Trianen, Vianen en nog zo wat.

Als ik een vierde deel van mijn goed weggeef wat houd ik dan over? Nog drie delen, meester! Deze logica ontgaat sommige doctorandussen onder ons. Het begon met een paar gejatte plaatjes in een uitgave van de Compagnons van Rottevalle. Het woord zegt het al: daar moet iets rot zijn. Ze jatten plaatjes van je terwijl ze, als ze verstandig waren geweest die in 1985 zo hadden kunnen krijgen met een artikel er bij, waar veel vaker naar verwezen wordt, dan naar hun hele boek. Bovendien hadden ze niet alleen dit artikel over de landen en venen tussen het dorp en de Folgeren gekregen. Ze hadden de verveningen tussen het Munnike Greppel en de Lange Wyk ook kunnen krijgen. Als ze maar niet zo stom waren geweest om een stuk over de Leijen, dat in opdracht was gemaakt, samen met het stuk over de vervening van de Compagnons 50 roeden, de Hillema 40 roeden en de Folgeren 42 roeden wéér te lang vonden. Ik noem dat trouweloos gedrag. Daarom nam ik beide stukken terug en gaf ze met behulp van Lykele Jansma zelf uit, met nog meer stukken en stukjes. Met de eerste akte, waaruit bleek dat de Rottevalle daarom ligt waar het nu nog ligt. Dank zij Ulrich Abbes en Elisabeth, Godefridi. De grafsteen van haar vader kwam bij de restauratie van de Huizumer kerk onder de vloer vandaan en ligt nu weer in zijn hele heer en feer in de kerk te pronk. Maar omdat het toenmalige bestuur zulke sukkels waren en ze de stichting van het dorp in 1577 gemist hebben, denk ik niet dat er ooit nog een straatnaam naar de stichters zal worden vernoemd. Eén keer achterlijk is blijkbaar altijd achterlijk. Vanwege de gejatte kaartjes stuurde ik de huidige Compagnons een rekening, van een redelijk bedrag vermeerderd met rente op rente. Totaal 551 Euro. Ik dacht, dan nemen ze wel even contact op met de schrijver Durk Veenstra, die ik nog altijd als vriend beschouw. Misschien kon het afgekocht worden met een correctie in het dorpsorgaan “Het Slúske”. Maar nee hoor, ik kreeg twee keer de brief terug. Toen nam ik een juriste in de arm. Wat ik toen niet voorzien kon was het feit, dat de bedragen zich een keer verdubbelden en toen ook bij die poging het resultaat negatief werd verdubbeld eht nog een keer. We kregen via de drukker in Utrecht een niet aansprakelijkheidsverklaring, waaruit bleek dat Durk Veenstra zelf verantwoordelijk was. Gezien de dictatorialiteit van die halve garen in het Compagnonsbestuur, ten opzichte van mij, had ik niet verwacht dat de zaak Durk zou treffen. Als de zaak voor het recht moet komen, dan moet er ook enig belang zijn zullen de advokaten wel gedacht hebben. Ondertussen waren allerlei brieven gewisseld. Maar de lol was er uiteindelijk af. Het ging me allang niet meer om die kaartjes. Het ging om de redenering, dat als de Hillema’s een kwart van het veen ter exploitatie aan de toenmalige oude en half om half adellijke Compagnons hadden afgestaan, hoeveel er dan nog over was, en waar dat lag. Nou, percelen grond veranderen niet van plaats en het door de Heren compagnons verkochte veen, liet een kwart ondergrond na, dat blijkbaar niet inbegrepen was. Welke kronkel de auteur van VEE EN VEEN OP DE VIANEN(?) kan ik min of meer reconstrueren.

In 1813 namen de Gecommitteerden van de Rottevalle de versloerde boedel van de Halve adel over. Het was geen koop, maar een overdracht waarvoor alleen de akte bij de notaris moest worden betaald. Dat stond al in het boek van S.J. van der Molen, Turf uit de Wouden, in het boek van de Compagnons en in mijn boekje. Hij had ook kunnen lezen dat daar geen vertegenwoordigers van de Hillema’s bij waren. Die grond bleef dus apart. Alleen daar beging Durk een slordigheidje. Dat blijkt bij de opzet van het kadaster in 1832. Dan is de strook tussen de door hem behandelde Fianen en het Wildveld in handen van derden. blijkbaar apart verkocht door de erven Hillema. Maar exact kom je daar niet achter, want tussen 1811 en 1832 werden de verkopingen van onroerend goed bijgehouden. De kavel tussen Vianen en de Gemeentegrens, zou ik daarom maar de Trianen noemen. Of drie van de vier delen, maar hij is zo breed dat de ondergrond er toch bij in moet zitten. Wat er ook in zit is de zogenaamde “Uggepoel”. Dus wat de gecommitteerden kregen was alles van de oude Compagnons, 100% en die waren in het veld nooit in vieren gedeeld. Die waren door de oude Compagnons altijd in massa vergraven onder toezicht en beheer van een veenmeester. Blijft over dat de Viaanster Wijk, niet in het Compagnons-deel ligt maar in het Folgeren deel. Dit kan op zich weer tot vele en ingewikkelde verklaringen leiden, waar rechtlijnige denkers en eenvoudige historici zonder titel geen hondebrood van lusten

KAARTJE ben niet in staat gewezen dit hier heen te slepen. Kijk op His gis.