Post.

NOTEN:

1) Op pag. 50 van de Hoogte op Kleur staat dit citaat: de verbinding had tot gevolg dat de landstreek Westergoo geheel door water was omgeven, Via de vele geulen veranderde het gebied bij vloed in een archipel van eilanden.

2) Zie de kaart op pag. 51 van Hoogte op Kleur.

3) Dat dit inderdaad het werk van Arumers is gewesst blijkt daar uit, dat de dijk oorspronkelijk werd beheerd door de Kerk van Arum. Bij de invoering van het kadaster werd het eigendom op naam van de kerk geboekt, de plaats waar vanouds dit soort zaken werden geregeld. Pingjum heeft geen zeggenschap en ook geen aandeel in het maken gehad. Op pag. 123 van de Atlas van Binnendiken wordt de dijk van de Skutteldijk naar Witmarsum als een jonger deel aan gegeven. Dat is merkwaardig, daar de zwaarte en de constructie dezelfde is. Ten tweede: waarom zou er in een reeds bedijkt deel van de Marne een nieuwe “afsluitdijk” moeten worden gemaakt?

4) Het betreft hier geen Westerlauwerse tekst, maar een uit Riustringen, Oost Friesland.

LITERATUUR:

Westerink, Boer en v.d.Wetering: Hoogte op kleur. De Noord Nederlandse landschappen verklaard.

Het verhaal van Wûnseradiel. J.Post pag 57 e.v. [ Eindredaktie: Klaas Jansma.]

En losse artikelen van mijn hand in: Leovardia 2003 nummer 12. De Tjessingadijk (bij Leeuwarden.) Met modellen van een oude en een jonge dijk. *3

Veldschattingen van Dijken: ca. 300 in het veld – half geschat, half gemeten dijken.

De Neitiid: 1987 no. 1 pag. 10. e.v. Dijken in de Middag. (Groningen)

,, 1987 no. 2 pag. 43. Dijken in de Middelzee. (Niet bij Rienks en Walther.) *3

,, 1988 no. 4 pag. 25. Vergelijking Fivel boezem en Peasens boezem.

,, 1989 no. 1 pag. 16. Het Kimster gat, opbouw Zeepolders in de Marne.

,, 1990 no. 1 pag. 30. Het Dongermuntse Zijlvest (en andere polders boven Dokkum)

,, 1990 no. 4 pag. 4. Bespreking Slachte in de reeks: Monument van de maand.

,, 1994 no. 4 pag. 22. De Sok fan de âld Hoas – aanslibbing en dijken in het zuidelijke deel van de Middelzee.

,, 1994 no. 4 pag. 27 Polders die niet bestaan. J.A Mol ontmaskerd. Dijken tussen Middelzee en Marne.