OUDE FRIESE WETTEN

Iemand speelt me de cursus van de Senioren Academie in Groningen in handen. In een van de cursusdelen word ik genoemd. De kritiek die daar gegeven wordt is niet zo positief. Ik zou slordig citeren. Ik zou zinnen half afmaken en me van een moeilijk zeg half begrepen jargon te bedienen. Zo makkelijk was dat allemaal niet. Want mijn voorgangers waren nogal geleerd, en hadden het terrein van de studie van de oude Friese stukken voor zichzelf verkaveld. De studie was vooral door juridisch opgeleiden gedaan, die geen enkele relatie hadden gelegd met de dagen dat de wetstekst was opgesteld en hoe dat functioneerde.

Laat nu iemand die geen OUD FRIES had gestudeerd zich nu met die dingen gaan bezig houden, door ze te vertalen in gewoon nederlands en soms ook in hedendaags fries. Blijkbaar was dat de bedoeling niet, want daarmee werd de schatkist der klassisten geopend met een blikopener: het bleek niet meer dan een half vergaan blikken busje te zijn. De inleider erkent dat in zekere zin ook. Hij herhaalt wat ik heb gevonden: dat het begin van de rechtspraktijk in de oude stukken nogal humaan is: men kent geen doodstraf, wel: dat lit bij den lijve. Dus als er dan iemand om zeep ging kon de dader dezelfde straf krijgen. Dit soort conclusies hadden de juristen met hun sacrale visie op de oude stukken nog nooit getrokken. En dat gewoon door die stukken te vertalen.

In het boekje waar het over gaat, NOVA TERRA had ik vijf oude westerkwartierse wetten verzameld. Nu ik hier 30 jaar later over nadenk, weet ik dat ik lang niet alles wat ik nu weet en zelf heb ontdekt goed heb verwoord. Zeker is wel dat ik de stukken nauwkeurig en volledig heb overgetypt. Dus als dat slordig citeren heet, dan heeft de kritikus in het Westerwoldse Bokkeblaadje blijkbaar andere publikaties van mijn hand voor zich gehad. Ook sta ik nu niet meer achter de volgorde van het voorkomen van de functionarissen in die stukken en de vergelijking met de Westerlauwerse stukken. Ik heb dat later in Een Mythe Ontmanteld opnieuw beschouwd en ben daar tot de conclusie gekomen dat de ASEGA en de FRANA fremdkörper zijn in het geheel van de Friese wetten.

Wat is namelijk het geval: ik heb ondertussen door vertalen en vergelijken gevonden, dat het eerste en enige stuk waarin de Asega en de Frana voorkomen De Schoutenrechten zijn. Ik werd daarop attent gemaakt door een studie van prof. N.E.Algra, geheten Dat Register Oest Friesland ( ik hoop dat ik dit goed citeer, dan heb ik wat kruit over voor de inleider van de Senioren academie, die de Lex Frisionum uitscheldt voor Lex FrisioRum.) Toen ik “de Mythe…” maakte wist ik nog niet waar de sleutel om het stuk te dateren precies lag. Dat die in de numismatiek zit daar was ik wel zeker van, maar ik vond geen handvat tot de datering tot drie jaar geleden. Nu ik dit wel weet kan ik dit met 100% zekerheid zeggen. De Schoutenrechten werden in 1358 meegenomen uit Medemblik toen de Friezen de onderhandelingen met de leden van de Grafelijke Raad van Holland staakten. Omdat hun mandaat zo ver niet ging. De schoutenrechten zijn stukken met Hollandse herkomst. En daar was Prof. Algra, met wie ik wel correspondeerde tot zijn vrij plotseling overlijden nog niet opgekomen. We hadden daar samen uit kunnen komen, maar helaas. In het verdere relaas van het Register Oost Friesland – laten we het eenvoudig houden, blijkt dat de Friezen het zouden verbeteren, en het terug zouden brengen. Dat was in 1368 nog steeds niet gebeurd. Maar dat was wel het moment dat de wapenstilstand tussen Holland en Friesland die in 1348, na het smadelijk verlies van Graaf Willem IV bij Warns was gesloten zo verlopen.

Als je een jaartallenlijst een meetinstrument noemt dan hadden we twee jaren waartussen het Schoutenrecht kon worden geplaatst. Verder bevestiging vond ik in de merkwaardige bepaling van een van de boetes. In de reeks van: 8 ponden 10 onzen en 13 1/3 penningen bleek de sleutel te liggen. Een pond is namelijk 20 stuivers, een ons is 16 stuivers en een penning is 12 stuivers. Bij v.d Chijs, Dupessij en wederom bij v.d. Chijs afgebeeld, en wel voor dat Albrecht dan Beieren in holland aan de macht kwam. 8 ponden was 160 stuivers, 10 onzen ook en 13 1/3 penning eveneens. Het is dus geen optelling, zoals ik het de Friese akademicie in navolging van D.J.Henstra heb zien doen. Het is over alle delen van Friesland, wat de courante munt ook was, een zetelaar, een schild of een langskonk, telkens 160 stuivers. Enige jaren nadat Albrecht aan de macht kwam sloeg hij meer en ndere munten. Daarmee was dus het eerste optreden van Asegaa en Frana vastgelegd. In of weinig na 1358

Het geraaskal in de studiemap kende ik ook uit een andere hoek: namelijk een brief die H. Meijering me schreef. Ook daar slechte aanhalingen en het hakken tegen de Fryske Akademie en de wijze waarop zij geschiedenis beoefenen. zonder empirische schalen, tijdsbalken goede paleografische kennis . Op dit laatste heb ik het boekje nog eens nagekeken. Op de een na laatste bladzijde noem ik het instituut, zonder boze of kwaadaardige uitval.

Ik begri8jp nun na 30 jaar waar hem de laars wrong: ik had me op een terrein begeven dat anderen voor zich hadden gereserveerd. Waar sinds Von Richthofen weinig houvast was verkregen over de aard en de ouderdom van de teksten lukte het een buitenstaander toch. Naar ik zie gebrekkig, iets wat ik met zekere vasthoudendheid heb voortgezet.

O, Ja ik moet het voorkomen van de Asega en de Frana nog even vervolgen. In feite is er geen vervolg, want pas in een stuk van 1427, duike ze weer op. En dan in de bekende landencodexen. Die numismatisch ook allemaal uit dezelfde twee of drie jaar moeten stammen. en die met zijn zessen gelegenheidswerkjes zijn, waarin per gewest een aantal stukken is verzameld die op dat moment in dat gebied circuleerden of in de archieven lagen. Niet meer en niet minder. Tussen 1358 en 1427 komen Asega en Frana niet voor. Iemand, en ik wijs zijn naam aan in “Een mythe ontmanteld”, had er belang bij dat de gewone volksrechtbanken uit de weg zouden worden geruimd. Door per gewest of mogelijk kleinere eenheid een asega en een frana te benoemden kon de man die ik aanwees, als initiator van de landencodexen zijn greep op al de Friese landen van de Jade Busen tot aan de Lauwers versterken. Ook hier waren de munten het gidsfossiel: het pond, dat 7 Agrippijnse penningen was, en waar elke penning op zich weer 4 witten of weden was, stonden met hun drieën op de zelfde pagina van A. Kappelhoffs muntboek afgebeeld. Het bijbehorende jaartal is 1427.

Ik begrijp nu waarom iik zo weinig interesse voor het boekje NOV TERRA heb ontmoet. Dat moet hem aan die bespreking liggen. De boosheid van de eigen incompetentie van de bespreker heeft hij over mijn hoofd uitgegoten. in de hoop dat dit me zou keren. Maar ik had toen als uitgeven van een tijdschrift al genoeg te verduren gehad en geleerd om me van mijn onderzoeken af te houden. Altijs is er wel iemand die meent dat je in andermans competentie treedt. en dat zijn zaken die zoals in dit geval wel 30 jaar kunnen voortwwoekeren, vooral omdat de docent van de Senioren Academie verdere onderzoeking van miojn hand niet heeft gevolgd. Ik wacht van de akademische zijde nog steeds op antwoord op weerlegging of erkenning. Het enige wat ik merk is zwijgen. 24-10 2019

DE VOLGENDE MORGEN 2.26 uur.

Sub rosa heeft een van de beste wetenschappers, en misschien ook de best betaalde persoon op dit moment, hoewel niet op het oud-friese gebied bezig me vorig jaar “sub rosa” verteld dat hij van mening is dat mijnn methode meer en betere vruchten heeft afgeworpen dan wat degenen die zich in de oude methodiek hebben ingegraven gezamenlijk hebben gepresteerd.

Laat de heren het kringetje maar eens rond kijken en vragen : “Gij misschien Brutus?” Het jammere is dat ik zijn naam niet mag vermelden, Dat zou voor hem nadelig zijn en het is ook tegen de erecode van het S…..-ma genootschap waartoe wij behoren. Nog een voorbeeld: als er dan weer eens een paar snippers met oud fries opduiken dan wordt dat gepubliceerd of zoals in het wonderjaar 2018 getoond in de kelder van Tresoar. Daar heb ik die fragmenten gefotografeerd en ze gelegd naast mijn collectie paleografische stukken ( van de Merovingers tot de Saksische ordonnantie).

Waar de oude methodiek al snel klaarstaat met de datering van de snippers als rond 1250 kom ik tot de conclusie dat de lettertypes tegen het humanistische schrift van de late 15e eeuw aanhangt. Je vraagt je af of “zij” -de mannen van de oude methodiek- wel een typelijst hebben om te vergelijken of dat hun datering voortkomt uit de wens om het oudste Fries, dat nog altijd niet meer is dan Middelfries, in de rijen van het Oud- weet ik wat voor taal te brengen. Daar is geen kennios noch vergelijking voor nodig, daar is “wensdenken”voor nodig.