Sparjebirt nogal recente geschiedenis

Hemrik.

Nieuws in de krant over de z.g.n. blokhut op het perceel Sparjebirt.

In het kader van de ruilverkaveling eind jaren zestig, waren er gelden gevoteerd voor het maken van culturele of recreatieve objekten. Een van die objekten was Speelbos Sparjebirt. Van het vroegere werkkamp – in de Duitse tijd – en het interneringskamp, waar het na de bezetting voor werd gebruikt, kon een recreatief terrein worden gemaakt. Staatsbosbeheer had daar wel belang bij, want die had een contact met Speelstad Drachten, die jaarlijks op de heide achter Allardsoog een of twee weken driehonderd kinderen liet ravotten. Of dat nu wel of niet voordelig was voor de heide, is achteraf nogal twijfelachtig, Maar ja natuur is natuur en Staatsbos is Staatsbos. Deze spelweken werden georganiseerd onder toezicht van het Buurthuis Allardsoog. Met name door de heet I. Lenting en mevr. G. Hettinga, waarvan de laatste de praktische leiding had.

Het verwilderde bosje aan de Poasen was slecht onderhouden een in feite wist niemand hoe het terrein er uit zag. Een stagiare die op Allardsoog rondliep werd gevraagd of hij er een inventarisatie kon maken wat neerkwam op een plattegrond. De stagiaire W.J. Siderius kweet zich van zijn taak, door een schetskaart te tekenen, waarop plekken waar de barakken hadden gestaan wel een mogelijkheid boden, maar dat was niet aan hem om dat uit te werken. Tussen twee erven was een open ruimte, dat was begroeid met licht struikgewas en een strook, misschien een vroegere haag van botanische rozen. Ook waren er aan de achterkant twee bunkers, die vol water stonden en Siderius, de stagiaire vond meteen al dat die moesten worden gedempt. Ook zag hij graag hij dat de hulstbomen werden gespaard en tekende ze aan. Wie zich toen over de uitwerking heeft ontfermd is niet bekend. Het exercitie terrein werd grotendeels de tegenwoordige parkeerplaats. Er werd een klein openlucht theater geprojekteerd, waar net als op Allardsoog, de kinderen van de spelweek konden worden ontvangen.

In verband daarmee was er ook een soort dienstgebouw nodig dat de leiding en de goederen die voor de spelweek nodig waren, kon herbergen. Hoe het er uit zou komen te zien was toen nog niet bekend, maar van meet af aan werd er over “De Blokhut” gesproken. Het werd uiteindelijk een simpel geval, dat van de ene kant aan de beide zijden van de grond af opliep naar de nok. Hiertussen was een raampartij uitgespaard, die ongeveer twee meter boven de grond begon en een inham vormde. Het geheel werd overdekt met asbestplaten, toen nog niet zo gevaarlijk geacht. “Als het maar bleef liggen,” zo werd er gezegd. Het werk werd uitgevoord door de firma Eppinga, die het op verzoek van de heer Lenting en de architekt met authentieke middelen en technieken uitvoerde. De eiken stammen, ergens in de ruilverkaveling gesneuveld, werden met scherpe spaden geschild en “ruw” omhoog gezet. Ze werden verbonden door draghouten en binten van hetzelfde materiaal en vastgemaakt met houten pinnen die net niet recht voor elkaar geboord waren, zodat de delen daardoor dichte tegen elkaar aan werden geperst waneer de deuvels ingeslagen werden.

De markering van het terrein was een zaak die Lenting niet op ANWB- achtige manier wilde aanpakken. Samen met zijn werknemer P.J. Freeve op Allardsoog, schilder en pottebakker, die daar voor kunstzinnige opvoeding en andere projekten werkzaam was, werd een van de resterende bomen aangewezen om tot totempaal te worden omgebouwd. Er werden nog twee bomen bij gezocht en een van die twee werd omgekeerd op de driesprong bij De Poasen gezet. Maar, eerst moesten deze bomen nog worden bewerkt. Dat werd gedaan door Riemke Houtsma, dochter van Piet Houtsma van Waskemeer en een verre nicht van Freeve’s vrouw Wietske. Deze werkte daar wekenlang aan, tot dat de scholen weer begonnen. In alle haast voorzag ze de bomen die af waren nog van kleur. De derde boom was toen nog niet klaar en die werd door Freve met een aantal kursisten van de volkshogeschool afgemaakt. Het was een lange rechte staak die aan de ingang van het parkeerterein werd geplaatst. Begin jaren negentig hebben Freeve en zijn tweede vrouw Marijke de bomen nog een keer bijgewerkt en opgefrist. Inmiddels waren de spelweken al gestopt, de meeste kinderen gingen toch wel met vakantie. De spelweken waren eigenlijk bedoeld voor kinderen die niet met vakantie gingen, zodat de organisatie werd opgeheven en het terrein en het gebouw er renteloos bij lagen. Wat betreft degene die de kaart maakte, die bekeek ook de verdere omgeving, want hij had toch een kaart met de plannen van de ruilverkavelingen in handen. Hij ging naar twee stukjes heide, waarvoor Lenting een apart plan had. Hij wilde deze met meerdere stukjes heide laten beweiden door een rondreizende kudde. Dat zou niet gebeuren. Zelfs met 100% subsidie niet en gezien het toenemende verkeer, was het ook praktisch onmogelijk om de grotere wegen met een kudde dieren over te steken. Zo werd het ene stukje heide aan de Heawei vergraven vanwege het zand. Siderius zag nu ook dat het perceel van het vroegere kamp op een punt uitliep. Die werd niet vergraven en ligt nog steeds op de hoogte die al sinds de vroegste kateringen worden aangegeven. Dat de kamp taps toeliep had hij in het bosje niet kunnen constateren. Dat het hier aan de hooiweg nogal hoog lag, viel hem wel op. Hij zweert nog heden- tendage, dat hij fietssporen in de droge kavelsloot tussen de kavel langs de weg en de kamp ernaast heeft gezien. Gemaakt door jongetjes die natuurlijk altijd alle mogelijkheden willen uitproberen. Deze sloot stond toen de stagiaire zijn karweitje opknapte geheel droog. Dat er om deze droge greppel heel wat bijzondere fantasiĆ«n waren geweven wist hij niet.