sex in 1618

 

HET ONDERSTAANDE ZIJN ENIGE DELEN UIT PROCWESSEN DIE IN 1618 GEVOERD WERDEN TUSSEN DE AEIJSMA’S EN DE AESGEMA’S.

Uit transcripties gemaakt voor J. Waleson.

 

De Impetrant seijde waer te wesen dat hij bij lange jaren met Tzietsche van Aeijsma zijn echte getrowde wijff inden echte staet geleffd heeft ende dat hij Impetrant geduurende de voorschreven echtelijke staet bij zijn, Impetrants voorschreven echte wijff, vele kinderen, zo soonen als dochters geen wtgesondert bijden v.s. sijn echte huisvrouwe echtelijk geprocreerd heeft.

Dat oock hij impetrant, geduirende het voorschreven echte verscheijden ampten ende hooge officiën van deese lande, soo opte ordinaris als extraordinaris landtsdagen rekenmeesters ambdt ende noch zijn jegenwoordige ampten ende officiën in alle vromicheijd ende getrouwigheid bediend heeft ende noch bedient. Zoo ende als een getrouw ende mvroom ingeseten ende beminder van der ware religie toestaet, ende behoort te doen. Voorts ist also dat doctor Andreas Epaeus Aesgema hier gedaagde in septembris 1617 staende voor den deure van den Edele ende Hoochgeleerde Heere Johan van den Sande binnen Leeuwarden opentlijck tegens Claes Epes zn. Aesgama  zijn impetrants swager gesecht heeft: Albert ende Thiets hebben onder het stijckelbosch leyd.

Ende ende desselviges tijdts wederom vanden welgedachte Edele Here Commissaris van den Sande gescheijden zijnde de voorverhaelde woorden in’t weggaen nade Peperstaete toe, tot drie off vier malen gerepeteerd heeft ende staende opten hoeck van de Peperstraete voorschreven geseid heeft: ”Waer is Albert, compt laet ons nae hem toegaen. Ick will hem daer wel acte van geven.”

Inden welcke de gedaagde in scriptis vele injurien divulgeerd heeft, tot tot nadele van den impetrant als articulo 5O ibi, rijsende wt het …..? 

Albert ende Tziets onder die staketten (t)r(o) ck? . Item articulo 22 cum soqq. br. dat Lolcke des impetrants vermeende wijff in hoerdom is ontvangen , zijn impetrants oldste dochter bij de vs. zijn huisvrouw echte geprocreerd designerende.

Daerbij doende door dien Albert (en) Tziets voor de boden ende segeninge hadde impregneerd te ende dat se als een hoer en boeff sijn gaergecomen ende dat haer kijnders hoeren kijnders sijn, dat Albert de ampten duslange bedrivend en voordelich waeren ende de acten voor hem gevallen geroye(e)rd behoren te worden.

[Hij] zijn Impetrants oldtste dochter hoerendochter noempt, Item articulo 7 d’obpositie des onwettelijcken houwelijcks wordt onwedersproken gelaten ende door desen bekend. Articulo 8: dat Albert met Tzietts heft gehoord ”den boeff”, daerna: “een hoer wast geworden,” is meer dan notoir de Hove van Vriesland ende de gantsche wereld meer dan wel bekent te sijn

Daerbeneffens in martio 1618 verleden binnen Leeuwerden van talus(?) ende Franciscus pijpe  opentlijck geseyd heeft tegens Harmen Harmens zn. smid te Beetgum:  Wetste wel, hoe dat sijn wijff maeckt is? Des impetrants oldste dochter designerende, waerop vs. Harmen antwerde van: nee? Hij, gedaagde wederom geseijd heeft Ende noch te martio v.s. opten Langepijp vanden Nijestadt opentlijck tegen zijn, impetrants swager geseijd heeft ende zijn ene (?) noedt wtsprekende: “cumpt naij mij de hoos, wat die is stucken, sichste het wel? Albert can Naeijen onder het stijckelbosch”.

Finalijck hem opten 16 Aprilis anno 1618 laestleden ten huijse vanden welgedachten Edele Heren van der Sande tegens zijn impetrants swaeger v.s in presentie [van] Julij Anthonis praedicant in Trijnwolden: “Dijn wijffs vaer is een boeff en dijn wijffs moer is een hoer.”

……….    dat d’gedaagde zal worden gecondemneerd omme

de impetrant de voorschreven injurien eerlijcken en proffijtelicken te repareren ende boeten  ende dat dij gedaagde die nacomende op een solemnelen rechtdach inden Cancelerije voorden Hove sal compareren blootshooft en baervoets, gebogen knijen, met een brandende kerse in zijn handt ende openbaer voor het volk wederroepen die woorden ende geschriften die hij vanden impetranten geschreven en geseijd heeft……  

Zoo contendeert den impetrant … m…. datt hij gedaagde, zal worden gecondemneert  omme de impetrant vs. Injuriën profijtelijck te boeten ende betaelen de somma van vijer duisend goldenguldens van 28 strs ’t stuck ……

 

Waerentegenst de gedaagde ende accuseerde seijde dat er ex hypothesi meldende proclamatien een wesentlijck stuck des houwelicx te wesen num. 49 desimpetrants swaegers replijck mach worde geïnsereerd, [dat] Lolck sijn swaegers huisvrouw in hoerdom ontfangen te wesen. Vermits Ttziets van Albert, lange voor den proclamatiën al waer geimpregneerd, haer kijnders hoere kijnders d’acten roijerlijck etc. Albert met Tziets geboeleerd te hebben ende een boeff, daerna aenden hoer (kneepvast geworden te wesen; Moer Aijsma een hoer aller tgene / ’t van / oirspronk, jae een desgeswackte ende gequetste hoocheidts o (?) wijsheyd Salomonis ende overgrote boosheijd wel hondert duysend meijlen(?) surpasserende welcken gevolge schol =(zal) absurd schenen t’ zijn voir des impetrants swager

ende de stucken, …..van’t  erbaren houwlicx wat nauwer te besijen. Soo ist also datten Romeijnsche wetten willen vaders voorgaenden consent en hylckende zoo hinc modich dat N…enewingh? mach? van wederhoudingh een als niet can helpen Jae datte gaerlopende vader raed verachtet ende houwelijck geen houwelijk man en wijff geen gave, geen goed kijnders kijnderen, jae wat meer bastardts.[waren] Ende de canones verstaen anders geen wettelicken houwelicken ten zij vande dewelcke over d’ zelve vrous bewindt schijnen te hebben ende want van zij bewaird wordt, wijff wordt begeerd ende van olders ende naeste wordt verlooffd ende behoorlijk gedoteerd ende op zijn tijdt  kerkelijck als de manier  Een regel waerlijck den Lutheranschen, Reformeerden, Duijtsche, Sweitzerschen, Geneeffschen, Françoyschen, Nederlandschen, frijeschen, item de meede gantscher Christelijcken conform (.) den ordonnantien stellen

Volgende  Zaak

Tyetscke van Aeijsma Impetrante

Contra

Doctore Andraeus Epeus gedaagde

……………………………………..    Seijde voor andtwoord, dat Claes haer swager stelde, dat ten proclamatiën ende wettelijcke houwelijck maeckten. Waer wt volgde dat Moer Aaijsma daartoe te voren in Babylonische Prijelen gewoond moest hebben, ofte in’t

Cyprische Eylandt wel een wijl tijdts hadde geconverseerd ende dat venorem surdevotelijck geldt ? Ende mede dat menichmael inde den dicke Myrtebosschen aent water om haer brandt te lesschen, vernachtet. (overnacht) Doch haer swaeger wijsende totten plicht zijnde geaffinieerde olders ende grote ongereymdheijd

heeft haer over de gedaagde in’t minste nijet te beclagen maer wel over Claes, haer dit myrten cranschen vererende. Waerom Moer Aeijsma haer vergetene utcomste (afkomst) werd.. int s….. (in kneep)

te brengen, zoo is’t dan alsoo, dat hij haer beclaeglijck versuijmd

heeft, zoo wettelijck, buijten wetten en tegen danck haerder Vader Hotse van Aeijsma over beijde vacerende ende van sijn huijs [een] Venens Poell maeckende. Als geestelijck haer metten schender inde hilck met volle schip tot specktakel ende schande haerder hoererije de gantschen werelt copulerende met alder grootst

haeten, wie haers vaders voornoemd. Ende oock tegen de statuten beijde ( leeg) vereijschende. Gelijck mede haer dochter d[i]e copuleerde met een jongeling onder de 25 jaeren buijten weten en tegen danck van vrijenden (vrienden), waer wt sluijtende ex hypothesi ha(a) rs swaegers Moer Aeijsma de aldervijnste suster nijet te weesen animo intutiandi in Amore (?) hij voordrachtelijck ’t schrijven

 

…………….ende zoo een wettige consent ’t houwelijck formeert met volgens des impetrants prosumptijff te zijn, vermits hij, minor, haer te muijck (stiekem)

buijten wetten ende tegen aller vrijenden (vrienden) danck heeft getroudt, gelijck

mede de geaffirmeerde olders ende wijff onwettig met hun gehandelt

te hebben, waer wt insinuerende.