Strijdbijl

De vuistbijl van Wijnjeterp.

Geplaatst 9 juni 2018

Onlangs kreeg ik 2e hands het boek van H.T. Waterbolk in bezit. De “scherpe stenen op zijn pad” dateert al weer van 2003. Dus maar drie jaar na het moment dat de voorganger van kantoor Rothuizen Geense de heruitgave van de strijdbijl brochure wist te verhinderen, zie elders in deze pagina, die inmiddels wel ongeveer 40 pagina’s A4 is geworden. Op pagina 168 noemt hij deze zaak ook.  Op die pagina wordt gezegd dat de tentoonstelling van artefacten van Vermaning in Het Bleekershuis druk werd bezocht. Waterbolk vervolgt vervolgt dan met: “Enge tijd later beweert Van der Horst dat Van der Vliet niet de vinder is geweest van de fameuze vuistbijl van Wijnjeterp, maar dat die gevonden zou zijn door twee schooljongens. Daarmee zou de vindplaats zijn waarde voor vergelijking van de vondst omstandigheden met die van Vermaning  hebben verloren.  Dat levert v.d. Horst een rechtzaak op door de twee kleinzoons van Van der Vliet, K.Geertsma, (toen secr. van de APAN) en H. Geertsma        (tegenwoordig in zijn eentje de APAN?) Het conflict leidt tot een uitvoerige publikatie van de zoon van de vinder (Hendr. v.d. Vliet) die elke twijfel aan de vindplaats wegneemt.  Waterbolk heeft zich dus ook door die Hendrik van der Vliet, en de “spinmaster” E. Huisman laten verneuken. Hij heeft zelfs niet eens de moeite genomen om even op de geologische kaart van het gebied te kijken of die vindplaats wel mogelijk was de medeplichtigheid van de rijkskartering, geeft namelijk op die vindplaats waar de Strijdbijl brochure alle kaarten op zette, de grens tussen een tot twee meter zand aan. Terwijl het bestaande slootje zeker minder dan een meter diep was. In zijn eindconclusie meldt Waterbolk, dat er om de hele zaak een sfeer hing met een bruin waas, velen hadden zich in de oorlog min of meer gediskwalificeerd. ( Waarbij hij zichzelf even vergeet.) Wat betreft  de zaak van mij en Wouter is het goed om een te zien welke door en door bruine figuren zijn aangeroepen door onze tegenstanders. Dat (dis-)kwalificeert hun zonder meer. Nog mooier is, dat Wouters sinds kort ook tot vindplaatsvervalsers hoort, ook van hem heb ik spottende en intimiderende brieven in het archiefje van deze zaak opgeborgen.

TWEE.   Ook 9 juli 2018.

De sfeer in Opsterland en rond het museum kentert toch zo langzamerhand enigszins. Bij de presentatie van een boek, zat ik naast een van de bestuurderen. Blijkbaar is men tot de conclusie gekopmen er niet meer over te spreken, want als de incompetentie van de opeenvolgende besturen op archeologisch gebied zou uitkomen, dan staat men dan wel in zijn hemd. Bovendien gaat het gerucht, dat de familieleden van Van der Vliet in werkgroepen en verenigingen zijn geïnfiltreerd, om zo snel mogelijk in aktie te kunnen komen, wanneer er zaken aan de orde komen die hun niet bevallen. In feite hebben ze nu nog maar een punt, waarop ze hun verdediging baseren, dat koste wat kost niet moet worden geverifiëerd: de Vindplaats.  Ook proberen ze publikaties tegen te houden of te laten rectificeren, die een ander tot onderzoek zouden kunnen aanzetten. Een in hun ogen “faux pas” kan een redacteur of schrijver op één avond een aantal telefoontjes opleveren. Met de eis om het een en ander recht te zetten. Precies hetzelfde als wat ik heb meegemaakt. Maar ik heb de rug recht gehouden.

NIEUWS

Nieuws over de familie Van der Vliet. ( deels gekregen, deels gevonden tussen 15 en 25 februari.) Broeder A.Q. Wouters, die met Bohmers in Paleaohistoria IV de artefacten verzamelde en beschreef, blijkt ook een vervalser te zijn. Hij wordt in het Dagblad van het Noorden de kompaan van Tjerk Vermaning genoemd, maar beter was het de kompaan van Bohmers te noemen. Ook hij was een van de gekken die ons met brieven en z.g.n. rapporten en gesprekjes met Bohmers in de sijk trachtte te zetten. Bij de uitgave van Schut en Herschut heb ik hem nog persoonlijk een exemplaar gebracht op de Kruiskamp in Den Bosch. Sindsdien hebben we niets meer van hem gehoord. Een citaat uit een brief aan mij en Wouter van der Horst maakt duidelijk dat hij een bedrieger was. Hij zag op het veld op de Posen de sporen van een stoomploeg. (Brief in ons bezit.) De archieven van de 3 Provinciën logenstraffen dat zonder meer.  Vaarwel Wouters, met je dubbele vindplaatsen van enige, dezelfde artefacten uit de Arensburger Cultuur. ( dagblad, 23 april 2018)

MEER  nieuws. Begin dit jaar zag ik dat de voorpagina van de web pagina, die over “de zaak ” gaat vernieuwd was. In plaats van het filmpje van 8 april 1990 stond er nu een opname van het thans beboste terrein als blikvanger. Ik had nu een nieuwe actor, een nieuwe tegenspeler, terwijl er sinds het niet uitkomen van de herdruk van de Strijdbijlbrochure bij de familie stil was gebleven. Ze waren aan alle kanten klem gezet, met de vrees een groot bedrag wegens het gepleegde bedrog te moeten betalen. Blijkbaar was Gooitzen, die de website beheert dit even vergeten. Ik wendde me opnieuw tot hetzelfde advokatenkantoor die er weinig in zagen om aktie te ondernemen. Toen ik twee dagen later weer keek was de oude pagina weer in werking. Hoe het signaal door is gegeven weet ik niet, maar het is duidelijk dat de brave uitgever het bijna in de broek deed. Dat noemen ze een schijtlijster.

NOG MEER nieuws.  Achteraf zijn we tot de conclusie gekomen dat de familie Van der Vliet meende dat ze maar om een ding beroemd waren, namelijk de vuistbijl. Ik kreeg een slechte kopie, of een kopie van een dagblad (regionale krant?) Waarin een overlijdens advertentie stond van een zekere Rein Heins van der Vliet. Deze man was zoals in de rouwadvertentie stond een gepensioneerde van Waterloo. Nagekeken bij Alle friezen. Overleden in 1881 moest hij geboren zijn in 1792 of 1793. Hij was 20 of 21 jaar toen hij met de geallieerden optrok  tegen Napoleon. Deze gepensioneerde moet een “dofke jild”gekregen hebben , mogelijk een diploma en een legpenning.  Zo’n legpennng heb ik gezien bij kennissen van mijn ouders in Wormer, die woonden op de boerderij Waterloo. Hij had de grootte en dikte van een oude rijksdaalder uit die dagen en had uitsteeksels in de vorm van een elfsteden kruisje . In de cirkel in het midden stond: 1814. De kennissen, de Familie de Vries, toen al over de tachtig, vertelden dat de boerderij gekocht was met het geld van “Waterloo.”  Blijkbaar heeft deze Rein Heins daar in Beets slechter geboerd met het geld, of verkeerd geïnvesteerd. Dat er ooit geld moet zijn geweest is blijkbaar bij de volgende generaties verloren gegaan, het was althans mijn klasgenoot Hiske van der Vliet, die haar stamboom kende, ze bedoelde waarschijnlijk een kwartiestaat, niet bekend.   WAT OOK NIET BEKEND WAS,  was het feit dat uit een van de bevolkingsregisters blijkt dat ze een avontuurlijke kant hadden. Voor ze zich in Opsterland vestigden hadden drie broers Van der Vliet hun geluk beproefd in de omgeving van Osnabrück.  Het kleine Plaatsje dat met een “A” begint is onleesbaar doorgehaald, maar het Bezirk O. is wel leesbaar blijven staan. Dat is ook doorgehaald en vervangen door Leeuwarden. Ze hadden blijkbaar minder dan vijf jaren in de vreemde vertoefd, voor ze er achter kwamen, dat ze, als ze binnen 5 jaar in de bedeling zouden raken, terug zouden vallen op de plaats die ze vijf jaar eerder hadden verlaten.

 

 

 

Om te voorkomen dat ik knettergek zal worden, of paranoia, of wat ook mogelijk is, dat ik een hartkwaal zal krijgen, of dat ik ten einde raad zelfmoord zal plegen, omdat ik nu al 25 jaar word achtervolgd door een stel idioten die menen dat ik mijn gelijk zou moeten erkennen in de vuistbijlzaak, heb ik deze web-pagina opgezet. Ik heb dat gedaan om mezelf te beschermen en de zaak met een zekere humor en satire te bekijken. Ik kan namelijk nog steeds lachen om de dwaasheden die mij voor de voeten zijn geworpen, of moet ik zeggen “ons”, want sinds Wouter en de vinders uit beeld zijn, is mijn persoon de enige op wie ze hun pijlen nog kunnen richten. Omsingeld door boze mensen wordt er verwacht dat de eenling zich wel over zal geven. Maar dit is geen  zaak van meerderheid, dit is een zaak van feiten. Ik  heb, (wij hebben) namelijk nog steeds de feiten achter me (ons) staan en ik heb alle tegenwerpingen door de tegenpartij kunnen weerleggen. Ook al noemde de raad van Journalistiek de berichtgeving evenwichtig, dan nog blijven de feiten dat wat in de Leeuwarder Courant werd gepubliceerd bij inspectie niet gelijk is aan wat de oude heer Van der vliet driemaal (!) schreef en liet drukken.  Blijkbaar is de taaiheid van de feiten en de weerbarstigheid van de materie zelfs voor beroepsarcheologen taaie kost. Dit in tegenstelling met de luchtigheid waarmee dezen zich  in deze zaak hebben gemengd, maar die niet op de stommiteit dat ze zich er in gemengd hebben, op hun schreden terug durven te keren  en die nu bang zijn voor hun reputatie. Maar ook door lui waarvan je bij de duvel niet weet waarom ze zich tegen je hebben gekeerd. Er wordt van mij een overgave geëist, vragen die slechts gesteld worden door een stel nitwits en halve garen die mij zo graag in het nauw willen drijven, tot ik erken dat die oude sukkelaar van een Hein van der Vliet de vuistbijl zelf zou hebben gevonden, maar die niet gelezen hebben wat “die man” – in hun ogen “onze held” heeft geschreven. Die zelf geen klinkklaar en helder bewijs hebben kunnen leveren en die zelf gefaald hebben, aan te tonen dat de tijd en de plaats waar het objekt gevonden zou zijn, verifieerbaar is en dat hun rotsvaste idee, dat het wel een door “Oude Hein”zelf gevonden stuk vuursteen aan de grootst mogelijke twijfel onderhevig is. Erger nog: zij hebben geen bewijs geleverd en de herrie die ze geschopt hebben heeft alleen maar de bedoeling gehad om alle sporen van de gang van zaken zoveel mogelijk uit te wissen. Zo stuurde de familie ons meerdere malen mensen op het dak, hoewel mensen? Meestal waren het halve garen en soms oprechte personen die er door de familie ingeluisd zijn en die zelf geen onderzoek in deze kwestie hebben gedaan en die al helemaal niet weten wat voor bedrog de verdedigers van “Ouwe Hein” – en hij zelf – in de zaak hebben gebracht. Dus waarbij het hen, ook deze nieuw gecharterden aan achtergrond, kennis en soms ook aan leesvaardigheid schort.

de bijl op ware kleurAssenbijlen

De oorzaak is eenvoudig te verklaren, ik ben alleen overgebleven en de familie van der Vliet weet zo nu en dan weer eens een sufferd voor hun kar te spannen om hun bedrog voor de zoveelste keer tot de absolute waarheid te laten verklaren. Althans dat proberen ze, maar we hebben de familie met al zijn pretenties en al hun valse bewijzen al een keer of tien, meer dan zeven in elk geval, weer in hun hok gejaagd. Of om het met andere woorden te zeggen: slagen over de snoet gegeven, zodat ze telkens opnieuw moesten beginnen om een volgende bewijs in elkaar te draaien. Geen letter hebben deze nieuwe hulpkrachten gelezen, geen enkele uitlating gecontroleerd. Sorry, beste vriend Repke, maar je hebt zelf niet door, dat ze je wilden misbruiken en ook onze vriendschap op de proef wilden stellen. En, sorry meneer Hoen van het museumbestuur, ik heb u uitgenodigd voor een open gesprek, zonder voorwaarden vooraf, maar hoe beminnelijk uw brief ook was, er werd in geschreven dat er eerst maar eens afgerekend moest worden, door Wie? Bent u vergeten dat uw bestuur dezelfde brieven als Hendrik van der Vliet heeft gehad als mede verantwoordelijke voor laster en bedrog ten aanzien van mij? Ziet u niet, dat u zelf tussen het tuig van de richel staat? Hebt u zo weinig realiteitszin, dat u niet begrijpt, dat u bij dreiging van een justitiële vervolging, net als Hendrik van der Vliet maar wegduikt en hoopt dat het maar overdrijft, zodat u zich nog in uw gelijk kunt wanen? Door de lafheid gered? Hendrik van der Vliet had moeten antwoorden en u als medeplichtige, want u – of uw vorige bestuur – verkocht die leugens en bedrog, had daar de lering uit moeten trekken, dat dat bestuur op zijn minst medeplichtig was. Kijk in uw archief, of zijn de papieren met zekere verachting weggegooid, net als de Contra Expertise weggegooid is, zodat u zogenaamd niet kunt weten waarom Hendrik van der Vliet niet de kans van zijn leven greep om ons (vooral mij) af te straffen. Hij wist dat we zijn gefingeerde bewijzen hadden doorzien. Anders had u als voorzitter van het museum bestuur, u als afvalwater-fris Hoentje, niet onder schijn van beminnelijke en zachte aandrang, geprobeerd om via Kerst Huisman me zover te krijgen, dat “er toch zoveel mensen waren die het voorwerp al voor mei 1943 hadden gezien”, me over te halen (geven?)  en mijn ongelijk te erkennen. Ja, wie niet kan lezen en die niet wil verifiëren, die moet zijn waffel houden. Dat U daarmee ook moet begrijpen, dat de werkverhouding die deze Huisman en ik hadden om zeep is gebracht, al lag er ook wel veel in de wil van dit journalistje, die zich als uniek dorpshistoricus, en Groot-Fries door deugdelijk onderzoek door een zijn jongere vennoot, Jan Minor, mij dus, bedreigd voelde. Want hij ziet zich graag in dat ene dorp waar hij niet eens geboren is, als de grootste historicus. O, valt u nu al over mijn stijl, dat is jammer, want dan bent u – en jij ook Repke – niet op de hoogte met wat de schrijvers van “De Strijdbijl van Wijnjeterp” over ons en later vooral over mij hebben gezegd en wat ze, nog erger nog, over ons en mij hebben gesuggereerd. Die twee schrijvers, dat zijn Hendrik van der Vliet, de zoon van de steentjes ruiler en koper, hier boven genoemd – maar al overleden en Ernst Huisman, op het moment dat ik me achter het toetsenbord zet, nog net niet dood. Beide, om met de ook al overleden kapitein Wal Rus te spreken, koploze draadnagels. Voor die laatste is dat maar goed ook, want zulke lui moeten voor straf lang leven, dan worden ze ook lang door hun zonden achtervolgd en daar raken ze aan het eind van hun leven van in de war. En wat voor soort kop de heer Hoen heeft moet nog onderzocht worden, ik denk dat ik bij hem een spijker met verzonken kop zal vinden. Dat is satire en heeft niets met de inhoud te maken, net zomin als de inhoud van de argumenten van de factie van de Van der Vlieten ook maar iets voorstelt.

Ze verdienen niet beter. Niet ik hoef me te wreken, de tijd zal zich wreken op hen die onredelijk, onrechtvaardig, lasterlijk en gemeen zijn geweest. Maar ik mag wel mijn eigen zaak, die van Wouter van der Horst, die van de vinders van de vuistbijl en die van De Neitiid verdedigen. Nu heb ik diverse malen op papier aangetoond dat “de Strijdbijl van Wijnjeterp” het tegendeel bewijst, namelijk dat Hein van der Vliet dat “ding” niet op de Posen gevonden heeft, maar heeft overgenomen van een collega steentjes zoeker. Zoals hij van zoveel van de steentjes die bij de overdracht aan de Gemeente Opsterland zijn overgegeven heeft de koop, de ruiling, of de schenking genoteerd, maar daarover straks.  Zelf noemen de auteurs Hendrik en Ernst het gerommel met feiten  een boek, ik noem het een pamflet, een vod, dat tot stand is gekomen met overreding, bedrog en intimidatie. Voor hen zijn hun leugens en machinaties de “waarheid”. Wij weten wel beter: het “vod” had de bedoeling om hoe dan ook en dan nog voornamelijk door ongeoorloofde methodes, te bewijzen dat het paleolithische objekt dat door Oude Hein daar en daar en toen en toen zou zijn gevonden, geen stand kan houden. Maar op papier heeft dat blijkbaar weinig uitwerking. Het is duidelijk dat ze zich met “Het Vod” ook nog tegen zichzelf hebben gekeerd, door er zonder nadenken zaken in te publiceren die hun gelijk nog verder van huis brengt. Daarom, dat ik hun bedrog op een, door iedereen zonder voorbehoud toegankelijk medium plaats. Maar ijdel dat zijn ze wel, in het dokumentatie deel staan deze twee auteurs als Mammoetjager en zijn sluwe raadgever ook op de Foto. Hier dus in de  weder opgestane NEITIID als geuzennaam gebruiit, een naam die ik tot nu toe nog steeds als e-mail adres heb laten voortleven.

Want hoe kan men aantonen dat zekere lezing van het verhaal de juiste is? Door een wat betreft tijd en plaats volkomen verifieerbare lezing te geven. Maar die is er bij hen niet, hoogstens zijn er bij benadering twee vindplaatsen, met de attesten van de zogenaamde getuigen meegerekend worden er vier uit de mouw geschud, waaronder enkele zeer onlogische. Er is nog een tweede methode: zoek voldoende getuigen die het objekt hebben gezien en zorg voor onbetwijfelbare attesten van personen die men geen cliëntelisme en of familie relaties kan aanwrijven. Ten derde is er nòg een methode: probeer degenen die de tegengestelde lezing geven uit te schakelen, bijvoorbeeld door hun woorden te verdraaien en hen onder druk te zetten, zo nodig te intimideren en te chanteren. Je zou ook kunnen zeggen: probeer de andere partij de zaken uit handen te slaan. Achteraf gezien, heeft men deze laatste methode een keer of vier toegepast op degenen, waarvan de familie van der Vliet wel degelijk wist, dat ze de de vuistbijl gehad gezien, of in handen hadden gehad en die meer wisten over de weg die het voorwerp had afgelegd, na dat het voorwerp was gevonden op het land van Sietzema, achter de bebouwde kom van het tegenwoordige Wijnjewoude.

DCIM100MEDIA
De vuistbijl van ernst huisman en het valse protcol.

Wat betreft de uitgave van “De Strijdbijl van Wijnjeterp”; daarin komen de tweede en vooral derde methode naar voren. Hoe oprecht en eerlijk die methodes waren, daarover heb ik al eerder in twee brochures het mijne gezegd. Maar het heeft er het meest van dat dit een schimmenspel is, dat zich achter de gesloten gordijntjes van een poppenkast afspeelt en niet in alle openbaarheid. Door de uitgave van de uiterst bedrieglijke lezing van de “Strijdbijl van Wijnjeterp” werd het publiek als toeschouwer(s) bij een volksgericht gebruikt. Na onze eerste reaktie met de ondertitel “Contra- expertise” waarin wij al enige naar voren gebrachte zaken als vals ontmaskerden en de wijze waarop de getuigeverklaringen achter elkaar waren gezet, die op hoogst twijfelachtige wijze voorgaven dat die personen de vuistbijl zouden hebben gezien. Dus niet. Op die manier dan, word ik achter de gordijnen van dit schimmenspel zo nu en dan weer eens ter verantwoording geroepen door volkomen nieuwelingen, die door de familie van der Vliet voor hun gammele kar worden gespannen. Door mensen die de achtergronden niet kennen, zoals voorzitter Hoen van het museumbestuur in Gorredijk. Mensen die te lui zijn om naar de zogenaamde vindplaats te gaan, die te lui zijn om een feit te verifiëren en die met alleen de kwaadaardige sprookjes van de familie van der Vliet op oorlogspad worden gestuurd. Met de bedoeling om me eerst achter het gordijn vleugellam te maken en me vervolgens in het volle daglicht te schande te maken, zodat ik me nooit meer in het gezelschap van historische onderzoekers zou kunnen of durven begeven, en dat nooit iemand me ooit weer serieus zou nemen. Ze hebben dat in het VOD gedaan, maar ik heb me daaraan ontworsteld. Hun manier om mij klein te krijgen heeft namelijk weinig feitelijks en berust op verdachtmaking. Ik zal me aan hun spiegelen en gewoon vertellen wat voor vieze spelletjes ze hebben gespeeld. Hoe ze met modder , mest, en op de manier van nacht en nevel, geprobeerd hebben personen af te voeren en feiten om zeep te helpen.  Lees de Brief van Ernst Huisman aan “zijn uitgever” in het “Vod van de Strijdbijl”. Op mijn beurt ga ik hun eens in hun bruine zonnetje zetten. Het bestrijden van Jan schijnt dan wel te lukken, met het bestrijden van de feiten schijnt het nogal tegen te zitten, de feiten laten zich maar moeilijk in de door de familie Van der Vliet gewenste vorm te plooien. Ze menen dat er van degenen die de vondst van de vuistbijl onder Wijnjeterp achter de Buren “op het land van boer Sijtsma” nog maar een man ingemaakt hoeft te worden. Dat ben ik dan. Want de anderen zijn verhuisd, onvindbaar of overleden. Terwijl de schuld van de late rekening de al lang overleden dokter Siebenga in de schoenen wordt geschoven. Dat is makkelijk, want doden kunnen zich niet verdedigen. Maar ook dat bedrog kan ik ontzenuwen.

Nitwits dan, of mensen die niets over de zaak hebben gelezen, het al genoemde strijdbijl pamflet niet, maar ook mijn drie ontrafelingen van a) de onbetrouwbaarheid van de zogenaamde getuigenverklaringen in de Contra Expertise heb laten zien, niet. Van b) de nadere beschrijvingen van die verklaringen en hoe ik met een brief van een groot (en duur) advokatenkantoor (en met wat geluk) de heruitgave van de “Strijdbijl brochure” heb voorkomen en in: Schut en Herschut beschreven. Het is namelijk zo, dat de eerste druk van de brochure van “De Vlietjes,” zoals mevrouw Bouma altijd zei, met subsidie is uitgegeven en dat daar behoorlijk veel winst op moet zijn gemaakt. Maar de stommiteit om er voor de tweede keer weer subsidie voor aan te vragen, brak hun op. De gemeente(-raad) stelde te weinig geld beschikbaar. Want de heren Van der Vliet konden blijkbaar niet met geld omgaan, of men had de opbrengst verdeeld, of de uitgever, een kleinzoon, had de winst in zijn uitgeverij gestopt en vervolgens er niets van gereserveerd. Net zoals het aankoopbedrag van de collectie in de jaren zestig. Dat geld is blijkbaar ook weggeraakt. Maar over dat bedrag later. Van de winst van de eerste druk van “De strijdbijl van Wijnjeterp” hadden ze toch een tweede druk kunnen uitgeven. Of weten ze niet wat fondsvorming is? Dus had mijn advokaat een makkie: het geschrift kwam niet uit, en Hendrik van der Vliet, in 2000 nog in leven- was te bescheten om hem antwoord te geven. Hij begreep wel dat er meer op het spel stond dan alleen de uitgave. Er was het publieke verlies en het openlijke bedrog van wat er in de “Strijdbijl” stond. Daarmee heeft hij zijn kansen verspeeld en erkend ongelijk te hebben. Toen hadden we alleen nog maar de Contra Expertise uitgebracht. Maar die was al dodelijk voor het hele “Vod” wij hebben in onze uitgave de zogenaamde getuigenverklaringen op volgorde van binnenkomst gezet. En dan onrolt zich de hele intrige: de eerste heeft iets gehoord, de tweede beaamt dat de derde voegt er iets aan toe en vierde en een vijfde getuige, herinneren zich dan schijnbaar nog meer en het gefingeerde bewijs eindigt bij de man die er over heeft heren spreken voor mei ’43, maar hem niet bekeken heeft. Aangezien hij aan de hoofdpersoon verzwagerd was, en daar thuis kwam is dat zonder meer leugenachtig, want hij had daar op dat veld waar ze stenen zochten kunnen vragen: “mag ik hem eens zien.” Hendrik had toen zijn kans waar moeten maken om zijn gelijk aan te tonen, maar hij wist dat we het bedrog al door hadden. Daarom riskeerde hij het niet om van zijn geschrift een 2e druk te laten drukken. Bij de brief van mijn advokaat was bovendien een eis tot schade vergoeding bij gevoegd die niet mals was, waarvan we delen in “Schut en Herschut” plaatsten.

Ik dacht dus in 2000, tien jaar na de beëindiging in de media, dat de zaak nu wel gesloten was. Maar dat was bleek me, niet zo. Om de vijf jaar – gemiddeld – dook er wel weer eentje op, die niets over de zaak wist en die mij in de hoek wilde drijven, of het verzoek had mij in die hoek te krijgen of om mij over de rooie te krijgen. Tengevolge van de aankondiging van de mogelijke herdruk maakte ik de brochure “Schut en Herschut.” Ik ben bescheiden: ik noem een pamflet geen boek en een brochure geen pamflet. Waarbij ik gegevens uit de Contra Expertise – simpelweg genoemd De Bijl – combineerde met nieuw onderzoek en met zaken en data uit hun eigen “VOD”, ik bedoel het Strijdbijl geschrift, uit bracht. Toch kwam er nog een derde keer, dat ik een geschrift maakte en wel in reaktie op een vraag van de onderzoeker zonder diepgang, de journalist drs. K. H. die we straks nog in een andere rol tegen zullen komen. “Was het nu niet tijd om mijn ongelijk in de zaak te erkennen, want ik was zo langzamerhand nog de enige die de visie van “de jongens”verdedigde.  “Want,”zo ging hij voort,  “er waren immers zoveel mensen, die het ding al zo vroeg, voor mei 1943, hadden gezien?” In de contra expertise had ik al aangetoond dat de getuigen op zijn zachtst gezegd niet zo betrouwbaar waren en dat ik daar sporen zag van cliëntelisme, lichtelijke overreding en meer dan zachte drang. Blijkbaar had hij, mijn eerste compagnon in historisch onderzoek, dit eerste geschrift niet gelezen en zo wist hij niet, of veinsde niet te weten dat die getuigen al behoorlijk nat waren gegaan. De vraag van deze Huisman, (Frysk: Húskeman, een van dat soort mannen die eenmaal in de week de ton in de W-loze C verwisselden,) triggerde me tot nieuw onderzoek en ik schreef ”Leugenaars en Bedriegers” op uw pad. Alsof de uitgave daarvan weer niet genoeg was. Ook schreef ik in het Fries een polemiek als antwoord op een ander pamphlet dat de nijvere doctorandus 15 jaar eerder tegen mij had geschreven, maar dan in het Fries. Maar dat is littetaruur en dat zijn bij elkaar genomen heel andere zaken. Ik heb me in dat pamflet nog fatsoenlijk gehouden en ben niet begonnen over feiten uit zijn persoonlijke leven. Maar als mijn weerwoorden en tegenbewijzen niet gelezen worden, maar systematisch terzijde worden gelegd, dan is er geen beginnen aan, dan kom je niet weer uit de hoek waar ze je (ik spreek voor mezelf) op de manier van het spelletje schapenjagen ingedrongen menen te hebben, want zij zijn met een aantal en ik ben sinds het vertrek van Wouter van der Horst alleen. Als ik de denktrant van de Van der Vlieten volg, dan moet ik het denk ik zo zeggen: Zij menen dat zij het gelijk altijd al aan hun kant hebben gehad en dat laten ze rondzingen door de familie en de wereld. Waarmee het lijkt alsof het bewijs zichzelf versterkt. Net zoals de Oude Hein van der Vliet vele tientallen malen of honderdvoudig heeft verteld dat hij een vuistbijl had gevonden wat op dezelfde wijze zichzelf versterkte, omdat er niemand bij hem thuis kwam om dit tegen te spreken en hem de vuist onder de neus te houden, werd het verzinsel in het laatst een niet betwijfelde waarheid.

Een meerderheid kan veel blokkeren, het gelijk zullen ze evenwel niet kunnen krijgen, tenzij ze mijn onderzoek weerleggen. Ik lijk in mijn eentje een makkelijke prooi, maar ik heb heel wat meer feiten achter de hand, terwijl zij niet meer in handen hebben, dan dat hun voorvader die vuistbijl, die vuursteen, dat paleolithisch artefact in 1949 bleek te bezitten. En dat wordt onveranderd in de discussie herhaald. Dat is geen herhalen van zetten, dat is pivoteren met een been op dezelfde plek, zonder zelfs de bal ook maar te spelen. Ik meen dat deze basketbal term wel bekend is. Geen van hen heeft ook maar iets bijgedragen om de herkomst van “De Bijl” nader te verklaren. Wel hebben ze bijgedragen aan grotere verwarring en pogingen om sporen uit te wissen en de zaak zo stil mogelijk te houden, als het in hun nadeel was. Als het in hun voordeel was dan werd de ketelmuziek alvast opgesteld, werden de stinksigaren klaar gelegd en de bedieners van de nevel- en rook machines aangerukt. En als ik dan niet snel nieuwe gegevens vond, had men mij graag op de mestkar getild. En ik ben hun tot hun verbijstering meerdere malen te snel af geweest. De zaak mag dan gesloten lijken, ondergronds woekert hij na 25 jaar nog steeds voort.

De familie Van der Vliet en hun adhaerenten eisen blijkbaar volledige genoegdoening vanwege de ongeoorloofde en alle fatsoen tartende middelen, die ze hebben gebruikt om die éne leugen, met zeven sub- leugens, en zeven maal zeven daarvan afgeleide leugens, van hun opa Oude Hein tot waarheid te promoveren. Maar die, gemankeerde geniën die ze nu eenmaal zijn, hebben die waarheid doen verkeren in nog plomper bedrog, dan het verhaal waar het zogenaamd allemaal mee begon. Niet alleen de hoofdpersoon was een gemankeerd genie, ook de nazaten die tot juni 1990 op diens roem hadden geteerd en daar vroeger en ook later geen enkele positieve bijdrage aan geleverd hebben, voelden zich door Van der Horst zijn publikatie gemankeerd, gecastreerd en ontmand. Zij zouden dus de kinderen en kleinkinderen van een bedrieger zijn geweest? Dat moest bestreden worden. En men trad massaal aan, om de kop van Van der Horst te eisen. Daar zat een probleem aan: iedereen in het eigen kamp kende alleen ieder zijn deel van wat hij of zij dacht, dat de juiste lezing was. Om nu eens alle onzin te lezen, die onze belagers ons in de schoenen geschoven hebben, daar zijn de later te hulp geroepen tegenkrachten nog niet aan toe gekomen. Om ook onze weerleggingen van de onzin, die ze tegen ons in het veld hebben gebracht te lezen, dat is waarlijk te veel gevraagd. Dat lees je niet, om de eenvoudige redenen, dat ze als tegenpartij geen enkele waarde aan feiten hechten, die wij daar tegen hebben ingebracht. Karrevrachten feiten, die hun lulverhalen volkomen en vele malen volkomen ontkrachten.

Sinds ik de zaak verdedig en ik verdedig niet alleen mijn vriend Wouter van der Horst, ik verdedig ook de reputatie van mijn blad, van mijzelf en van mijn onkreukbaarheid als uitgever. Ik verdedig de integriteit van beide vinders en nog ben ik elk moment bedacht op een onverwachte aanval. Ik ben de enige nog tegen wie ze hun woede kunnen richten, of tegen wie ze hun onmacht kunnen uitkotsen. Zo nu en dan wordt de zaak weer eens op gestookt, zoals mijn vriend R. Hollema, ik noemde hem al in de inleiding – onlangs me plotseling voor de telefoon weer ging doorzagen over de affaire. Na drie vragen in die richting heb ik het gesprek afgebroken en gezegd: “Ik weet niet, waarom je dit doet en of iemand je iets gesuggereerd heeft, maar als er ergens weer iemand zijn gelijk wil halen, laten ze dan de zaak voor het gerecht gooien. Maar dat hebben ze tot nu toe niet gedurfd. Ze hebben geen feiten achter zich staan.”

Het begon zo: In de tweede aflevering van 1989 van het kwartaalschrift “De Neitiid,” dat ik destijds uitgaf, kwam Wouter van der Horst met een onderzoekje met de hem gebruikelijke badinerende ondertoon. Hij was ingegaan op een gerucht dat in Wijnjewoude circuleerde. Dat betrof de vondst van een artefact op de Mersken door twee minderjarige jongens toen elf en veertien jaar. Het zoemde sindsdien door het dorp en de plaatselijke koster Kor Stigter had een van de jongens, toen tegen de 65 jaar er naar gevraagd en was te weten gekomen dat de jongens met de steen, zoals met meer stenen die ze hadden gevonden, gegooid hadden. De andere vinder woonde niet meer in het dorp en die benaderde Van der Horst met een brief. De jongens hadden er, zonder dat ze het woord kenden, ballistische proeven mee uitgevoerd. Omdat deze steen zich anders gedroeg dan de rest van de rolkeien en steentjes waar ze mee gegooid hadden, had de oudste van hun beiden die ene weer opgezocht. Zo zei de jongste van de twee het later aan de uitgever van het blad. Meerdere mensen in het dorp kenden het verhaal. In het strijdschrift van de Van der Vlieten staat ook, dat de erkende, want aan het Fries Museum verbonden steentje zoeker Jan Boschker dat wist, zijn bron was Haaije Loopstra. Hoe wist deze dat? Van een van de vele dorpelingen die het gerucht ook kenden, dat was al in de zestiger jaren. Loopstra was winkelier en zal dat “bij de streek”gehoord hebben. Het is nu bijzonder stom van de Familie om in hun strijdschrift deze Loopstra op te voeren, want daarmee geven ze inderdaad aan, dat het in de verste verte geen verzinsel van Van der Horst geweest is, zoals ene Kramer nu nog steeds meent. Dat de familie in de verste verte niet weet wat ze doet, blijkt pas als je er over nadenkt. De jongens spreken van een vuursteen, maar de brochure doet de vondst af als een gewone zwerfsteen, een erraticum, terwijl Ernst Huisman, die ook de brochure mee opstelde Jappie Bouma wel weer een vuursteen onder de neus duwt. In de haast om sporen te verdoezelen maakt men een fout, om op dezelfde plek twee vuurstenen te laten vinden, die van Jappie en die van Ernst én een zwerfsteen, die van Boschker, die gehoopt had op zoiets als een granieten bijl uit de strijdhamer cultuur. Blijkbaar zijn de heren bedriegers zelf meer in verwarring, dan wij als belaagden. Over zoveel geklungel kun je hoogstens lachen.

Een versie die de Familie van der Vliet graag aanhangt is namelijk dat Van der Horst de twee jongens opgestookt zou hebben om zijn versie geloofwaardig te maken. Zekere Kramer, we noemden hem zonet al en we zullen hem verderop nog vaker tegen komen, is ook aanhanger van die theorie. Boschker was in de jaren ’60 bij Andries van den Bosch aan de deur geweest omdat er in het dorp geruchten gingen over, wat hij noemde, de Merskenbijl. Waarom bij Van den Bosch? Van der Horst legde dat in zijn artikel haarfijn uit. De jongens waren er eerst mee naar de vader van Bram Kieft, het schoolhoofd gegaan, die er weinig over wist te zeggen. Deze verwees hun door naar de plaatselijke dominee, die kon er ook niets over zeggen. Zo waren de jongens bij Van den Bosch terecht gekomen die hem bekeek en de steen tegen een geringe beloning van hen over nam. Alleen Jan Boschker kreeg weinig informatie van Van den Bosch. Hij had de steen van de jongens niet meer en wees de nieuwsgierige bezoeker de deur. Jan Boschker kende het gerucht ook, zonder dat blijkt, dat hij Van der Vliet die twee dorpen verder persoonlijk kende. Hij kende Van den Bosch wel als steentjes zoeker en ze waren dorpsgenoten. “Nee, hij had de steen van die jongens niet meer en hij wenste het er ook niet meer over te hebben.” Hierna legt het geschrift “de Strijdbijl van Wijnjeterp” Boschker de woorden in de mond dat het ging om een zwerfsteen, een gewone kei of zo. Wat Jan Boschker werkelijk gezegd heeft, is niet meer te achterhalen, hij is inmiddels overleden. Maar het geschrift “De Strijdbijl van Wijnjeterp” bestaat nog, zelfs 500-voudig, heb ik begrepen en de auteurs hebben op hun manier alle moeite gedaan om de zaak van de niet gevonden maar gekregen vuistbijl weer in de doofpot te krijgen. Een zaak die ook 500-voudig ricocheert is, dat er meer mensen in het dorp op de hoogte waren en ook meer dan de genoemde, die wisten dat er een vondst op de Mersken achter de tegenwoordige bebouwde kom van Wijnjewoude was gedaan van een wat groter werktuig, een bijl. Verder zijn er daar alleen maar kleinere objekten gevonden.

Waarom halen de auteurs van de Strijdbijl dit voorval aan? Om aan te tonen dat de vondst op de Mersken volgens hun niets voorstelde. Maar Boschker wilde, toen ook nog een jonge onderzoeker van nauwelijks 20 jaar, zonder dat hij wist, dat de steen waar hij naar informeerde, naar Lippenhuizen was meegenomen, dus via onafhankelijk onderzoek, meer weten over de bijl die volgens Haaije Loopstra op de Mersken was gevonden. Maar in het begin van de strijd om het vinderschap van de vuistbijl ontkende de familie Van der Vliet, ook maar ooit enige relatie met deze schrijvende melkboer, notulist van Plaatselijk Belang en correspondent voor plaatselijke bladen te hebben gehad. Andries van den Bosch schreef vier notulenboeken vol, een behoorlijke produktie, als we dat vergelijken met de krabbelende aannemer Van der Vliet met zijn gelegenheidsstukjes. Niettemin stonden Hendrik van der Vliet en zijn zoon Hein binnen veertien dagen bij de zoon van Van den Bosch in Almere op de stoep, met een aantal stenen, waaruit hij kon kiezen. “Was het deze of leek hij meer hierop?”

DCIM100MEDIA
briefje van den Bosch en commentaar van Bram Kieft.

Zoon Anne van den Bosch begreep wel waar het om draaide, toen vader en zoon van der Vliet bij hem aan de deur kwamen met een aantal stenen. Hun bedoeling was dat hij daar de juiste steen, die zijn vader naar Lippenhuizen had meegegeven – of meegenomen, zou aanwijzen. Terwijl die zoals iedereen wist dat die in het Museum in Gorredijk lag. Wat een naïviteit van Hendrik en Hein v.d. Vliet jr. ! Het ritje naar Van den Bosch in Almere toont ook aan dat de kinderen van v.d. Vliet precies wisten welke weg de bijl was gegaan. Anne van den Bosch begreep dat hij misleid zou worden en de reizigers vingen bot, net zoals Boschker bij zijn vader bot had gevangen, de zoon wist overigens wel degelijk, dat de steen van zijn vader via de collectie Van der Vliet in het streekmuseum van Gorredijk terecht was gekomen. Interessant detail was, dat Anne zei dat zijn vader hem had gebracht. Dat zal wel geen speciale rit zijn geweest, de vuistbijl is meegenomen, toen de vroeger twee zo anti-militaristische kameraden weer eens een afspraak hadden om met hun vrouwen gezellig avondje te hebben en een bakje koffie te drinken. Het feit dat de twee families elkaar niet kenden, kon dus niet meer onder de mat worden geveegd. In de eerste reakties in de kranten werd deze relatie ten stelligste ontkend. Een aannemer die omging met een melkboer? Te belachelijk om ook maar uit te spreken. Die steen lag zeker niet in de doos die Hendrik en Hein jr. mee hadden genomen. Alleen het feit van de overdracht en de datum, daar was Anne van den Bosch niet bij geweest. De Van der Vlieten verwachtten, dat hij dat wel wist en dat hij een steen, liefst de foute, want dat waren ze allemaal, zou herkennen als het bedoelde werktuig. Dan hadden ze pas echt kunnen triomferen met een artikel in een krant: “Zoon Van den Bosch wijst foute steen aan.”

De familie van der Vliet had nu meerdere aanwijzingen voor het spoor dat de bijl na de eerste ruil met Van den Bosch had afgelegd, geopenbaard – of liever prijs gegeven en daar maakten Hendrik en zijn zoon Hein zich zorgen om. In hun verdediging in de strijdbijl machineren ze flink met wat Anne van den Bosch als omschrijving gaf: “Een steen in de vorm van een pruimepit,” schreef hij in een brief aan Jappie Bouma, die ik onder ogen heb gehad. Zijn vader was zeer op die steen gesteld geweest. De zoon voegde er aan toe: “gegeven of gekocht, dat weet ik niet.” Daar gaan de auteurs van het Strijdbijl-vod dan mee aan de haal door uit te leggen dat de zoon van Van den Bosch niets meer zeker wist over de aard en de vorm van de vuistbijl. Nou, me dunkt. Zelfs wanneer Van den Bosch junior naar het museum in Gorredijk gaat om het wonder te bekijken, blijft hij er bij dat zijn omschrijving zo slecht nog niet was. Maar of het dezelfde is? Het is per slot van rekening al zo lang geleden. Daar maken de Van der Vlieten dan weer gebruik van om te zeggen dat het dan dé steen wel niet zal zijn, ook zeggen zij, zonder te citeren dat Van den Bosch liever spreekt van een steen, die naar Lippenhuizen is gebracht, dan van de steen. Dat citeren zonder aanhalingstekens lijkt me ook weer misleiding. Zo werd het publiek ook misleid en ze schreven het Strijdbijl verhaal voor het publiek, dat als rechter zou moeten oordelen, dat “Wij” geen gelijk konden hebben. Het “Gesunde Volksempfinden” wat we kennen uit een zeer duistere en bruine tijd, zou als wapen worden ingezet. Misschien hadden en hebben de familieleden wel een geheim verleden te verbergen.

Ze vervolgen hun eigen bewijstrant met de de suggestie dat er twee bijna identieke stenen gevonden zijn: een te Wijnjeterp op de Mersken en een op de Poasen anderhalve kilometer westelijker. Maar waarom wordt die andere – overigens niet zo identieke steen dan niet in “Het vod” afgebeeld? Dat mag merkwaardig heten. Waarom niet? Wij hebben die afbeelding wel (hierboven gepubliceerd) en dan blijkt dat die steen niet zo identiek is. De heren doen hier nogal wat moeite om te verklaren dat er een echte en een onechte steen moeten zijn geweest. Wie die stenen trouwens vergelijkt, ziet dat die tweede steen in de verste verte niets had van de vorm die Anne van den Bosch zo plastisch omschreef. En dank zij het valse protocol van Ernst Huisman en Maat met de afbeelding van die tweede steen, is er op een zeker moment een oplossing: de andere, nergens op lijkende steen, die Hendrik en Hein nu juist niet mee hebben genomen, zou jarenlang bij de jongste dochter van Van der Vliet op de schoorsteen mantel hebben gestaan. Maar ook hier gaat E. Huisman de fout in: hij heeft mij enige weken eerder verklaard zij de steen uit een border van een perkje bij haar huis had getrokken. Ze had hem destijds meegenomen uit Lippenhuizen als aandenken, zo niet relikwie van haar aan haar vader, niet dat hij van de schoorsteenmantel kwam. Waarschijnlijk zat er dus tuingrond aan en geen leem, zoals Ernst Huisman en Maat later verklaren. Maar, als hij jaren op de schoorsteenmantel heeft gestaan, dan zal hij toch eerst wel even afgeboend zijn. En als de oudste dochter zegt, dat ze niet weet waar de steen gebleven is, is dat ook een leugen, een weeffoutje in het bedrog. Volgens mij wisten de dochters alles van elkaar. Alleen toen er gefantaseerd moest worden bleken de fantasietjes niet overeen te komen. Die steen heeft ook alleen maar om het verhaal sluitend te krijgen een plaats op de denkbeeldige schoorsteenmantel gekregen. Die oudste dochter heeft die andere steen ook nog eerder gezien: hij zou door “een man” zijn gebracht en daar zou haar vader een tabaksbon voor over hebben gehad, net als Van den Bosch voor de steen van de jongens. Maar Van den Bosch rookte ook niet, wat moest die met een tabaksbon? Aan “die jongens” geven? Maar die hadden hun tabaksbon al gehad! Wat een onlogica. Maar ook hier, bij deze verklaring is haar geheugen vals: Hoewel ze al uit huis was, kenden in deze besloten gemeenschappen de mensen elkaar van haver tot gort. Ze moet zeker geweten hebben dat haar vader de echte steen van zijn antimilitaristische vriend Van den Bosch had verkregen. Wie de valse steen heeft gebracht, wordt niet verder nagezocht: ik vermoed dat die door Ernst Huisman (alweer een Húskeman) in 1990 is gebracht, bij hem zag ik het polaroid kiekje thuis op tafel liggen. Wat nog meer verwondering mag wekken is dit: Waarom beeldden ze deze steen niet af in hun brochure? Dat mag duidelijk zijn: hun daden kunnen het licht niet velen, ze zijn te laf om hun vuile streken in het openbaar te tonen. Jappie schreef er met koeienletters in: dit heb ik niet gezegd. Welaan, die steen en dat dwaze protocol zetten we op deze webstek. Wel een of twee keer klikken, dan wordt het beeld duidelijker.

De jongens hadden hun steen voor een tabaksbon aan Van den Bosch gegeven. Boschker zocht deze zelfde man op vanwege een bijl. Het spoor naar Van den Bosch was maar al te duidelijk. Dat kun je niet meer terug redeneren tot “een steen,” sufferds die jullie zijn! En de nazaten van Van der Vliet erkenden met het bezoek aan de zoon van Andries van den Bosch, Anne, dat de relatie tussen de aannemer en de melkboer wel degelijk bestaan had. Ze bleken zo bleek ons in hetzelfde zelfde anti- militaristische milieu te hebben verkeerd. En toen we, nadat de zaak een beetje geluwd was, een bezoek gingen brengen aan de dochter van Andries van den Bosch in Beetsterzwaag, toen bleek dat de beide gezinnen met hun vrouwen een of twee keer per jaar bij elkaar kwamen voor de gezelligheid. In het Fries “jounpraten” genoemd. Alweer een bevestiging dat de twee gezinnen elkaar goed kenden. Wie weet 40 jaar na de oorlog, na de z.g.n. vondst en na het bedrog nog, waar degenen wonen die de droom kunnen verstoren? Juist, degenen die het bedrog hebben gepleegd. Daar werd, vertelde onze zegsvrouw, ook nog wel eens over wat anders gesproken dan politiek en aardappelschillen en soms gingen de mannen naar de voorkamer van het huis met het nummer Merkebuorren 25 waar ze over meer specifieke zaken spraken. Daar werd de bovenste lade van de ladenkast wel eens open getrokken, waarbij de melkboer aan de timmerman nieuwe aanwinsten op het gebied van steentijdvondsten liet zien, die dan bekommentarieerd werden. “Ook ging er wel eens het een of ander mee naar Lippenhuizen,”zei Froukje van den Bosch nog, “maar op een gegeven moment zijn die geregelde bezoeken opgehouden.”

Er moet iets tussen de oude vrienden zijn voorgevallen, dat een breuk veroorzaakte die niet meer geheeld kon worden. Over de oorzaak wist Froukje niets, maar de visites eindigden zo ongeveer tegen het eind van de veertiger jaren. Wij hebben daardoor wel het idee dat we in een zekere richting moeten zoeken. We hadden dus nu de dubbele erkenning, dat er wel degelijk een relatie bestond tussen Van den Bosch en Van der Vliet. Maar de naam van de collega steentje zoeker zouden de nazaten de timmerman niet meer in de mond nemen; wel werd het nu nijpend: het werd tijd om de ruiling van een steen voor een tabaksbon te gebruiken. Het verhaal werd gedupliceerd en op een andere situatie toegepast zoals we hier boven zagen. Een verhaal dat het museum in Gorredijk niet bij de collectie bijgeleverd had gekregen. Maar dat is toch merkwaardig: dat één en hetzelfde verhaal wordt gebruikt voor zowel het ontkennen van een ruiling, als het erkennen van een zelfde soort ruil, waarbij in het tweede geval, dat van “de Vlietjes”, heel andere en anonieme personen de acteurs zijn. Dat tweede verhaal riekt naar vervalsing. Waarom gaf van der Vliet voor een waardeloze steen een tabaksbon aan iemand die niet rookte? Wat een naïeve constructie!

De vuistbijl waar Hein van der Vliet in 1947 mee op de proppen kwam, werd beschreven en om te voorkomen dat iemand “spelbreker” zou spelen en zou roepen “dat is die van ons” en zo werd er een min of meer plausibele vindplaats aan vast geknoopt. Er leek dus niets aan de hand. Zorgvuldig waren alle sporen van een ruiling ontkend en vernietigd. Dachten ze. En even zo zorgvuldig bouwde de timmerman-aannemer een verhaal op over het vinden van het werktuig, dat uit de mammoetjagers periode komt. En wel op een plek die hij enigszins kende. Hij was daar in 1939 nog geweest om de resultaten van een opgraving te beschouwen. Hij had in verband met de ontginning van het veld, dit al tijden in de gaten gehouden, omdat J.H. Popping, die hem er op geattendeerd had, vond dat dit steentijd graf niet zonder onderzoek vernietigd mocht worden. Eindelijk in augustus 1939 kon dat toch nog geschieden, hoewel de ontginning en het omzetten van het veld de grafheuvel al voorbij was. Het stukje waar de bult in lag, was tijdelijk gespaard. Op de foto van de opgraving is te zien dat men de heuvel al voorbij was. “Zie: Vod, fotokatern.” Want dit veld, deze ontginning en deze opgraving spelen een cruciale rol in dit verhaal. Laten we dit terrein maar eens beschouwen.

DCIM100MEDIA
Kopie uit de hand gemaakt. naar origineel in Arch 3 provinciën, Assen

Tussen de Poostweg en een paar schrale kampen land die een jaar of zeven eerder al door een particulier waren aangemaakt, lag in 1939 nog een stuk heide, dat in bezit was van de adel in Beetsterzwaag. Het kaartje in “De strijdbijl”, alias “het Vod” op pag. 80, schrijft: domeinen. In het kader van de werkverschaffing zou dit door de daarvoor opgerichte maatschappij De Drie Provinciën worden ontgonnen. Daartoe werd door de Nederlandse Heidemaatschappij het veld opgemeten en de hoogte bepaald om later tot een gelijkmatig vlak veld te komen. Met de minste moeite en de minste kosten, het was immers krisis en er kon geen geld worden verspild. Het kwam er op neer, dat van het noordelijkste en smalste stukje van het veld ongeveer een stek zand moest worden verkruid, om het “bovenste perceel” te egaliseren en een illegaal zandafgravinkje te dichten. Er werd een aantal schaftketen, kruiplanken, kruiwagens, een smalspoor en lorries en nog wat andere hulpmiddelen aangerukt. Als er grond moest worden verplaatst, dan moest dat over de kortst mogelijke afstand, want vanwege het krappe budget moest er behalve met het materiaal ook met de beschikbare arbeidskracht worden gewoekerd. Het veld zou 40 tot 60 cm. diep worden doorgezet en de afgebrande heideplaggen zouden op 20 cm diepte worden gelegd en daarna bezand, om vervolgens met lupine, serradella, of anders haver te worden ingezaaid, om de grond vruchtbaar te maken om het zand, stuifzand, dat hier in de loop van 20 eeuwen heen was gestoven, vast te leggen. De snelheid waarmee werd gewerkt wettigt het vermoeden dat het eerste perceel al in mei kon worden ingezaaid. Belangrijk was ook de afscheiding van naastliggende percelen. De bestaande sloot zou opnieuw worden opgemaakt. De kaart die bij de plannen hoorde, stelt de diepte op 1,25 centimeter. De plannen spreken echter van een meter, en wat er in 1990 nog bestond van dit slootje, is te zien dit laatste in uitvoering is gebracht. Uit de bodem van het oude slootje zou er welgeteld één stek grond moeten worden gehaald. De kant van het te ontginnen veld zou met heide plaggen worden opgezet, vijf lagen dik, om het losse zand te vast te houden en te garanderen dat de waterlossing niet dicht zou komen te zitten door inwaaiend en ingespoeld los zand. Zo staat het in het archief van de Drie Provinciën te lezen. Het veld zou dan ook zo spoedig mogelijk na de egalisatie en omwerking moeten worden ingezaaid. Nog een maand later kon ook het tweede perceel waarschijnlijk ook worden ingezaaid.

In 1969 lag dat op te maken slootje er nog zo bij, alleen stond er een nieuwe boerderij naast en woonde er een andere bewoner dan in 1937. Een of twee plaatselijke Jappie’s en Brammetjes of de jongens van Aans die er tegenover woonden, hadden er fietssporen in deze, in de zomer droog liggende greppel achter gelaten. Bij de ruilverkaveling bleef het voorste stuk van het slootje tot de eerste dam van de weg tot de hoogte van de stal bestaan. We maakten er in 1990 of 1991 foto’s van, met een meetlat met een opgetekende schaal van 50 cm en met een voorwerp van een vaste maat, de steel van een spade, vanaf het blad tot de “jelte” een meter. Nog steeds was er op deze plek geen sloot van 2 meter diep en, hoe breed moest die dan wel niet geweest zijn? Dit slootje heeft nooit anders heeft gelopen, er werd recht voor de sloot geen duiker gelegd. Het water werd afgevoerd in de richting van de Poostweg. (kopie kaart.) De oude afwatering onder de weg ligt er nog steeds. Deze ligt westelijk van de toenmalige boerderij van de gebr. Aans, tegenover het ontgonnen perceel. Deze buis is nooit verlegd of verlaagd en al het water van het terrein zou door deze buis met een doorsnee van 50 cm. worden afgevoerd. Die buis, circa 60 cm onder het tegenwoordige asfalt, dus niet erg diep gelegen, dient nu alleen nog voor afwatering van het slootje langs de Poostweg. Op de tekening in “de strijdbijl” wordt dit punt nog steeds aangegeven, de hoge ligging van de buis maakt die diepere sloot tot een kletsverhaal. De waterscheiding tussen de nieuwe afwatering en de oude wordt door een stippellijn aangegeven. Ook te zien op de tekening op blz. 80 van “Het Vod” Wat op de kaart van de ontginning stond, is ook werkelijk zo uitgevoerd blijkens het nog bestaande slootje. Het andere water wordt nu naar achteren en halverwege overdwars afgeleid naar een nieuw gegraven tochtsloot om via een stuw en een duiker onder de Hooiweg door af te stromen in de richting van het Koningsdiep. Er zijn dus genoeg zaken overgebleven om aan te tonen dat zekere personen niet met de modder smijten die uit dit slootje is gekomen. De “deule” mag weten hoe; maar dat ze met de feiten en de cijfers een loopje te nemen is duidelijk. Maar het meeste vuil waar ze mee gooien is waarschijnlijk een afscheiding uit hun niet zo schone brein, dat blijkbaar onmetelijke afmetingen heeft en onverwacht veel opslagruimteruimte voor rottigheid had.

We stappen nu over naar het zogenaamde vinden van de vuistbijl en lezen wat er door de latere bezitter over zijn grote vangst (vondst?) werd gezegd. De vindplaats van het werktuig moet een dwaalspoor zijn geweest om eventuele tegenspraak de grond in te boren. Hij moest een zo plausibel mogelijke plek vinden waar het ding vandaan zou zijn gekomen. Als kleptomorf persoon was hij tot nu toe niet ontmaskerd en tot zijn vroegtijdig overlijden in 1956, zou dat ook niet gebeuren. In de Heerenveense Koerier schreef hij op 24 dec 1950 het volgende:

“Kort voor de Tweede wereldoorlog dwaalde ik eens door een ontginningsveld bij de Posen te Wijnjeterp op zoek naar zwerfstenen of naar bewerkte steentjes van de voorhistorische mens. Bij een leemwal langs lopende waar toen kortgeleden een nieuwe sloot was gegraven werd mijn aandacht getrokken door een steen die tussen de bovenste leemspitten lag. Ik raapte hem op en bekeek hem eens. Het was een ruw behakte vuursteen van een typische amandelvorm eigen aan vuistbijlen uit het oud paleolithicum.”

Deze tekst op de keper beschouwd en uitgeplozen, levert een groot aantal onwaarschijnlijkheden, zo niet onjuistheden op. Dit is het eerst verschenen artikel, waarin de oude heer Van der Vliet zijn bezit aan de wereld kond doet. Het verhaal zou nog twee maal in een telkens iets andere en aangevulde vorm herhaald worden. Dit moet de eerste en minst doordachte versie zijn. Punt 1. Hij raapt de steen op en neemt hem mee naar huis om hem nader te bestuderen met behulp van zijn oudheidkundige boeken. Dat was volgens de “Schr.” in september 1939. Zo zegt hij dat in de volgende alinea van het artikel, dat we hier niet laten volgen; zie bij de bijgevoegde kopiën. Vijf alinea’s verder komt de aap uit de mouw: hij haalt alleen het artikel van Oppenheim uit 1947 aan waarin zo’n vuistbijl werd beschreven, meer van dit soort afbeeldingen pretendeerde hij niet te hebben (Die hij wel had, waren fout en daar dacht hij op dat moment niet aan, of hij refereerde er niet aan, omdat niet op zijn rol in de Bruine Tijd in te gaan) Punt 2. Blijkbaar heeft hij in de tussenliggende acht jaren geen enkel oudheidkundig boek met een voorbeeld van zo’n soort werktuig kunnen vinden. Hij redeneert in 1950 terug naar zaken die hij niet waar kan maken, terwijl hij vergeten is, dat hij daar toch wel iets van in huis had en waarvan hij de meest karakteristieke uitdrukking citeert. De leugenaar! We weten aan die uitdrukking van “ruw behakte vuursteen”, dat hij dit moet hebben gelezen in de begeleiding, die bij de tentoonstelling van “Wat Aarde bewaarde” werd uitgegeven. (De titel van het begeleidende geschrift was overigens: “Wie kent Germanje?” Je krijgt er nu nog de bruine bibbers van!) Die tentoonstelling stond van half juni tot half juli 1943 in de Harmonie in Leeuwarden. Als hij dat toen heeft gelezen, moet hij daar geweest zijn en dat is dan weer een teken, dat hij, behalve dat hij stukjes schreef voor het Noorderland, ook zó belangrijk was, dat hij, voor laten we zeggen, de opening werd uitgenodigd. (Met misschien ook nog een vergoeding voor de verreden benzine? Want de bezetter en hun handlangers hadden er veel voor over om zwak staande figuren in hun kamp te trekken.) Het kan ook zijn, dat hij dit begeleidende geschrift pas omstreeks 1950 in handen heeft gekregen en misschien achtte hij toen nog steeds het niet opportuun om de herkomst van het onopzettelijk aan zijn pen ontglipte citaat te vermelden. Het kan ook gewoon de slip of the tongue zijn, die elke willekeurige onnozelaar kan ontsnappen. Aan deze kleine woordjes zit in de meest strikte redenering een stevige bruine korst gebakken en daar zou hij wel voor oppassen om hier aandacht mee te trekken door de bron te noemen. Maar gelukkig voor ons vonden we die bron en ongelukkig voor hem, werpt dat een heel ander licht op zijn persoon. Zijn zoon en diens handlanger Ernst Huisman vermijden de gedragingen van deze man ook, ze wisten waarschijnlijk nog veel meer over het gedrag van deze man in de tijden van “Mof.” Dit laatste is een uitdrukking die kleinzoon Klaas Geertsma me stuurde. We zullen hem nog tegenkomen als eiser in een proces.

Pas in 1947 – punt 3 – krijgt Oude Hein de tekening van Oppenheim bij het onderhavige artikel in handen en dan is de gelijkenis volgens hem volkomen. Nou, ja de maten kloppen niet, er mankeerde zeker twee centimeter aan, in vergelijking met Oppenheimers steen, wat heel wat is, voor een ding dat in een vuist past, terwijl van die Limburgse steen ook nog het bovenste deel ontbrak. Observatie was in dit geval niet zijn sterkste kant. Ook meldt Oude Hein niet, wat P. van der Lijn, die een tekening maakte bij het Artikel in “Mijnbouw en Geologie” wel zag: dat de gehele steen in zijn bestaan was gepolijst, iets wat windlak wordt genoemd. Noch van der Vliet, noch latere onderzoekers maken hier een punt van als ze trachten deze natuurlijke bewerking met de vindplaats in verband te brengen. Bohmers benoemt dit met “Windschliff” maar trekt de merkwaardige conclusie dat de steen al, voor dat hij door het stuivende zand bedekt raakte door datzelfde zand was “gewindlakt”. Ook zit er bij plaatsen met een witachtige verkleuring op de steen die wijst op invloeden van water en/of van zon. ( De eerst geplaatste foto) Vergelijk dit eens met de recente vondsten van “Assen!” Die zijn scherp, hoekig, zonder zonnebrand, waterverkleuring en zonder windlak. (Volgende foto)

Punt 4. De foto in: “Wie kent Germanje?” – de begeleiding bij Van Wat Aarde Bewaarde – had hem in 1943 niet op het idee gebracht dat zijn eigen, al dan niet zelf gevonden steen, dat laten we even in het midden, een vuistbijl is. Een woord dat letterlijk naast de foto is afgedrukt en dat tot dat moment niet het gangbare woord was. Verder bezat hij ook “De Hamer” waarin wel twee keer een artikel stond, met telkens dezelfde ondertoon, dat het jammer genoeg zo was, dat dit soort werktuigen nog niet in Nederland waren gevonden. ( Zie ook Natuur en Techniek 1/ 1974, pag 28.) De mooie scherpe tekeningen in “de Hamer” waren ontleend aan H. Hahne “Das vorgeschichtliche Europa”. Ze redden hem dus niet van zijn bluf, dat hij dit voorwerp al voor de oorlog had opgeraapt. Hij had zijn voorwerp veel eerder kunnen herkennen en er mee naar buiten kunnen komen. Als hij het voorwerp had gehad. We weten uit latere informatie dat hij deze bladen bezat. En vanwege zijn drie maal de kans missen, om de steen tegen grote eer en tegen meer dan kopgeld – kapitalen had hij er toen mee kunnen verdienen – zegt, dat hij de steen niet bezat. Al beweren zogenaamde getuigen dat ze de steen al voor mei hebben gezien, maar daarover straks. Er zitten evenwel nog meer fouten in zijn verhaal.

Punt 5. In het citaat hierboven vertelt hij dat “daar toen kortgeleden een nieuwe sloot was gegraven.” Aangezien de naastliggende kavel al eerder, na 1930 maar voor 1937 in cultuur gebracht was, was dit zeker ook met sloten, hoewel niet al te diep, afgegrensd en om het uitbreken van koeien door een vaak droogstaande kavelsloot te verhinderen en was deze, zoals vaak nog extra afgescheiden met prikkeldraad. Dit alweer volgens het veldkaartje op blz. 80 van “de Strijdbijl.” Wat is dat geschrift toch een geweldige bron, eentje die je de gegevens van het tegendeel van het beweerde in handen speelt. De waarheid is, dat de plannen ervan spreken om de naastliggende sloot op te maken tot een waterleiding. Nu kun je met het begrip waterleiding alle kanten uit, maar aangezien ik in Vledder zelf in de waterleidingen gewerkt heb, kan ik zeggen dat er diepere en minder diepe waren. Maar de diepste waren nooit zo diep dat je er niet met het bovenlijf, vanaf je middenrif boven uit stak. En dan heb ik voor de huidige begrippen ook nog niet eens een grote gestalte. Op het kaartje op blz. 80 staat tegen alle feiten in: stroomsloot; wel 2 meter. Daar kun je gewoon de foto van de sloot van vandaag en die uit 1990 naast leggen en zien dat ze corresponderen met de oorspronkelijke plannen en niet met de feitenverdraaiïng overeenkomen van Ernst Huisman, het intellectuele factotum (fact total lorum – fact total-los?) in dienst van de familie en tevens mede-redakteur van het boek. We zien de intrigant niet bestaande zaken inbrengen om zijn gelijk te halen. Laten we dat gewoon bedrog noemen. Deze diepte zou toen en ook later niet genoeg zijn om het leem te bereiken, er moest door deze kleine Húskeman ook nog met het veld en de hoogten gemanipuleerd worden ten dienste van zijn en Van der Vliet’s gelijk, door zandafgravingen en verplaatsing van grond te suggereren. We kunnen de cijfers op de kaarten uit 1939 en 1977 naast elkaar leggen, de cijfers zijn vrijwel gelijk. Bijgevoegd, hierna. Het blijkt dat er geen zand afgraving is geweest.

Punt 6. Een ding wist Van der Vliet overigens niet. Het was bijzonder riskant om er op te speculeren dat er ergens in het slootje wel leem boven zou zijn gekomen. Maar dat hij er een hele leemwal zag, dat is op het hele ontginningsterrein onmogelijk geweest. De geologische kaart die in de 50-er jaren verscheen maakt daar korte metten mee. Geen van de toen gemaakte sloten, greppels, waterafvoeren of wat dan ook, is tot in de leemlaag uitgegraven en het blijkt opnieuw, dat alles volgens het plan uitgevoerd. We hebben daar de gegevens van, af te leiden uit de boorstaten, die op een kaart van het ontginningsgebied uit het rijksarchief in Assen voorkomen. Geen van de boorpunten reikte tot het leem. Leemwal is dus een leugentje om het verhaal plausibel te maken. Van elk der boorstaten is apart opgetekend wat men voor soort grond in die afgeboorde meter tegen kwam. Aan de oostkant van het perceel is dus geen nieuwe sloot gegraven, er is hoogstens “in foech greppel” opgemaakt tot een waterleiding, door er een extra stek zand uit te halen. Als hij hier geschreven had, dat hij langs een zandwal liep waar een enkele spit leem op of tussen lag, dan had hij nog steeds gelogen, want om die ene stek grond een wal te noemen, is ook als aanpassing van de feiten aan de theorie van het vinden ontoelaatbaar niet wetenschappelijk en een loopje met de feiten.

Punt 7. Hij leidt zijn verhaal in door te schrijven dat hij zocht naar zwerfstenen en ook naar bewerkte vuursteentjes. Dat tweede kan waar zijn, maar kleine artefacten van de Posen komen niet in zijn collectie voor. Het eerste is zeker niet waar, want, dat verklappen de auteurs van de Strijdbijl van Wijnjeterp ons zelf: pas later, na de vondst van de vuistbijl, begon hij zich te interesseren voor zwerfstenen. ( pag 12) Hoe dom kun je zijn? Hoe ver kun je gaan om een duidelijk bedrog te verdedigen?

Punt 8.

Dat hij “eens” door een ontginningsveld liep is ook niet waar. Namens Popping hield hij het veld in de gaten. Hij kan dat vanaf de weg gedaan hebben, maar waarschijnlijker is, dat hij er meerdere malen is gaan kijken en dat, als hij de steen daar gevonden had, zijn aanwezigheid geen toeval was. En dat suggereert hij wel, omdat hij dit aan het begin van het verhaal zegt, is het zo dat de rest van het verhaal op deze gespeelde toevalligheid is gebaseerd. Of hij ook werkelijk op het veld is geweest, is een nog openstaande vraag: het zal nog blijken bij de lijst met de overgedragen objekten aan het Museum te Gorredijk, dat daar geen enkel klein bewerkt steentje van de Posen bij zit. Toch noemt Van der Vliet in de Heerenveense Koerier nog enige termen, die direkt na elkaar op de bladzijden 49 en 50 van “De voorgeschiedenis van Nederland, voorkomen. n.l. Chelleen, Achuleen en Mousterien. De auteur A.W. Bijvank behandelde daar ook de vondsten van Rijkholt – St. Geertruid vrij neutraal, waar Van der Vliet dit nogal kleineert. Zou dat zijn om zijn eigen vondst op te hemelen? Want, men had toen nog niet onderzocht wat de aard van de vuursteenvondsten daar was. Het bleek het centrum te zijn waar grondstoffen, – vuursteenknollen – en halffabrikaten vandaan kwamen. Het boek van Bijvanck in de literatuurlijst van ons genie kwam pas in 1946 van de pers. Van der Vliet heeft er dus 7 jaar over gedaan om thuis literatuur te kunnen inzien. Wat een rammelend verhaal! We zien hem hier in dit korte stukje tekst acht keer tegen de mat slaan, zeg maar: de fout in gaan. Of om het wat onvriendelijker te zeggen, dat hij een slag over de snoet heeft gekregen, of evenzoveel malen in zijn hok terug is geschopt. En met hem zijn familieleden, die al acht, negen keer niet in staat zijn aan te tonen, hoe ze de vuistbijl in hun collectie hebben gekregen. Nog een vraag: waarom noemde hij niet de eerste en tweede druk van het boek van Bijvanck? En uit welk werk gebruikte hij diezelfde termen voor zijn artikel in It Heitelân in 1941 dan wel ?

DCIM100MEDIA
Archief de 3 provinciën.

Punt 9.

Als hij de steen zogenaamd oppakt, ziet hij als eerste dat die ruw behakt is, om vervolgens te zeggen dat het past bij de amandelvorm uit het Mousterien. Om die bewerking ruw behakt te noemen is een understatement, de Mousterien bijlen waren al veel fijnzinniger bewerkt dan het voorbeeld in “Wie kent Germanje?” Maar om dat nu als eerste te noemen is gek. Wanneer Bohmers later het amandelvormige van de steen noemt, blijkt dat hij dit koppelt met het Mousterien. Waaruit blijkt dat de schrijver voor de 24e december 1950 contact met Bohmers zal hebben gehad. Kleine geesten ontlenen aan grote geesten en niet andersom, want Bohmers was tenminste afgestudeerd.(Niet één maar twéé keer.) Want het begrip amandelvormig stond niet in het artikel van Oppenheim uit 1947. In feite zie je op de steen de bewerking van die oppervlakte nauwelijks, die is door stuiven, zand en andere invloeden nogal van zijn scherpte ontdaan, de bewerking is en was, op dat moment zeker, moeilijk zichtbaar, vooral als er ook nog leem op zou hebben gezeten. Ook hier maakt hij een fout: Hij had beter kunnen zeggen dat hij een stuk vuursteen zag liggen dat anders van aard én anders van vorm was, dan hij normaal tegen kwam. In de erop volgende versies probeert hij zijn eerste onduidelijkheid over de vorm enigszins te herstellen. Daarbij wordt het eerste relaas toch enig geweld aangedaan, dus, is het eerste verhaal wel waar? Dit soort vuurstenen waren meestal afwijkende stenen en kwamen voor als brokken met scherpe breukranden en waren geregeld gedeeltelijk met verkalking bedekt. Normaliter werd daar bij het zoeken naar geologisch stenen juist geen aandacht aan besteed. Eigenlijk beweert hij, dat hij om kleine stukjes vuursteen zoekt, terwijl hij nu voor een groot stuk staat, waar hij feitelijk helemaal niet op gerekend had. Je kunt er wel zeker van zijn, dat het hele verhaal beredeneerd moet zijn, om een zogenaamde herkomst van het paleolithische objekt te construeren. Pas Bohmers gaf met zijn tekening van de vuistbijl dit stuk vuursteen de scherpte terug, die hij bij het maken, ca. 35.000 jaren geleden moet hebben gehad. Als we dit vergelijken met de foto’s van de artefacten die recent bij Assen gevonden zijn, dan zijn die veel minder afgesleten, scherper en brokkeliger. Ook hebben die geen windlak, hoewel ze onder dezelfde omstandigheden als die van Van der Vliet zouden zijn gevonden, als Van der Vliet tenminste niet liegt. In dit geval zullen we de kennis van Niekus c.s. maar niet betwijfelen. Vergelijk dit ook met de drie afbeeldingen. De Asser brokstukken hebben het kenmerk van ongereptheid, ze zijn inderdaad pas recent voor den dag gekomen en lijken niet gesleten en niet gebruikt. Volgens de foto’s in de NRC van 13 en 14 juni 2015 al zijn ze misschien wel half af en vooral ruwer, minder afgerond en minder geschikt voor direkt gebruik dan ons objekt. Als we de “slijtage” van de bijl van Wijnjeterp met die van Assen vergelijken, is dit een opvallend verschil. Als het verhaal van Van der Vliet een smoes is, dan is toont dat aan, dat het Wijnjeterper exemplaar lang aan de oppervlakte heeft vertoefd. In tegenstelling met de vondsten van Niekus c.s. uit Assen die pas recent in de laag beneden de omgewerkte bouwvoor naar boven zijn gekomen door diepte onderzoek. Dieper dan door ploegen met paardekracht mogelijk was. Een andere mogelijkheid, die ik alleen maar opperen wil, omdat de breuken van de Asser exemplaren zo “vers” lijken, is, dat men rekening zou moeten houden met vervalsingen. Wanneer Van der Vliet de bewerking van zijn stuk dan ook nog combineert met amandelvormig, dan komt hier uit naar voren, dat hij voor de eerste publikatie al de terminologie van Bohmers en diens kennis in zijn stukje in de Heerenveense Koerier heeft gestopt. Hij had beter kunnen zeggen dat hij een steen van een zekere vorm zag liggen die wel iets van een peer, een amandel, een groot uitgevallen pruimepit of een platgetrapt dennenappeltje of iets dergelijks zag. Hier draait hij de meest elementaire gewaarwordingen gewoon om. Eerst wordt het nauwelijks zichtbare genoemd en pas dan de kenmerkende vorm. Dat dit kenmerk later enigszins wordt bijgesteld, moet wel betekenen dat hij nattigheid voelde. Het kan ook zijn, dat Bohmers hem op de inconsistentie heeft gewezen. Wat moet je met een verhaal waar negen verdraaiïngen en of onjuistheden in zitten?

Dank zij de Strijdbijl van Wijnjeterp kunnen we nog beter aantonen dat deze waanwijze kwast er maar wat op los lult. (Waarom nu weer deze woordkeus ja, is het al niet erg genoeg dat deze man en deze familie is aangedaan? Antwoord: ten eerste heeft de kwast dit zichzelf aangedaan, ten tweede de familie en hun belangrijkste medestanders hebben er in hun mallotige tegenakties zelf ook aan bijgedragen, dat men hen niet anders kan beschouwen dan als charlatans.) In het fotokatern vooraf in het vod “de Strijdbijl” is een foto gepubliceerd van de opgraving. We zien drie mannen, een hoop grond en een uitgegraven vlak stuk grond. Maar, wie daar achter kijkt, ziet een vlak wit stuk zand dat kort te voren omgezet en geëgaliseerd moet zijn. De zandvlakte eindigt bij het volgende perceel, dat al in de vroege dertiger jaren werd aangemaakt. Daar tussen moet het slootje liggen, maar wat ons opvalt is, dat er geen zandwal, laat staan een leemwal ligt. Het is helemaal vlak. De foto is genomen op de 8e augustus 1939, op de plaats van de opgraving van een grafheuvel en waar de ontginning al een stukje voorbij was. Van der Vliet zegt dat hij hier nog geen maand later weer is geweest om de vondst van zijn leven te doen. Is dit wel waar? Aangezien de ontginning van het noorden af begon, weten we nu zeker dat er bij het maken van het slootje het weinige zand dat er uit kwam, vrijwel onmiddellijk is meegenomen in de egalisatie. Als Van der Vliet, zoals hij zelf beweert, een maand later hier naast deze kavelscheiding langs een wal van wat voor soort grond ook liep, dan houdt hij de lezer en zichzelf voor de gek. Die leemwal zou ook nog kort tevoren zijn opgeworpen. Tussen 8 augustus en 9 november, op een plaats waar nu nog steeds geen sloot is en die nu nog steeds niet meer dan een kavel scheidende greppel is, zoals andere in de omgeving. Maar ja, 1951 bijna 1952, is al 12 jaar na het aanmaken van het perceel. Kun je dit op geheugenverlies gooien? Het kan voorkomen dat je een foutje maakt, maar wat hij hier zegt, is een welbedachte constructie. Hij moet dit in de weken voorafgaande aan de publikatie bij elkaar hebben gebrouwen, want er komt ook de term amandelvormig voor, die we later weer bij de beschrijving van zijn bijl in Paleohistoria staat. Hij moet dit hebben opgevangen in zijn gesprekken met Bohmers, toen hij alle moeite deed om zijn vondst als eerste te mogen publiceren. Zo heeft hij allerlei schijnbaar logische en onlogische constructies en citaten verwerkt uit verschillende tijden, maar we vinden geen oudere gegevens dan hij voor juni 1943 kon hebben gelezen over dit oudste werktuig, dat er in die dagen in deze provincie was gevonden en naar men toen nog meende, dat in heel Nederland zulke vondsten nog niet waren gedaan. Het oog van de camera is in dit geval genadeloos, die wal – leem of zand, dat maakt niet uit – was er in augustus niet. En ook niet in september. Niet ter hoogte van de grafheuvel en niet aan de Hooiweg of ergens tussen deze beide punten. Zijn geheugen was nog goed in orde, zoals uit het “ruw behakte” blijkt, maar hij was allang vergeten dat dit bij de foto van een vuistbijl in een foute brochure hoorde. Dat hij daarna alleen de vondst van Oppenheimer als voorbeeld weet aan te halen, betekent dat hij op dat moment niet naar de besmette litteratuur die hij bezat, durfde te verwijzen. En dat, als hij dit voorwerp in de zomer van ’43 wel had, hij meteen tot kampioen steentjes zoeker van Nederland en heel Germanje, zou zijn uitgeroepen. Jammer dan, het had hem roem van de Atlantikwall tot Stalingrad kunnen opleveren.

Een paar maanden later – mei 1952 – verschijnt het artikel weer, nu in het Tijdschrift voor Mijnbouw en Geologie. Dan heeft de brave zoeker wat meer literatuur opgedaan, blijkbaar ondertussen gekregen, of met behulp van derden gevonden. Hij noemt daarbij ook H.J. Post, die ook tekeningen van werktuigen bij zijn tekst had. Duidelijker dan de tekening van 1947. Waarom staat er geen verwijzing naar de tekeningen uit dit boek, dat al voor 1939 is verschenen, bij het verhaal in de Heerenveense Koerier? Omdat hij dat boek tussen kerstmis 1951 en mei 1952 pas onder ogen heeft gehad. Als hij de steen mee naar huis had genomen, dan had hij zijn steen in 1939 zonder meer kunnen determineren. Maar wie leemhopen ziet, waar ze niet zijn, zal geen stenen oprapen die er niet liggen en die zal ook geen literatuur zoeken met passende afbeeldingen. Twee jaar na de oer-publikatie heeft Van der Vliet zich nog dieper in de nesten gewerkt. Maar het kan nog dieper: hij schrijft hier ook dat “zijn” artefact ter vindplaats diep uit de grond kwam, terwijl de vondst van Ubach, die Oppenheimer beschreef een oppervlakte vondst was.” Hoe diep eigenlijk: Dat schreef hij in “It Heitelân in 1952 in een derde versie: (vertaald) “op een paar meter diepte, wat overeenkwam met de diepte van de sloot, waar het leem met de vuistbijl uitkwam ….” We hoeven hier niet kleinzielig te zijn. Het gat was ongeveer twee meter diep, een vent komt er nauwelijks met zijn hoofd boven uit. Maar volgens alweer een foto in “De Strijdbijl” is de greppel op het stukje heide beduidend minder diep. (Geplot in de Contra-expertise, pag. 43.) Maar bij het artikel van Paleohistoria geeft Bohmers andere cijfers, hij komt niet verder dan 1.50 cm. diepte, tot hij leem vond. Ook liet hij onder in de put over de helft nog een stek leem uitgraven voor nader onderzoek. De bijl zat immers in het leem? En hij constateerde dat dit een gelige laag was. Zo lezen we in 1954 in Bohmers artikel dat er geel leem aan de steen had gezeten, en dat “de vinder” er af had geveegd. Ook al weer merkwaardig, dat dit niet in zijn eigen artikel staat, maar pas in Paleohistoria blijkt. Van der Vliet heeft Bohmers bevindingen nog even geaccomodeerd, met zaken die hij uit zijn mouw schudt. Overigens, alle tot nu toe gevonden artefacten van dit type, populair gezegd van de Mammoetjegers, zijn oppervlakte vondsten en uit een veld of akker, uit bewerkte cultuurgrond gekomen.

Zelf had Van der Vliet in 1950 en daarna geen geel leem gemeld. Maar na deze schijnbare toevoeging valt hij nogmaals door de mand “Heide, schrijft u?” Het was in de eerste versie, twee jaar eerder toch een ontginningsveld? Dat hebben we op de foto nota bene gezien! Toch zegt Bohmers dat Van der Vliet hem hier gevonden heeft. Zo staat het ook in het register van de foto’s die Bohmers ervan maakte: vindplaats Achuleenbijl” Dus is dit de wetenschappelijke en idem, dito beschreven vindplaats. En wat niemand had verwacht, bij deze vindplaats bleek weer datzelfde artikel te horen maar nu door de auteur zorgvuldig aangepast: “We (!) deden deze vondst op een perceel heide aan de Hooiweg….” Met een variatie op een bekend spreekwoord zou je in dit geval zeggen: “drie keer liegen is scheepsrecht.” Met al zijn gebreken in zich, eerst op het eerste perceel naast de Poostweg en dan de plotselinge verplaatsing naar het vierde perceel, is dit geen gecertificeerd bewijs dat het fameuze werktuig hier gevonden is en door deze persoon. Zo gaat iemand die voor wetenschappelijk door wil gaan, niet met zijn gegevens om. Het is gewoon geleuter. De vraag is tenslotte “Waarom handelde Hein van der Vliet zo?” Met zijn melding van geel(-achtig) leem sluit Van der Vliet aan op Bohmers’ onderzoek. De “specialist” en knoeier met gegevens Van der Vliet heeft dit voor 1950 niet gezien en gemeld. Het is een toch wel heel specifiek kenmerk van de vindplaats die Bohmers uit de staf van Van Giffen, kiekte. Er zijn nu nog steeds personen die zich specialist (!) noemen, die de kennis van Oude Hein wel erg hoog in schatten.

Voor we aan de vraag over het “waarom” toe zijn, moeten we eerst zien, wat de toch wel geschrokken familie heeft gedaan om het spook te bezweren. Hoe kun je bedrog dat je stamvader heeft nagelaten bezweren? Door de waarheid er over te vertellen. Dat had eenvoudig gekund, door te erkennen dat het voorwerp via een ruiling van Duurswoude naar Lippenhuizen was gereisd. Of zich te verontschuldigen voor de wartaal die hun voorvader hier had neergepend. Aangezien men deze zaken kostte wat kostte wilde ontkennen, omdat men de ware toedracht wel kende, maar nooit zou willen toegeven, moest er naar andere wegen worden gezocht. De eerste pogingen waren eenvoudig. Door een campagne van ingezonden brieven, zou men wel duidelijk maken dat de heer Van der Vliet een oprecht man was geweest. Dat hij verre van alle bedrog stond. Toen dat niet lukte, werd het argument laster ingebracht. Het artikel in De Neitiid zou lasterlijk geweest zijn voor de nagedachtenis aan de in 1956 overleden aannemer. De discussie werd al verwarder en fanatieker. Maar Van der Horst bleef bij zijn standpunt: “Van de ene hebben we het verhaal op papier en van de andere kunnen we het elk moment krijgen.” Terwijl Jappie Bouma, een van de vinders, zo nu en dan rare, soms ook verwarde bezoekers aan de deur kreeg, die hem van het idee wilden afhelpen dat de door hun gevonden steen dezelfde was, als die in de collectie van Van der Vliet lag. Toen de sfeer zich verhardde, zijn we bijeen gekomen en hebben besloten, dat als zich weer een iemand onder valse voorwendsels zich bij onze woningen zou vertonen, we dan alarm zouden slaan en de anderen op zouden roepen.

Uiteindelijk had de campagne in de pers geen succes. Beide partijen bleven tegenover elkaar staan. Goede raad was duur, zeker voor de familie Van der Vliet, want de eerste generatie nazaten, bezaten allemaal wel een huis, een boerderij of een boot of beide. Als zij wilden procederen zou het hun vrij wat geld kosten en op dat gebied was men zeer gevoelig. Als ze verloren, waren ze veel geld kwijt en dat zou ten nadele van hun onroerend goed gaan. Men was er zeer op gebrand om via het gerecht het spook te bezweren. Uiteindelijk kwam men uit het probleem: een kleinzoon, Klaas Geertsma die geen eigendom bezat, zou een proces aanspannen tegen Wouter van der Horst. Die zaak kwam in november 1990 voor. Geertsma kon bijna gratis procederen, het geld zou uiteindelijk via de sociale dienst van de Gemeente Groningen moeten worden betaald. Het kernpunt van de uitspraak was dat de heer Van der Horst zich zou moeten onthouden van negatieve uitlatingen omtrent de bijl de vondst en de vindplaats. Gewoon gezegd, Wouter kreeg over het onderwerp een spreekverbod als hij in het ongelijk gesteld zou worden. De rechter ging maar voor de helft in de eis mee: Van der Horst moest over de zaak zwijgen zolang hij daar geen nieuwe feiten voor had. Bovendien oordeelde hij, dat beide partijen hun eigen kosten moesten dragen. In voetbaltermen gezegd: een 1 – 1 stand. Blijkbaar had de journalist van de Drachtster Courant, Kroes, een andere uitslag verwacht. Hij als een van de journalisten van de Drachtster Courant had graag gezien, dat van der Horst een boete werd opgelegd. Daar zat een soort jalousie de metier achter: Van der Horst had in dezelfde krant voor een kwart pagina altijd carte blanche voor de rubriek van het Museum waar hij directeur van was. Kroes had zich te houden aan de redaktionele voorschriften. Nu er geen boete of een ander soort veroordeling viel, was Kroes zo slim om op te vragen wat de kosten van het proces waren. Dat was een 7200 gulden en Kroes suggereerde meteen dat dit gemeenschapsgeld was, dat aan het procederen was besteed. (pag. 69 van het “Vod.”) Inderdaad had het bestuur dit bij monde van de voorzitter dokter Visser toegezegd en vervolgens betaald. De gelijke stand werd dus ontsierd door een molestatie die buiten de lijnen was gebeurd, waarvoor Kroes overigens noch een berisping noch een ontzegging tot het veld kreeg, het mocht dan wel journalistiek zijn, maar objektief was het niet.

Ondertussen had Geertsma genoeg tijd om de meest lelijke dingen over zijn opponent te zeggen met het doel hem uit de tent te lokken. Wouter liet zich niet verleiden en reageerde niet. Langzaam verliep de tijd; er kwam een nieuw bestuur in het Museum het Bleekershuis en er kwam ook een nieuwe secretaresse. Het nieuwe bestuur koos een dagelijks bestuur en daarin zaten een raadslid en de man die geen wethouder mocht worden. Misschien dat die nu hier hun daadkracht wilde laten zien. In een van de vergaderingen kwamen de ontvangen brieven van de tegenpartij en van het buurmuseum in Gorredijk aan de orde. De inhoud ervan was verre van fris. Het had tot gevolg dat de nieuwe secretaresse, men vindt de naam van haar man in de boekjes van het Nederlandse Patriciaat, de notulen uitwerkte en deze tegelijkertijd met haar ontslag aanbood met de woorden: “Schoelje, te vies om met een tang aan te pakken.” Exit mevr. W.P. – S. Blijkbaar een van de weinige buitenstaanders die haar verstand niet verloren had. Of ze de collega’s in Gorredijk op het oog had, de brieven van Kl. Geertsma c.s. of de wraakzuchtige sfeer het eigen bestuur, valt niet nader te preciseren.

Er was ondertussen rondom de beide vinders wel het een en ander gebeurd. Op 27 juni kwamen Ernst Huisman en S. Maat, volgens de “Strijdbijl” een fietspomp lenen voor het toponiemen onderzoek. (p.38) Wat een kromme manier om te zeggen dat hij een lege band even weer bij Bouma had opgepompt. Het was evenwel geen toeval, het was opzettelijk zo bedacht om in contact met Bouma te kunnen komen en om Bouma te verlokken tot uitspraken, die zij konden gebruiken. En als ze die niet konden gebruiken, de uitspraken zo te vervormen dat ze wel van nut konden zijn voor hun doel. Namelijk om Bouma het vinderschap afhandig te maken en Van der Vliet tot enige echte vinder van het moois te promoveren. Maar zoals Bouma me later schreef was het Huisman die begon met: “Bent u dan niet de vinder van de vuistbijl?” En Bouma antwoordde dat met: “Ja.” Maar hij had spoedig genoeg van die twee snoeshanen, want die ene legde hem antwoorden in de mond. Dus stuurde hij ze weg. Op 23 juli (p. 42. van het Vod) waren ze er weer, hoewel Bouma hen geschreven had, dat hij niet weer met hen te maken wilde hebben. Ernst Huisman en zijn volgens Jappie Bouma nogal stille Maat, vertellen dan in de “Strijdbijl” dat Bouma hen bij die gelegenheid spontaan had verteld hoe de de steen er uit zag. Maar Jappie had niets gezegd, Ernst Huisman had het signalement van een andere steen gegeven, waarvan ik het polaroid afdrukje op tafel had zien liggen toen ik voor de laatste keer bij hem op bezoek was. ( een aantal pagina’s eerder afgebeeld) Noem dit gerust misleiding. Op 3 september kwam de aap uit de mouw: er werd een soort protocol bij Bouma afgeleverd, waarin hij erkend zou hebben dat hij de afgebeelde steen gevonden had. “Het leek meer op een olifants slurf,” schreef Jappie. Met een kopie van het polaroidje er boven. De heren, maar dan vooral de Húskeman hadden buiten de afwezigheid van de gepensioneerde schilder maar even een middel gemaakt, om Bouma verder klein te krijgen. Ze waren in hun woede, dat Jappie zich niet meer liet benaderen, blijkbaar zo ver gegaan, dat ze niet begrepen dat ze tot valsheid in geschrifte waren over gegaan. Van fatsoen moesten de heren het niet hebben. Ik zal dat fatsoen ook maar niet hebben en hun smerige protocol à la de manier van de wijzen van Zion – ergens anders kan ik het niet mee vergelijken – hier onder als bewijsstuk plaatsen en met hun eigen werkstuk een eeuwige smet op hun nagedachtenis bezorgen. Dat is het leuke van openbaarheid, want zelf durven Ernst en Hendrik de “olifantsslurf” niet aan de wereld te tonen, dit kardinale bewijsstuk hebben ze niet in hun boek geplaatst en verder ook nergens aan iemand laten zien. Dit is een goochelvoorstelling voor blinden. Ze moesten zich schamen. Zich ongevraagd opdringen en dan zo handelen. Uit deze handelwijze blijkt zonneklaar dat men zelf geen enkel bewijs had en dat er maar een doel was: de tegenpartij van hun troef te beroven, door hun die uit handen te slaan. Dat is op verschillende manieren door meerdere personen geprobeerd. Justitieel hebben we hier twee feiten die boven Ernst Huisman’s hoofd zweven: zich onder valse voorwendselen bij iemand binnen dringen en valsheid in geschrifte. Namelijk het verdraaien wat iemand gezegd heeft in het eigen voordeel te doen verkeren. De maximumstraf die hier op staat is zes jaar gevangenis straf. ( art. 225 wetb. van strafrecht.) Er hoort wel een voorwaarde bij, maar dat mogen anderen, die eenzelfde truc hebben geprobeerd uit te halen, zelf bedenken. Dan weten hoe dicht ze langs de afgrond en tussen de klauwen van justitie door zijn gegaan.

Wel moeten we nog even op de verhouding van E. Huisman en de heer Maat ingaan. Syb Maat was op dat moment in dienst van het museum in Gorredijk, als aanstaand conservator. Hij kon zich onmogelijk onder de druk van het bestuurslid Huisman uit werken. Het kon hem zijn werkplek en zijn verdere carrière kosten. Zo was het toponiemen onderzoek dat Maat als een van de taken had gekregen, een mooie aanleiding om zich bij Bouma binnen te dringen. Men zou dit een volstrekt verwerpelijke houding ten opzichte van een personeelslid kunnen noemen. Maat was niet vrijwillig meegekomen, hij is er waarschijnlijk ingeluisd. Een paar maanden later bleek toch, dat hij niet de kandidaat was die men gewenst had. Het is wel duidelijk dat Ernst Huisman ook in dit geval de normen van goed fatsoen heeft overschreden tegenover een werknemer. Hij heeft de heer Maat medeplichtig gemaakt. Zeker wat betreft de reden van dit bezoek en wat hij daarmee voor had en wat hij uiteindelijk ook uitvoerde. “Die andere zei niks,” schreef Bouma, “die zat er maar wat bij.”

Maar, je leert er iets van of je leert er niet van. Welke stenen vader en zoon van der Vliet mee naar Almere hadden genomen hebben ze niet omschreven. De truc zou in oktober nog een keer worden toegepast op Bouma, door een echte en gediplomeerde archeoloog. Dat was ook een vorm van intimidatie van een getuige. De vijftiende van die maand wilde Evert Kramer, toen hoofd van het Depot van het Fries Museum naar Wijnjewoude met 4 stenen. Hij deed dat om dat de heren Kieft en Van den Bosch zijns inziens niet tot opheldering bijdroegen omdat ze de vuistbijl NA 40 jaar niet meer voor 100 % zeker beschreven en dat ze ook geen andere omschrijving van de vondst konden geven. Hoe zo? Was die van Anne v.d. Bosch dan niet goed genoeg? Zou Kramer het voorwerp zelf , of misschien het in Gorredijk getoonde gipsmodel, dat hij waarschijnlijk nog nooit in handen heeft gehad, wel zo goed kunnen beschrijven als “die jongens” ? Kramer heeft zich hier verkeerd laten voorlichten: is de omschrijving van een wat groot uitgevallen pruimepit niet voldoende en waarom slaagt hij er dan zelf niet in, om nog met 4 andere pruimepit- vormige stenen te komen? Is dit een onderschatting van de ervaring die de jongens ermee hebben gehad of is dit de arrogantie van de wetenschap? Maar, hij hoefde zijn stenen niet bij Bouma te laten zien. Nog maar nauwelijks gezeten, kwamen Cor Stigter en Wouter van der Horst langs. Het brand- en dievenalarm werkte uitstekend. Nu had Kramer graag onder vier ogen (er staat in het artikel onder vieren ogen; wat een blamage!) met Bouma gesproken. “Nog een kwartier lang hoorde hij fatsoenshalve de standpunten van Van der Horst aan,” schreef hij en vertrok toen. “De koffie liet hij staan, die smaakte hem denk ik ook niet meer.” Zo beschreef Bouma Kramers sneue aftocht in een brief aan mij. Waarom Kramer met deze vier stenen nu weer het offensief van Huisman en zijn Maat met hun “olifants slurf” doorkruiste, is ook maar moeilijk te verklaren. Het waren blijkbaar ook weer andere stenen, dan die door zoon en kleinzoon in Almere waren getoond. Het was niet Kramers laatste aktie, later zou hij de pen opnemen. Misschien was hij wel gefrustreerd geraakt. Hij meende en meent waarschijnlijk nog steeds dat hij een wetenschappelijke zaak diende. Hij zal dat ook wel moeten blijven zeggen, want als hij nu iets anders zou zeggen, komen alle verdere zaken waar hij onderzoek naar en uitspraken over gedaan heeft, ook in het kwade daglicht te staan van iemand, die eerst doet en dan nadenkt. Men verkettert elkaar in archeologische kringen veel en graag. Om zijn reputatie niet te verliezen zal hij en dat is spijtig voor hem, bij zijn eerst ingenomen standpunt moeten blijven.

Na deze aftocht schreef hij daartoe met een andere archeoloog, Lammert Postma, een artikel dat hij graag in De Neitiid geplaatst zou willen zien. De apostelen Efie en Lampie zouden het licht wel even brengen. Hoewel deze Lammert zich heeft gedragen als de Lampje van Willie Wortel, die alleen leeft bij het feit, dat Efie zo nu en dan het lampje, dat bij lampjes escapades kapot is geraakt, moet verwisselen. Wat hadden deze twee wetenschappelijke sappelaars, gecontamineerd tot “wetenschappelaars”, bedacht? Zij dachten dat ze de strijd konden beslissen met inhoudelijke argumenten. Ze vonden dat Van der Horst zich bezig hield met een voortdurende herhaling van zetten. (Op zich al een herhaalde bewering, die ik vond in een brief van kleinzoon Klaas Geertsma) Blijkbaar was Efie niet bekend met de pogingen die de familie vóór hem had al had gedaan. We volgen de pogingen even op de voet. Daar was ten eerste het artikel in De Neitiid; de familie stond er dan wel niet mat mee, maar wel pat. Ten tweede gaf Anne v.d. Bosch een sprekende omschrijving van de steen van zijn vader aan Van der Horst, die dit ook publiceerde. Met deze tweede zet stond men weer mat. Ten derde, dat H.v.d.Vliet jr, brieven stuurde, dat er dan misschien wel van 2 stenen sprake was (bl. 42) Maar zowel Anne als Jappie trapten daar niet in. De twee lieten zich niet tegen elkaar uitspelen, ook in een later stadium niet, toen de ene vinder gesuggereerd werd, dat de andere erkend zou hebben, dat de door hun gevonden steen, niet de steen was die in het museum te Gorredijk lag. Drie keer mat. Feitelijk lag deze steen in de kluis van een bank in Gorredijk, waar hij in 2012 speciaal even uit werd gehaald om voor een artikel van Fr. de Vries te worden gefotografeerd. Wie deze foto, hier boven als eerste geplaatst, vergelijkt met de prent die op de voorpagina van “Het vod” is geplakt, dat de kleuren heeft van een dovend smidsvuur in de nacht merkt meteen, dat dit een miskenning is van de aard en de kwalitiet van de steen, met andere woorden, dat ook de latere generaties er geen belang bij hadden om de zaak van een realistisch en herkenbaar beeld te voorzien. Een zelfde zet, lopen met een doos stenen, werd door Evert herhaald – dat was vier keer mat – en het doel miste hij vervolgens, doordat hij de poging van E. Huisman met zijn “olifantsslurf.” (uitdrukking van Jappie Bouma) doorkruiste. Vijf keer mat. Wie herhaalde hier zetten? Niet Wouter en niet ik. Want ik had ondertussen de gegevens van het Archief in Assen gevonden, en daarmee stonden ze weer mat toen we dat publiceerden. Voor de zesde keer. Met dit artikel van de wetenschappelaars Efie en Lampie zat ik in de maag, ik had beloofd dit te plaatsen, maar het was dermate benauwend voor ons, dat alleen een wondertje ons kon helpen. We vonden het wondertje te juister tijd, toen bleek dat er op het BAI in Groningen de gegevens van de proefopgraving van 17 (18) september 1954 moesten liggen. We vonden de tekening niet, maar wel de foto’s en omdat het duidelijk was, dat dit niet de eerst aangegeven vindplaats was en dat dit een andere plek betrof, met de betiteling “vindplaats Achuleenbijl”, was dit nieuws, waarmee we de oude boodschap – de herhaling van minstens een zet – van Efie en Lampie overtroffen. Het bleek dat Dr. Bohmers wat op de mouw was gespeld en dat door diens onderzoek de plek van de foto de wetenschappelijke vindplaats was geworden. In situ – zoals V.d. Vliet zijn vondst later kenmerkte is namelijk op de plek en niet eens een meter er naast, laat staan 250 meter verder. In plaats van het artikel plaatste ik deze foto’s. Zo zouden ze, dank zij onze nieuwe zet voor de zevende keer mat staan. Hoezo herhaling van zetten? Telkens vonden wij een nieuw vrij veld op ons dambord waar we de opmars van de tegenpartij konden keren. De tegenpartij was er nog steeds niet in geslaagd om de herkomst van de vuistbijl te verklaren. Ze zetten hoogstens met een been een stapje links en rechts, naar voren of naar achteren, ze pivoteerden, zoals bij basketball is toegestaan, maar wat om het feit heen, dat ze de bijl bezaten. Maar van hun plaats of hun veld komen (of beter om hun “vermeten” te bewijzen of te bevestigen) met een echt feit en de herkomst nu eindelijk eens onomstotelijk aan te tonen, daar mee kwamen ze niet. Verder beloofde ik, dat als er geen brandend nieuws zou zijn, ik hun bijdrage in de volgende Neitiid zou plaatsen. Eigenlijk toonde dit hele stuk aan, dat Efie en Lampie hun literatuur niet hadden doorgenomen en over de zaak, zoals die zich al had ontwikkeld, geen zier wisten. Opm de vindplaats waren ze blijkbaar ook niet geweest. Zelfs al zouden ze nog zo partijdig zijn, het telkens weer tevoorschijn komende verschijnsel van mat zetten in de discussie had hen moeten opvallen. Het verbaast me nog elke keer dat de familie mensen met zo’n goede reputatie voor hun mestkar wisten te spannen. De hulpkrachten hebben zich veel problemen en frustraties op hun hals gehaald, terwijl de familie van der Vliet nu nog steeds gnuift om hun onnozelheid. Ze hebben nooit begrepen, dat hen maar een idé-fixe werd voorgehouden en geen feiten; je zou denken, voordat je aan zoiets begint, dat je je inleest. Het duo begon dus vanuit een verlies positie. Het artikel bestond uit 8 hoofdstukjes. Het zou later, nog voor het verschijnen van de volgende Neitiid, enigszins gewijzigd, in de Woudklank worden geplaatst onder de belachelijke titel: Daniel 5: vers vuursteenbijl. De eerste twee hoofdstukjes zijn hier boven samen gevat. In het derde hoofdstukje vragen ze zich af, of het wel zo is, dat Van der Vliet pas sinds 1948 met wetenschappers hier over contact heeft gezocht. Maar ze vinden niets nieuws.

En dan volgt in “de strijdbijl van Wijnjeterp,” dus bij Ernst en Hendrik een relaas dat van zoveel toevalligheden en zwakke schakels aan elkaar hangt, dat het aan het ongelooflijke grenst. Dr. Bohmers zou in 1943 bij Van der Vliet aan de deur zijn geweest. Volgens de historicus Frieswijk zocht Bohmers toen werkkrachten voor zijn projekten in Duitsland. Hij kwam niet voor een bijzondere vondst. Gelukkig was v.d. Vliet niet thuis, of zat hij onder het keldertrapje of in het houtstek te bibberen van angst, om naar Duitsland te moeten? Kramer erkent wel, dat dit geen bewijs is, dat er toen al een vuistbijl in Wijnjeterp lag. Maar Doctor Herre Halbertsma heeft nog een andere suggestie, hij suggereert dat hij via dr. Lofvers, arts te Sneek en zwager van dr. Siebinga, van dit objekt zou hebben gehoord en wel op het BAI. Maar Siebinga kwam pas in 1947 voor het eerst naar Wijnjeterp. Hier verzint Halbertsma er een “missing link” bij, gevoed door de apert onjuist suggestie in het “Vod van de Strijdbijl” dat Dr. Siebinga al in de oorlog naar Lippenhuizen was gekomen om de steen te zien. (Lees wat ik er in Schut en Herschut over heb geschreven.) Vervolgens zou Halbertsma naar Bohmers zijn geweest die in Ureterp bij de Prinsendobbe opgravingen verrichtte. Ook daar is niets over bekend. Het spoor is twee-zijdig geaborteerd, hoe konden ze het op het BAI dan weten? Kramer had zich in de nesten gewerkt. Maar toen, enige weken voor de publikatie, had ik deze sporen nog niet na kunnen gaan. Ik zat nog steeds klem. Zodat ik besloot de tekening en de foto’s van de proefopgraving op het BAI, het Biologisch Archeologisch Instituut te gaan bekijken. (Toen nog gevestigd op de Post Straat, is dat niet toevallig?) Ik vond daar de foto’s en publiceerde die, in plaats van het stuk, dat onder de religieuze titel Daniel 5 had moeten verschijnen. Daar staat inderdaad “gewogen en te licht bevonden”. Een kop als: schoenmaker houd je bij je leest zou beide schrijvers beter gepast hebben. Volgende zet (no. 8.) en weer stonden ze mat en de familie weer met de bek vol tanden. Je zou ze nu wel eens willen vragen: kom van je plaats, kom met een feit en verklaar nu eindelijk maar eens hoe je echt aan de bijl bent gekomen. Want de foto was ergens anders genomen en bij een greppel, die gezien de lichtval en de kavelrichting, haaks op de eerst opgegeven vindplaats stond. Verbijstering. Waar was die foto gemaakt? Die werd in het streekblad de Woudklank geplaatst, met de suggestie dat dit mogelijk in Siegerswoude was. Dat was een volgende blooper voor de familie. (Pivot no. 9 en weer mat.)

Niemand reageerde. Het kiekje bleek achter de Posen, een kleine 250 meter verder aan de Hooiweg te zijn gemaakt. Zoals hiervoor geschreven is. Dit nieuws vond ik als redakteur van de Neitiid (De Morning After) belangrijker dan de nabeschouwing van hetgeen al gebeurd was in het ondergegane Ninivé, met al zijn Babylonische spraakverwarringen, waarvan onze apostelen slachtoffer van waren. De handelingen van de Familie van der Vliet had hun tot apostaten – afvalligen – van de wetenschap gemaakt, en daar stonden in de middeleeuwen strenge straffen op, de geringste was wel dat men ze naar hun klooster, lees in dit geval naar de wetenschap, terug zou voeren en ze voor straf in te metselen. Heel onwetenschappelijk en zonder enige grond namen ze in hun artikel telkens zonder uitzondering aan, waarbij ze de, kansen, kaarten en beschrijvingen van de jongens tot nul reduceerden en de timmerman-aannemer de beste kwaliteiten werden toegedicht. Ik besloot dus de foto’s te plaatsen, omdat ze meer nieuws brachten, dan de mannen van het Genootschap van Wetenschappelaars op Apostatische Basis konden brengen. Want, Evert Kramer las vroeger namelijk “De Arend,” een jeugdblad met christelijke inslag, dat door VADA druk in Wageningen werd gedrukt. Als wij dit blad door ruiling met de buren van wel zeer verschillende gezindte, tegen de Sjors en onze D. Duckjes te pakken kregen, lazen wij natuurlijk eerst de interstellaire of ruimte avonturen van Daan Durf (Dan Dare) en zijn veel sympathiekere collega Commander Dirk Vis en zijn naar deze planeet overgeplante dienaar Sondar. Maar wat nam Evert eerst voor? Hij las de pagina met de waterverf-vage plaatjes en slappe bijbelverhaaltjes. Nu snap ik ook, hoe hij aan de titel Daniel vijf, vers 27 is gekomen: het is een onverwerkt trauma van een tekort geschoten bijbelstudie. Een studie die ik al halverwege de zondagsschool vaarwel heb gezegd en, toen ik die school toch moest blijven volgen, mijn aanwezigheid me voldoende materiaal heeft gegeven om atheïst te worden. Daarmee zijn Andries van den Bosch en ik meen ik de enige atheïsten in deze hele soap, beiden hebben zich laten uitschrijven, de ene bij de kerk de andere heeft zich een week na zijn 21e verjaardig bij dominee Winters laten uitschrijven en later bij de gemeente Achtkarspelen de kwalificering op zijn persoonskaart laten verwijderen. Kramer is ten gevolge van zijn interesse er zeker niet tekst kritisch van geworden. Hij had beter met de z-school kunnen stoppen, maar dan hij had hij waarschijnlijk ook niet halt kunnen houden bij Daniël vers twintig; maar ook niet zeven verzen eerder. Een tekst die hemzelf ook goed past: …… “maar toen zijn hart zich verhief en zijn geest zich verhardde, zodat hij overmoedig werd, is hij van zijn troon gestoten……..” (Waarom kan ik dat dan wel aanhalen? Tekstkritiek, meneer! gevolg van zes jaar met tegenzi9jn naar de zondagsschool gaan.) Vroeg of laat vallen we in ons eigen zwaard, of zal het eigen woord je de stem afsnijden. Oftewel na verkondiging van dit soort gemeenplaatsen, word je op enig moment als vrij bewegend veld-archeoloog gedegradeerd tot hoofd van een stoffig depot. Of had het museumbeleid een vooruitziende blik? Ik heb Evert beloofd te sparen, maar ik meen hem zo wel zijn vet te kunnen geven. Dank zij het jeugdblad de “De Arend.”

Vooral Ernst Huisman en consorten waren woedend dat ik mijn woord had gebroken, de vraag is waarom je dat moet horen, van degenen die bij leugen en bedrog leven. Maar misschien was men nog meer verbijsterd over het nieuwe bedrog, dat hun idool nagelaten had en dat nu op hun bord lag. Ernst foezelde het gegeven dat het een andere vindplaats betrof en het onderzoek op de vindplaats, weg en bracht dat terug tot “een plek waar de omstandigheden gelijk waren.” Van der Vliet had in Mijnbouw en Geologie vooruit gekeken en geschreven: (Het Vod, bl 23.) “mogelijk dat een hernieuwd thans nog uitvoerbaar onderzoek op de vindplaats (…..) eenmaal meer zekerheid zal geven. Een plaats waar men de omstandigheden zonder problemen kon onderzoeken, dat was dat stukje heide aan de Hooiweg. Hier werd door V.d. Vliet al op de verplaatsing van de vindplaats gepreludiëerd en als K. Huisman dat wijt aan het feit, dat de vondst al zo lang geleden gedaan was, dan is hij wat betreft de leeskunst niet ver gevorderd, of en dat is een andere mogelijkheid, dan is hij te kwader trouw. Hier blijkt dat de verplaatsing van de vondst al van te voren wordt aangekondigd en is dus opzettelijk bedrog geworden. Een paar weken later bracht Sint Jan van der Meer me een stuk krant met een artikel, dat bij deze vindplaats en deze foto’s hoorde, wat al in de contra expertise gepubliceerd is en waarvan hier in de collage met vergelijkingen, de nieuwe plaats nogmaals is opgenomen. Daarnaast zal ik de bezoeker het artikel niet onthouden. (De tweede foto van Bohmers hield ik achter, die met de wanden en de bodem van de gemaakte kuil, tot woede van zekere Wouters, die vroeg waar ik dat had gezien.) Ik had me wel echt in de kijker gespeeld en alle woede ontlaadde zich nu boven mijn hoofd, zeker omdat Wouter door de uitspraak van de rechter en ook door zijn bestuur was uitgerangeerd. In een nawoord op het artikel “Daniel 5” in “De strijdbijl” stelde Kramer dat de enige zekere uitspraak over het voorwerp van J.Bouma was: een grijze steen met handvat waarop leemresten aanwezig waren. Dat is nu weer suf van Efie, die leemresten zaten na het onderzoek van Bohmers plotseling op Van der Vliet’s bijl. Dat handvat zat aan het voorwerp waar Ernst mee kwam. En wat had Jappie Bouma gezegd? Hij schreef me, dat ze het ding eerst schoon hadden gemaakt. In zijn eerste drie artikelen repte Oude Hein niet van leem op zijn voorwerp, hij moest verbloemen dat hij zijn voorwerp in louter zand had geprojekteerd. Zie Palaeohistoria III pag. 206 waar dat leem pas wordt genoemd. En het handvat dat werd door Bouma bestreden, hij zei met zoveel woorden als hierboven aangehaald, dat het voorwerp wel lekker in de hand lag. Wie dit fout interpreteert kent te weinig Fries. Ernst Huisman heeft blijkbaar ook nooit van Scrabble gehoord; hij kent het begrip twee keer woordwaarde niet. En Efie speelde het spel mee, maar als luchtscrabbelaar, omdat hij de zaken niet tot in de hoogste sferen en de diepste niveaus nauwkeurig, (tot de diepte’s van het Sheool, ook een bijbelse term) had uitgeplozen. Voor zichzelf hield hij wel een vluchtweg open, toen hij aan het eind schreef: Voorlopig heeft v.d.Vliet de beste ‘papieren.’ Maar zou hij te kwader trouw zijn geweest, dan kunnen de vondst omstandigheden er na de ontdekking van Bohmers van dit stuk in zijn collectie in 1949 wel allemaal door hem bij geconstrueerd zijn, (om de vondst) meer aannemelijk te maken. Maar tot nog toe zijn daarvoor geen steekhoudende argumenten boven tafel gekomen. Het is duidelijk dat Kramer de deur openhoudt, mocht de grond hem te heet onder de voeten worden of wanneer de feiten hem te zeer zouden benauwen. Dan kan hij nog altijd op zijn schreden keren. Niet alleen dat ik hem spaar in mijn kritiek, ik bied hem ook nog de koninklijke weg, niet die van Popla, naar de latrines van de Huismannen, maar ik bied hem de kans om met opgeheven hoofd, zonder dat hij hoeft te erkennen dat hij bij de neus is genomen, zich van de zaak te distantiëren. Ik ben dus ook met hem in gesprek gebleven. Hij nam zelfs het eerste exemplaar van mijn boek “Op Zilver Gemunt” in ontvangst. Eind 2015 hoor ik van hem zelf, dat hij het archiefje van Ernst Huisman over deze zaak heeft gekregen. Als hij dat zegt als een bedekte dreiging voor onze vriendschap, dan kan ik hem maar een raad geven: hij zou het rommeltje aan papieren beter bij de door de aannemer – amateur steentjes ruiler bij elkaar gerommelde collectie in Gorredijk voegen. Zie de lijsten met de overgedragen objecten.

We moeten eerst nog even terug naar 1947, naar het bezoek van dokter Siebenga. Van dat bezoek is alleen zijn handtekening in het gastenboek van het privé museum van de vinder overgebleven en het ene woord: onmogelijk. In een lezing in 1945 had Siebinga de verwachting uitgesproken dat er geen oudere vondsten dan tot dan toe waren gevonden: die uit het Jong-Paleolithicum oftewel de rendierjagers. Ik doe een poging om het gesprek te reconstrueren, al heb ik dat in Schut en Herschut al wat satirischer gedaan – Als van der Vliet de steen toont, dan reageert de dokter met verbazing – volgens het artikel in de Friese Koerier van 24 december 1951. De bezoeker heeft het voorwerp aan alle kanten bekeken en uiteindelijk – na heel lang discussiëren, zullen we maar denken – blijft de dokter erbij, dat het een steen is gevormd door druk van het ijs, steen en leem van de morene. Van der Vliet zegt er een intelligente vormgeving in te zien. Daarmee stokt het gesprek. Als we nu even verder gaan, met wat er die dag gebeurd kan zijn, zegt de dokter: “Dat zegt u nu wel, maar wat waren de omstandigheden?” Siebinga kende het enige maanden van te voren verschenen artikel in het gedenkboek van Van Giffen uiteraard ook en hij zou zijn verwachting misschien bij moeten stellen. Hier was immers een artefact van een veel oudere cultuur: van de Mammoetjagers. Hij zal hebben gevraagd hoe en waar hij het voorwerp gevonden had. Het antwoord is ons bekend, maar de dokter hoorde hier iets bijzonders: “Op de Posen,” Dan zegt hij: “Dat wil ik zien. De motor staat toch voor,” zegt de dokter, “zullen we even gaan kijken?” Wat ze daar zien, is een veld waarvan het zuideinde geheel verstoven is. De sloten in het zuidelijk deel van het ontgonnen veld zijn weer dicht gestoven en de ontginningsmaatschappij de Drie Provinciën zit met deze toestand in de maag. Zie het archiefje van de maatschappij in Assen. De diverse lichtingen van de gedwongen bewoners van het werkkamp Sparjebird hebben zoveel mogelijk de lijn getrokken. En ook de geïnterneerde foute Nederlanders hebben weinig gedaan. We stellen ons nu voor, dat de beide mannen afstappen en dit deel van het veld bekijken. “Maar dat is zand.” “Ja dat is zand, daar lag hij zomaar tussen.” Vreemd, want dat zand is pas na de Mammoetjagers hier neer gelegd,” zegt Siebinga, die zeker ook enige geologische kennis had, “Op deze plek lijkt het me onmogelijk, dat zand kan die steen niet zo vervormd hebben, het is dan geen artefact maar iets anders. Dus blijf ik er uiteindelijk maar bij, dat het een toevalsvorming geweest is, een leemlaag is ver weg en zijn eventuele makers nog verder.” “Wat? Hem, de Grote Hein dwarszitten?” Deze arts heeft zijn roem al verdiend met zijn Leijen Warten cultuur. Hij heeft zijn kans gehad en nu is hij zelf, de Grote Hein, aan beurt. Deze huisarts schrapt hij uit zijn geheugen, net als die Meint Wiegersma die toen nog oppasser was voor Bieruma Oosting, de eigenaar van het veld, die niet aan de opgraving mee wilde werken, die heeft hij ook geschrapt.” “Overigens,” denkt hij, “kan ik de naam Van den Bosch beter ook niet noemen, maar een geluk dat hij nooit weer is komen opdagen.” Ze stappen weer op, Siebinga ontevreden omdat hij voor de gek is gehouden en Van der Vliet omdat hij met een betere oplossing moet komen. Anders is het niet te verklaren waarom het woord “onmogelijk” is uitgesproken. Siebinga was veel beter geschoold dan zijn opponent. Zo kan het woord “onmogelijk” als rudiment van een verhitte dicussie in zijn geringe verbeeldingskracht terecht zijn gekomen.

Overigens suggereert de Strijdbijl dat Siebinga al eerder zou zijn geweest om het voorwerp te bekijken. (“Vod, ”pag. 14) Een ding kun je zeker van zijn: een man van zijn kaliber kwam niet twee keer voor hetzelfde ding opdraven. En S. die toen volgens zijn recente biografie al bij het verzet betrokken was, zal zeker niet naar een eerzuchtige dwaas, die voor moffenblaadjes schreef zijn gegaan, voor een voorwerp waarvan we inmiddels al hebben begrepen hebben, dat daar niet aanwezig was. Al weer een aanwijzing dat Hendrik van der Vliet en Ernst Huisman van misleiding gebruik maken om de vuistbijl van valse papieren te voorzien. Hendrik en Ernst schudden de ene getuige na de andere uit de mouw, met alweer, verzinsels die alleen in hun eigen constructie passen. Zij geven de schuld van de niet erkenning aan de oprechte dokter, ook dat is een onbeholpen machinatie van gefrustreerde kwaakzalvers. (Een variatie op wat zij van v.d. Horst zeggen in hun “Vod”.)

In de herfst schermutselde het in de pers wat voort en de tegenpartij deed allerlei moeite om Van der Horst uit de tent te lokken om te proberen hem in de fout te laten gaan en hem per keer voor 1000 gulden boete te laten opdraaien. Maar noch Bouma, noch Van der Horst, noch Post wensten voor intimidatie, misleiding, drang, druk – laten we het woord chantage vermijden – overstag te gaan. En meende men, dat Kieft en Anne van den Bosch om waren gegaan? Ook al niet, ze hadden zich in een tweede termijn verscholen achter het feit dat het zo lang geleden was. En daar maakten deze twee listige redakteuren maar van, dat Kieft en Van den Bosch om waren gegaan, van niets wisten en dus geneutraliseerd waren en geen gevaar meer inhielden. Toen ik in 2012 net over de Nederlandse grens bij Hub van Dee in de opgekochte boedel van S.J. Van der Molen neusde, vond ik daar de eerste getuigenverklaringen die voor notaris Mulder in Heerenveen waren afgelegd. Daarin zegt ene Van der Berg ook, dat hij het niet allemaal zo zeker meer weet. (Kopie) Dat is meten met twee maten: van de ene accepteren, wat je de ander ontzegt. Van Monderman is er een getuigenis toen hij in de derde of vierde klas zat, hij was toen, als hij niet was blijven zitten 9 of 10 jaar. Zou die het na zoveel jaar nog glashelder weten? Laten we deze man ook maar op dezelfde manier neutraliseren: leugens en geklets voor een onheilige zaak, die en dat blijkt steeds weer, het vinderschap niet dichterbij brachten.

In november maakten de partijen zich op voor het proces, waarvan we de uitslag al kennen. De familie kreeg geen gelijk en beide partijen moesten hun eigen kosten betalen. Waarmee de rechter zei dat beide partijen in feite geen van beiden voldoende hadden aangedragen om hun gelijk te bewerkstelligen. Nog steeds probeerde men de schakel tussen Duurswoude en Lippenhuizen weg te poetsen. En nog steeds was men er niet in geslaagd om meer over de vondst en het vinden te zeggen dan “op het ontginningsveld.” Daar moest een doorbraak geforceerd worden. Dat zou overigens nog niet zo makkelijk zijn, omdat de pers het geval zat was. Die had alle berichtgeving en ingezonden stukken over de zaak afgestopt. Eindelijk rust. Maar niet voor Wouter, want zijn nieuwe dagelijks bestuur, bestaande uit een stel politieke mankepoten, wilden hem wat graag de duimschroeven aandraaien. Voortaan zouden al zijn daden geëvalueerd worden en op een staat worden aangetekend, het doel was duidelijk: ze wilden van hem af. De blijvende bestuursleden konden er weinig tegen uitrichten.

Ondanks de persstilte kwam die doorbraak toch en wel via die zelfde pers. Op 10 januari 1991 stond er een artikel in de Leeuwarder Courant met de titel “Hoe Hein van der Vliet de Vuistbijl vond.” (sic!) Op de een of andere sluikse manier had de journalist Kerst Huisman het embargo weten te omzeilen op aandringen van – alweer – Ernst Huisman, naar hij zei. Kerst Huisman beweerde het evenwel andersom, een bewijs dat dit een gelegenheidscombinatie was, die niet voldoende was doorgesproken, waaruit bleek dat beide heren over het ontstaan van het artikel al bleken te liegen. Dit nieuwe artikel samengevat, stond er niet meer dan dat de maten in het 3e nummer in 1990 van de Neitiid dan wel op de kaart stonden en dat die niet tot in het leem reikten, maar tevens werd gesuggereerd dat die maten niet op het grote perceel van toepassing waren, maar op een op 13 mei 1939 bijgevoegd perceel sloegen. (zie kopie-foto hiervoor, er blijkt uit dat hij niet juist citeert en geen oprecht mens is.) Het hier bij gevoegde kopietje leert evenwel anders. Hiermee wees het artikel dan op een ander oostelijker perceel, maar wel werd de oorspronkelijke kavelscheiding van het eerste perceel sterk aangedikt, alsof die was uitgediept. We weten inmiddels wel hoe die sloot er toen en nu nog uit zag. Die toevoeging hebben we in het dossier van de Drie Provinciën op het Asser archief daarom ook niet kunnen vinden. Door nu een diepere sloot aan de oostzijde van de kamp aan de Poostweg te suggereren, werd er getracht om de bijl voor de zoveelste keer echtheidspapieren te bezorgen. En voor de zoveelste (de negende) keer bleek dat niet te kloppen. We hebben daar al mee afgerekend. Ik, wij, Anny Bokkinga, Sego, de buren en de naastliggers wisten niet van een diepere sloot, maar de koortsig zieke en van wraaklust vervulde geest van Ernst Huisman verzon er gewoon een. Met het vileine bedrog van Ernst Huisman hebben we nog niet afgerekend. Er werd er met niet bestaande maten, sloten en getallen zo gemanipuleerd dat de eenvoudige lezer van de L.C. er wel mee bedot kon worden. Populair gezegd: bedrog werd hier met nog meer bedrog bestreden. Als Ernst Huisman op grond van deze kunde in het lezen van kaarten gesolliciteerd zou hebben bij de gemeente, dan zou hij zelfs als putjeschepper niet zijn aangenomen. We moeten dus constateren dat de afdeling weg- en waterbouw jarenlang door een incompetent mannetje is geleid. Hoe constateer je dat? Door naar de sloot toe te gaan. Dat bleek me twee dagen later, ik had toen twee dagen per week werk bij de NHL en kon daarom niet meteen naar de plek toe gaan. De diepere sloot was er niet, de maten waren, ik had maar even een duimstok meegenomen, na ruigweg 40 jaar nog altijd zo als in het plan voorzien was. Blijkbaar waren de maten van de tekening, 25 cm dieper, niet uitgevoerd. Tevens ging ik in het ochtendgloren door het slootje om te controleren of er toch nog niet ergens leem zou zijn. Van de 1200 meter lange sloot heb ik er naar schatting 900 meter gecontroleerd. Gewoon door er door te lopen van begin tot voorbij de plaats waar de grafheuvel had gelegen. Moet ik nog zeggen dat er zo weinig water in stond, ook in deze natte periode, dat het me niet eens over de laarzen liep? Als ik rechtop stond, kon ik nog zo over het veld kijken, ondanks het feit dat de sloot in de laatste helft, bij de ruilverkaveling enigszins was verdiept. Ik stond hier tot navel-hoogte in het slootje. Nergens leem gezien. Toen het dan licht was, nou ja niet zo erg licht, het was een bewolkte ochtend, haalde ik mijn fiets weer uit het bosje, waar ik hem om geen aandacht te trekken in had verstopt, en ging weer naar huis. De andere zaken, zoals het zwijgen in de oorlog van de vinder; de andere plaats, 250 meter verder en de verschillende dieptes die Bohmers en Van der Vliet, de verschillende cijfers die van de proefopgraving werden opgeven, passeerden weer de revue. Het waren zaken waarvan we het tegenbewijs al lang hadden geleverd en weer werden we genegeerd. De twee húskemannen leefden blijkbaar alleen in hun eigen wereldje.

We zaten wel met een probleem. De pers bleef gesloten en omdat de andere húskeman, de journalist Kerst Huisman moest wegens overtreding van de persstilte zich bij de hoofdredakteur verantwoorden. Toen Sego, er een kolom aan wijdde in “De Woudklank” – dat blad had iets goed te maken vanwege Daniël 5– meldde, dat hij, de huis-columnist van het blad, die diepe sloot ook niet had gezien. Hier reageerde E.Huisman op als een op de staart getrapte adder met een scheld kannonade. Er werd zoals gewoonlijk niets weerlegd, er werd nu een zandafgraving bij verzonnen, die niet uit de cijfers uit 1939 men 1967 niet kan afleiden. (Daar over kunnen we  t.z.t. kopieën plaatsen) Ook de buren weten hier niet van een zand afgraving.

Maar wij kregen geen gehoor. Na lang wikken en wegen besloten we de raad voor journalistiek in te schakelen. Dat liep uiteindelijk verkeerd af, ik kon in de ogen van de raad niet aantonen dat ik door het schrijven van de L.C. was benadeeld en dat daardoor mijn abonnees vertrokken. Ik was niet in staat om de foute berichtgeving en de maliceuze intentie van de twee húskemannen of faecalien- broeders aan te kaarten. Het zij zo. De tegenpartij heeft daar ook geen garen meer bij kunnen spinnen, maar ik ben er zeker van, dat ze het kostelijk hebben gevonden. Ik lach mee om mijn eigen onnozelheid: achteraf begrijp ik dat de Raad niet meer deed dan de belangen van de van de commercie afhankelijke bladen te verdedigen. (Zie het redaktioneel door RISS in Charlie Hebdo van 15 juli 2015)

DCIM100MEDIA
Nog een zich zelf financierend blad.

Een belangrijk nieuw gegeven verscheen wel in dit artikel van 10 jan 1991. Dat was de vindplaats. Eindelijk was er een kruisje op de kaart gezet. Oude Hein had dat namelijk niet gedaan en denken we, heel wijselijk nagelaten. Hij had alle controle zo ver mogelijk van zich willen houden. Op de plek waar de Geologische Kaart een overgang van een meer dan 2 meter dikke laag dekzand naar een laag tussen de een en twee meter dikke laag dekzand aangeeft, situeerden de fecaliebroeders Huisman en Huisman de vindplaats. Met een overgang naar een laag zand van een meter of minder hadden ze nog kans gehad om hun gelijk te halen. Nu viel te controleren dat dit een verzinsel was. Ze hadden hun mouwen opgestroopt en waren eens flink in de fecalien van hun eigen wraakzucht en die van de Van der Vlieten gaan graven, met dit als resultaat. Eindelijk hadden we een controleerbare vindplaats. Eindelijk stond er een kruisje op de kaart. Ter verduidelijking: Kerst Huisman, die ik eerst voor een controle van zijn eigen artikel trachtte te interesseren, zag er geen belang in om eens op die zelf verzonnen plek te boren. Want hij leeft nog met de andere verdraaïngen van zijn vakbroeder. Hij meende dat het stuk als zandwinplaats was aangewezen, dus zou er wel twee meter zand af zijn gekomen en bovendien was er  die twee meter diepe sloot, die controle onmogelijk zou maken. die is er nog steeds niet. (Totaal vier meter?) Nee, controle ter plekke had geen zin. Alles was volgens hem al meerdere keren over de kop geweest. Er lag volgens hem geen zandkorrel meer, zoals hij dertig eeuwen lang gelegen had. Hij was helemaal vergeten dat het ten gevolge van zijn artikel hier na de gesuggereerde aanwijzing als zandwinplaats, leem had moeten zijn. Op zich is dit slechts in een gesprekje gepasseerd. Waarschijnlijk vergiste hij zich hier, want het nieuwe stuk dat zijn confrater er bij had geflanst, zou als zandafgraving gebruikt zijn en is op zijn beurt weer een verzinsel van Ernst. Het op 13 mei 1938 bijgevoegde stukje ligt zo ongeveer op de plek waar nu een nieuwe sloot van 4 meter breed ligt met een diepte van 110 cm. Wat we controleerden bij de stuw, waar het water onder de weg door wordt afgevoerd. Ernst moet bij het opstellen van dit stuk wel flink in de war geweest zijn. Want waarom 30 jaar later een minder diepe sloot maken, als er al een diepere van 2 meter ligt? Grote geesten die twee, als het moet vinden ze naast de kleingeestigheid in hun koppen, naast mist slierten in hun gedachtenwereld, in hun holle schedel, galmend als een lege fabriekshal, in hun hun “Ginnungagap” zoveel ruimte en plaats om alle stront die ze van hun leven gescheten hebben op te slaan. Om, als zij weer eens een vermeende vijand zien, er naar hartelust mee te gooien.

Evert Kramer kreeg ik wel mee naar de plaats des onheils. Pas na 24 jaar na de moord op de waarheid, kreeg ik hem in de eerste week van januari 2014 wel zo ver: ik had van een vriend een auto ter beschikking en we trokken we naar de Posen. Achterin lag een boor van 1.20 m. en een prikker van getrokken staal. Die had ik ook gebruikt om destijds de zijkanten en de bodem van de sloot te controleren. Op het belendende perceel stonden twee man te praten naast de schuur. We meldden ons eerst maar eens bij hen. Ze hadden nooit gehoord dat dit perceel naast hun zo beroemd was. Er stond nu een bosje op. We keken eens naar de sloot tussen dit en het bosperceel. Als het bos niet met een hek zou zijn omgeven, kon je er met een stap door en overheen stappen. De mannen, de ene was de zoon van boer Aans die aan de overzijde van de weg was opgegroeid, waren nogal sceptisch over het bosproject. Er was met subsidie Robinia op gezet en toen het geld geïnd was, had men nooit meer een van de eigenaars gezien. “Het is gewoon een wildernis geworden,” zeiden ze ons. “Slaat er ook iemand alarm als we gaan boren?” Niemand zou dat doen. “Het hek hangt half los, u gaat uw gang maar.” Met een kopietje van het terrein in de hand kwamen we op de plek waar “De strijdbijl” twee vindplaatsen – laten we zeggen: mogelijke vindplaatsen – aangaf. Eerst boorden we op de ene plek, iets naast de sloot. Na 50 cm. humeuze grond kwam er ongeroerd dekzand naar boven. Tot de boor er helemaal in verdwenen was. We keken nog eens naar het slootje, we waren met de boor al dieper gekomen dan de sloot nu was. Bij de ruilverkaveling was het slootje iets verdiept en vrij recent, waarschijnlijk een jaar of vijf voor dit bezoek, nog eens flink schoon gemaakt door de nieuwe eigenaar. De sloot was nu ongeveer een meter diep. Hier was het dus niet. We gingen dus naar de tweede mogelijke plek achter het dwarsslootje dat de eerste en tweede kavel scheidde. Dat lag er nog zo als in de plannen van 1939 was voorzien: “in foech greppel”, van 50 cm diep. Het boren leverde geen andere uitkomsten op dan op de eerste plek. Tussen deze twee punten die 15 tot 20 meter uit elkaar lagen was het leem in de sloot nergens aangestoken. We trapten de gaten weer wat dicht, spreidden wat humus en bladen over het zand en vertrokken. De volgende stap was naar de kavel te gaan achter de Buurt van Wijnjeterp, waar Jappie Bouma en Bram Kieft de steen hadden gevonden, in of na 1945. Ik gaf Evert de prikker en waar hij ook stak, hoorde je de stenen van de morene lags het ijzer raspen. In de sporen van een trekker was hier en daar wat leem leem te zien. De geologische kaart geeft aan dat hier een grote leemvlakte van meer dan een vierkante kilometer die direkt onder het maaiveld ligt. Een pracht terrein voor de Mammoetjagers uit vroegere tijden, dat er eigenlijk nog nauwelijks gerept bij ligt, zelfs na 40 eeuwen. Evert was onder de indruk. Toen we weer in de auto zaten praatte hij honderd-uit over andere zaken en onderzoeken die hier ook in de buurt waren gedaan. Blijkbaar moest hij deze nieuwe ervaringen even verwerken.

Drie weken later troffen we elkaar weer op Tresoar. Na uitwisseling van enige nieuwtjes kwamen we toch op HET onderwerp terecht. Hij zei dat hij bleef bij zijn geloof in de ervaring van Van der Vliet en dat was toch iets dat de jongens volgens hem misten. Daarom konden zij een dergelijk werktuig niet gevonden hebben. Bovendien meende hij dat de twee jongens te veel onder druk stonden van Van der Horst. Die wilde, dacht hij, zijn fantasie doordrukken ten kosten van deze twee mannen, nu beide bejaarden en meende dat v.d. Horst ze daarom wilde afschermen van degenen, die werkelijk verstand van zaken hadden. Hij vond dat hij had de kans niet gehad om in alle openheid en vrijheid met Bouma van gedachten te wisselen. Wat daar van komt, hebben we al gezien na de visite van E.Huisman: je krijgt dan een papier voor je neus, van een uiterlijk zo nette man maar in werkelijkheid door diezelfde vent (Huisman) wiens onfatsoen geen grenzen kent, schuldig wordt verklaard aan het vinden van een voorwerp, dat je nog nooit eerder gezien hebt. En wat je ook niet omschreven hebt. Evert Kramer had het strijdschrift blijkbaar niet gelezen en hij had het stuk met het commentaar van Bouma, na het telefoongsprek met de jongste dochter Van der Weide blijkbaar ook niet gelezen. Ze hebben hem zonder enige voorlichting of waarschuwing met de opdracht op weg gestuurd om dingen te doen, die men niet behoort te doen. Meerdere mensen in het dorp wisten immers wat de jongens gevonden hadden. “De strijdbijl” geeft daar zelf twee voorbeelden van. Anders hadden zoon en kleinzoon v.d. Vliet zich niet naar de zoon van Van den Bosch in Almere gespoed en waarom ging J. Boschker via een inlichting van Loopstra naar de oude Van den Bosch? We weten inmiddels dat het spoor van de door Anne zo plastisch omschreven steen, daar nu juist niet doodliep.

Evert Kramer weet dus blijkbaar niet, wat wij daar in dat robinia bosje aangeboord hebben: dat is niet de ervaring van Oude Hein, maar de diepgang, de grootte en de leegte van de gedachten van Ernst Huisman. Als je dat peilt, komt er niets te voorschijn dan leegte en kwaadaardigheid. De medeplichtigheid van die andere Huisman aan het artikel is nu wel duidelijk: niet voor niets wilde hij samen met mij de plek niet controleren. Hij wist dat hij dan betrapt zou worden op een onjuiste berichtgeving, met naast zich degene die door het artikel van 10 jan. 1991 bedrogen was. Kramer blijkt zich vast te houden aan het geloof in de wetenschap dat Oude Hein de betere papieren had. Ik kan hem die papieren leveren, dat zijn de lijsten die bij de overdracht van de familie naar de gemeente Opsterland zijn opgemaakt. Daarop staan een kleine duizend objekten. Het overgrote deel bestaat uit een geologische stenenverzameling. De archeologische collectie omvat maar een klein leed. Wie dat deel nader uitsplitst ziet dat de oude Van der Vliet naast de herkomst ook vermeldt, van wie hij ze heeft gekregen, geschonken of gekocht. Dan blijkt het deel van wat hij zelf heeft gevonden niet meer dan 20 van de 200 nummers te omvatten, voornamelijk vuurstenen werktuigjes. Daar zijn dan een paar keer sub verzamelingen bij. Van het ene nummer vermeldt hij als: uit het bosje van Popping. (Bij Makkinga?) Dat zijn dan een 20 werktuigjes die van een zelde plek komen, allemaal neolithisch. Van een tweede verzameling zonder nadere herkomst, ook uit de jonge steentijd, staat de herkomst niet vast, een stuk of 30 subnummers. De microlieten van de Posen zijn niet in de collectie aanwezig. Dat heeft Oude Hein blijkbaar van iemand gehoord. De vindplaats van die microlieten is overigens ook een andere plek dan de vindplaats van de vuistbijl, zoals Hein jr. mij graag had gesuggereerd. Maar, in welke collectie zijn die Posen microlieten dan wel terecht gekomen? Wat verder opvalt zijn de grotere objekten die hij van het ontginningsveld van de Posen heeft gehaald. Dat zijn vooral slijpstenen. Hoe hij daar aan kwam is makkelijk te verklaren. Alles wat niet bij de grond hoorde, werd door de arbeiders terzijde gelegd en dan op stapeltjes gegooid om afgevoerd te worden. Dus stenen en bakstenen uit recente tijd waarmee de jeugd had gespeeld – gooien om het verst, of zomaar gooien is al een spel, zagen we bij Jappie en Bram in 1947 – maar ook alles, wat de landbouw verder niet kon gebruiken en wat daar toevallig terecht gekomen was, kwam op hoopjes terecht. Daar hoorden ook de slijpstenen uit de jongste steentijden bij. Dat verklaart het relatief grote aantal slijpstenen in de collectie. Dat levert nog een tussentijdse conclusie op, dat hij, behalve bij de opgraving het veld waarschijnlijk alleen na de ontginning heeft bezocht en deze hoopjes heeft doorzocht, die niet ver van de weg aan de rand der ontginning lagen. Wanneer Oude Hein zegt, dat hij “eens” op dit veld liep om zijn collectie archeologische steentjes aan te vullen, kunnen we ons met recht afvragen of hij er wel ooit eens heeft gelopen. In zijn collectie zijn verder geen vondsten van de midden en jonge steentijd van deze kavel opgenomen. Op het veld lijkt hij niet geweest te zijn. Dat zijn dus weer een stuk of vier vondsten nader gelokaliseerd; aan de Hooiweg vond hij ook nog zo’n slijpsteen. Als we aan de archeologische vondsten zijn kennis van veld en omstandigheden moeten afmeten, is die kennis erg beperkt. Laat ik zeggen, dat ik in dezen het geloof van de heer Kramer niet deel, dat de latere eigenaar deze bijl hier gevonden kan hebben, omdat hij juist geen goede terreinkennis had. Ik zeg dit nu eens voorzichtig, want ik heb beloofd deze afgestudeerde archeoloog te sparen. En ik moet zeggen, hoe kom ik aan die lijsten? Van de zoon van een oud bestuurslid. En waarschijnlijk ben ik weer de enige die dit uitgepluisd heeft, zodat ik ze weer een slag in het voor ben. Kunnen ze weer eens vanuit een stand met het zoveelste doelpunt tegen, proberen de schade te beperken. In het museum in Gorredijk hebben ze er geen weet van dat de verzameling voor het grootste deel niet uit eigen vondsten bestaat. De vuistbijl zou nu ook wel eens geen uitzondering kunnen zijn in deze hele archeologische collectie, de kans is groot dat dit ook geen geen eigen vondst is. Maar van het nummer waaronder het stuk geboekt is, (no. 16.) staat met veel humbug verteld, dat dit objekt wel zelf gevonden zou zijn. Maar dan de stenencollectie! Het grootste deel is niet uit Friesland afkomstig, maar uit Donderen. Daar werd in de oorlog een nep-vliegveld aangelegd, dat was bedoeld om de geallieerden af te leiden van operationele Duitse bases, zoals Eelde. Maar voor wie was dit terrein eigenlijk toegankelijk? Voor weinigen, want het was een geheim projekt. Men moest in de ogen van de kommandant, zijn woning staat er nog, halverwege Norg en Donderen toch wel uit het juiste hout gesneden te zijn en goed met de bezetter mee kunnen praten, wilde men iets klaar krijgen. “De Strijdbijl” zegt van een klubje mannen, die we in dat boek al eerder hebben gesignaleerd, dat ze er gezocht hebben onder leiding van “Steentje-Bos”, Meester L.B. Bos uit Noordbergum. Dat was me ook al zo’n fraai exemplaar. Nog in 1944 wist hij zijn stenenboek herdrukt te krijgen bij de uitgeverij van de nazi Rutgers uit Naarden. (Zie copie.) En ik zie daar op het veld rondlopen: Ede Haak, toen woonachtig in Vries, Hein van der Vliet en deze Meester Bos.

DCIM100MEDIA
Herdruk van het boek van L.B.Bos.

Twee van de drie in dit klubje hadden zeker een bruine arm. We vonden nog een derde klein bruin armpje. Dat was eigendom van de oudste getuige, mevrouw Elizabeth Popping. Op 7 juli deed de Hepkema verslag van haar proces. Ze had vele teken bij allerlei nationalistische organisaties, en was dermate gederailleerd (ontspoord) ten slotte dat ze zich zelfs te buiten ging aan goederen “welke ze betrok uit de woning van een ondergedoken spoorwegman.” Tevens was ze zeer aktief met het helpen en in orde houden van de administratie van de Landwacht.en kreeg ze vrijwillig werk op het vliegveld te Leeuwarden. Met de S.D. kon ze het eveneens goed vinden en beijverde zich deze heren hand- en spandiensten te verlenen. Natuurlijk was de lijst nog uitgebreider maar het was genoeg om haar voor 4 jaar te interneren en te ontzetten uit de kiesrechten. (voor altijd?) Je vraagt je af hoe Hendrik en Ernst haar er bij te halen en hoe ze dat adres “in Braband” wisten. Maar de tegenstelling is nog groter: In het nieuwsblad van Friesland staat een verslag van het bijzonder gerechtshof, over twee Franeker landwachters die in Duurswoude huisgehouden hebben, waar zij bij ene A. van den Bos, een onderduiker vonden. Inderdaad de verslaggever en melkboer, die blijkbaar wel zo menslievend was om mensen die gevaar liepen te verbergen, terwijl de van der Vlieten op zijn zachtst gezegd enigzins tegen de vijand aanleunden. (Nieuwsbl. 15-12- 1948) De verslaggever kende de schrijfwijze met “sch”op het einde van Andries van den B’s naam blijkbaar niet.  Maar terug naar de zoekpartijen. Interessant daaraan is dat deze zoekpartijen in het voorjaar 1943 zouden zijn geweest. Immers de uitdrukking “ruw behakt” kan Oude Hein pas in juli 1943 hebben gelezen en geciteerd en dat is dan de eerste aanwijzing, dat hij door die tentoonstelling iets had gelezen over vuistbijlen. Het getuigenis van Haak, dat er tijdens dat zoeken al over het bedoelde objekt is gesproken, is minstens een maand te vroeg. Hem wordt door het citaat “ruw behakt” de pas afgesneden en dat bestempelt hem tot leugenaar. Net als de notariële verklaring van S.J. Van der Molen die beweert dat hij het stuk gereedschap al in 1939 heeft gezien, die verklaring zat ook bij het bundeltje spul wat ik bij de antiquair Van Dee kocht. Overigens ook alle andere getuigen die in het lijstje in “de Strijdbijl” staan, die voor juni drieënveertig zeggen de bijl gezien te hebben gezien of er iets over gehoord zeggen te hebben, vallen hierom ook af. Blijft dus alleen de twaalfde getuige Nolles over die de steen in oktober 1945 kan hebben gezien, maar andere feiten weerspreken ook, dat hij de steen kan hebben gezien: van der Vliet liet hem boeken zien, waarin afbeeldingen van vuistbijlen stonden. Maar we kunnen uit het eerste artikel van 24 dec. 1950 niet destilleren dat hij zulke boeken bezat, in 1946 kwam de heruitgave van Bijvanck pas uit en benamingen en beschrijvingen uit oudere boeken citeert hij daar niet. Het literatuurlijstje onder het artikel in Mijnbouw en Geologie van een half jaar later, is blijkbaar alleen maar opsmuk, pseudo belezenheid, waarvan het grootste deel ongelezen is gebleven. Nolles is met zijn verklaring een jaar te vroeg. Zoon van der Vliet doet hier hetzelfde als wat zijn vader deed: dingen er bij halen, die hij achteraf niet bleek te hebben of die hij op dat moment niet kon weten. Zo kan een ieder wel aan het gewenste bewijs komen. Beste Kerst: niemand heeft dat artefact gezien, de getuigen zijn of van zich vals of de memnsen zijn misleid, net als jij zelf. En als je dit namens meneer Hoen en zijn bestuur vraagt, dan heeft dat bestuur, noch “het Vod”, noch mijn weerleggingen in de genoemde brochures willen lezen. Met de nadruk op willen. Misschien moeten we behalve voor deze twee redakteuren van het “Vod”, ook voor jou maar een plaats vrij maken in het Germaansche Nirwana. (Uitleg van dit van oorsprong arisch -sanskriete woord. “Nir” is eeuwig en Wana, is “Waan, het land dat wij ons denken, hoe we denken dat het hierna zal zijn.”) En als je daar niet geaccepteerd wordt, dan schoppen ze je wel in het oud IJslandse “Ginnungagap,” de leegte tussen ijs en vuur. Kun je mooi de herkomst van Bohmers Ikelbeam motieven bestuderen, jammer dat ze algemeen europees zijn en eerder folkloristisch dan Germaansch, laat staan IJslands. Bij mijn lijsten van de verkoop en overdracht van de stenen aan de gemeente zit ook nog een wat korter lijstje opgemaakt door D. Kussendrager H.zn. De vraagprijs is dan 10.000 gulden. De krant heeft later het bericht, dat de prijs f 4.500 gulden was geworden. Maar voor die dagen was dat een mooi bedrag. Je had er een landbouwtrekker voor kunnen kopen.

Wat we zeker ook nog moeten behandelen is de brief van Ernst Huisman aan de uitgever Gooitzen van der Vliet in “Het Strijdbijl-Vod” – over mij schrijft. Daarin verwijt hij mij als uitgever van de Neitiid die dingen, die hij zelf juist deed. Hij haalt daar het voorbeeld aan van de platte wereld die ene Klaas Dijkstra verdedigde, ik vermoed dat Ernst dat zelf in geloofd heeft. Wie haalt anders zo’n voorbeeld aan. Maar zegt E. Huisman, “deze man deed dit zonder tot kwaadsprekerij en beledigingen te vervallen.” Waren wij al niet van het begin weggezet als onwetenschappelijk en als lasteraars?” Blijkbaar om te voorkomen dat we zouden reageren en serieus zouden worden genomen. Nou, dan kunnen ze met deze site hun hart nog ophalen. Maar wat doet Ernst zelf? “Op dat foutieve beeld grondt Post zijn raadselachtig maar weinig fijnzinnig commentaar.” Maar hij doet dat zonder citeren, hij suggereert maar wat, omdat hij geen voorbeelden heeft. En dan draaft deze fecaliebroeder door: Of trouwens de Volksche Werkgemeenschap waarvoor (moet dat niet waardoor of door wie, zijn?) “De Hamer” werd uitgegeven, een NSB organisatie was of tot de SS hoorde (…………) doet er hier niet toe.” Nee, nee, we weten dat Oude Hein dat blad las, dat hij de begeleiding bij “Wie kent Germanje” citeerde en dat hij schreef in “Het Noorderland” dat uitgegeven werd door Saxo Frisia” ook al zo’n bruin clubje. E. Huisman bagatelliseert de medewerking van Oude Hein aan dit laatste blad door te zeggen dat van een vaste medewerking geen sprake was. Hij noemt dan vier onbenullige artikelen op (Strijdbijl blz. 44) Tegelijkertijd laat Oude Hein de bijdragen op archeologisch gebied, dat in handschrift klaar lag, ( Strijdbijl pag. 37) in vier delen in datzelfde Noorderland plaatsen. Maar dat noemen Hendrik en Ernst nu juist niet, dat was een te zeer besmette zaak. Daarmee is Oude Hein meer dan een naïeve meeloper van de bezetter geworden. Na mei 1942, na de opheffing van de Friese bladen blijkt hij 8 keer voor te komen in de 9 keer dat het Noorderland uitkwam. Daarmee zijn Hendrik en Ernst sporen aan het verdoezelen. Deze medewerking is over het randje van wetenschappelijke collaboratie, dit is wetenschaps verraad. Waarom laten zoon Hendrik en Ernst deze essentiële bijdragen weg? Was oude Hein nog veel bruiner dan wij op dit moment vermoeden? Wisten deze zoon en zijn medeschrijver meer en dan denk ik weer aan de relatie met het NSB statenlid en diens dochter Elizabeth.

Ik neem hier ook hun ontkenning op uit “het Vod” dat in de oorlog niemand zich aan dit soort oude vondsten wensten te branden. De nazificerende wetenschap had er het grootste beland bij: Ernst en Hendrik en vooral Hensdrik zal als schoolmeester toch wel circulaires gezien hebben wat de zuivering van schoolboekjes inhield en waarvoor beleidslijnen van het departement werden uitgevaardigd. punt 1 uit W. Frick’s circulaire: de praehistorie waarbij vooral de nadruk moet worden gelegd op de hoge beschaving , die door de voorvaders van het Germaansche ras waren bereikt. 2. He primitieve ras, dat de kiem in zich droeg van alle grote volken en persoonlijkheden van Germaansche oorsprong. Ja, ja, als de zoon nu zijn vader hier over getipt had, dan had de “Finder” naast de “Führer” kunnen staan en hadden de Friezen op gelijke hoogte met de Germanen gestaan. ( Adriaan Venema, pag 62; Schrijvers en collaboratie)

Merkwaardig dat op diezelfde pagina 44 blijkt, dat deze meeloper zitting had in zuiverings commissie van het PTT personeel. In dit licht een onbegrijpelijke gang van zaken. Een man die aan drie kanten bruin gebakken is, mag vanwege een ons nog niet bekende kwaliteit, over anderen met een bruin korstje oordelen, of door de mazen laten slippen. Er zijn er wel meer die hebben gesignaleerd, dat er bij de zuivering veel fout is gegaan. Interessant is ook de bron van de gegevens waaruit E.Huisman zou putten. Dat is het archief van “De Drie Provinciën”. Dat Ernst daar zelf niet bestaande getallen cijfers en gesteldheden verzint, is inmiddels wel duidelijk, en dus ook dat hij het publiek bedriegt. Vervolgens valt hij dan tegen de uitgever van de Neitiid uit: (J.P) …… “lijkt in staat om de Nederlandse Heidemaatschappij, die de betreffende afvoersloot aangaf [niet aangaf, zou eerlijker zijn] en de Rijks Geologische dienst …. van medeplichtigheid aan vindplaats vervalsing te beschuldigen.” Maar Huismans cijfers zijn er helemaal niet. Daar kunnen we het stuk van laten zien. Hij valt de rijksdiensten aan om zijn tegenstander klein te krijgen, met de fouten die hijzelf heeft gemaakt: de cijfers van Rijksdienst en Heidemij willen hem maar niet helpen bij zijn vervalsing. (Is dit ook artikel 225 van het Wetboek?) We kunnen nu zeker weten, dat het alleen maar een geslepen, venijnig en vuil spelletje met niet bestaande gegevens is geweest, voor zo ver het de suggesties van de Ernst Huisman betreft. En wat K.Huisman zijn medebroeder in het fecalie- werpen, zonder ter plekke te kijken, publiceerde. Over het verschil in situering zullen we hier achter de betreffende citaten onder elkaar zetten. Dan kan een ieder zien dat een verplaatsing van de plek waar zijn denkbeeldige bijl werd gevonden over 240 meter (naar schatting, of een kwart kilometer) voor Oude Hein geen probleem was. Dat kan alleen maar iemand doen, die in de verste verte niet op de hoogte is van de vindplaats of die alle wetenschap aan zijn aars lapt om zijn eerzucht te bevredigen. Daar is niets wetenschappelijks aan.

Tussen die twee plekken ligt tegenwoordig een kamp land waarop de heer Conijn een nieuwe boerderij heeft gezet en die inmiddels al niet meer als zodanig in gebruik is. We troffen er nieuwe bewoners aan die meer met paarden hadden. Omstreeks het jaar tweeduizend is daar nog een nieuwe gierkelder bij gemaakt. Getipt door J. Bouma uit Wijnjewoude, zijn we daar toen gaan kijken. We vonden er grote hopen steenloos zand, dat de aannemer als speelzand wilde verkopen. We zagen er ook grote brokken leem, hier zit (ook volgens de geologische kaarten) het leem iets hoger en de gegraven kuil was op ca. 1.40 m door de zandlaag heen gegaan en in de leemlaag ingegraven. We zagen dat de overgang abrupt was, we zagen geen “felst” en evenmin een overgangslaag. Het was direkt zand op leem. We raapten een paar stukken steen op, ook enige kleine stukjes vuursteen. Het topstuk was voor ons een plak leem, waar aan de bovenkant een laag stenen en steentjes was ingebed, met ook weer stukjes vuursteen. Merkwaardig dat deze toplaag er halverwege tussen beide vindplaatsen er heel anders uit ziet dan de door Bohmers omschreven bevindingen op de plaats van zijn onderzoek, een eindje verder. Bohmers veronderstelde dat de witte verkleuring van de vuistbijl al dateerde van voor het moment dat het zand werd neergelegd. De steentjes in ons paleolithisch loopvlak zijn enigszins gelig aan de oppervlakte. Vermoedelijk vanwege het kontakt met ijzerhoudend capillair vocht. Aan de onderkant van ons brok leem zijn die sporen van ijzeroer duidelijk te zien. Maar verkleuring door water en of lucht (ook windlak?) is niet aanwezig. Ook geen druk of bots puntjes. Onze conclusie is hierbij, dat Bohmers zijn beschrijving van het objekt te zeil is gegaan op de onjuiste informatie van Van der Vliet. Als de stenen in het brok leem deze verschijnselen niet hebben, dan moet de verklaring door Bohmers onjuist zijn. Het wijst op het tegendeel: de steen moet in recente tijden langere tijd aan de oppervlakte hebben gelegen. En daar waar “De Jongens” de vuistbijl vonden, zat het leem aan de oppervlakte. De verkleuring door lucht en water en slijping door stuivend zand dat op de vuistbijl te zien is, zou wel eens een logischer verklaring kunnen zijn.

Zowel in de tijd, dat deze grond wildernis was, wat hier wel zal neerkomen op heide, als later, toen het gras was en in de oorlog een paar jaar bouwland, heeft de vuistbijl dicht bij de oppervlakte vertoefd en is het stuk vuursteen vroeger of later, door balstenen zoekers, grondbewerking, boekweitbouw en of ploegen, geregeld bloot komen te liggen en in aanraking gekomen met andere stenen en mogelijk ijzeren werktuigen. De balsteenzoekers namen hem niet mee, tamelijk klein, met een rare vorm en van vuursteen, wat het brok steen niet te gebruiken maakte voor de flintenstraatjes, die men vaak bij en achter de boerderijen vond. Vuursteen zou onder de ijzeren velgen van de oude boerenwagens te gemakkelijk verpulveren. Al dit soort “behandelingen” waren er in de tijd van de Mammoetjagers niet. En als deze vuistbijl door een van deze vroege bewoners of stam op doortocht hier is achtergelaten, (verloren) dan is deze door natuurlijke oorzaken, regen en wind door eigen gewicht en zijn ligging met een van de platte zijdes zo blijven liggen, tot dat de grond van de latere bouwvoor hem overdekte. A.M. Wouters, mede auteur in Palaeohistoria hield het op de verifieerbare kenmerken van de Wijnjeterp bijl; die volkomen pasten (nou, nou) in de door erosie aangetaste keizandlaag (niet door Bohmers beschreven, die kende het begrip keizand nog niet, dat begrip dateert uit een onderzoek uit de zestiger jaren.) En dat keizand is anders van struktuur dan de laag die Bohmers in zijn putje zag (en wat wij ook op onze brok leem zien), die, let wel, volgens Wouters op 1 meter diepte werd gevonden. (….) Weer een sufferd die sprak, en iemand beschuldigde zonder eerst iets te lezen. Of hij de cijfers citeerde uit een derde versie (!) van de proefopgraving, kunnen we niet nagaan, waarschijnlijk ook weer een verzinsel op afstand. Me dunkt dat de verificatie van de gegevens steeds meer in de richting van de vindplaats achter de bebouwde kom van Wijnjewoude in de Mersken verschuift. (Ja, Wouters, het door U voorspelde, onafwendbare demasqué komt ooit een keer.) Hier moeten we weer even vergelijken en verklaren. Bohmers zegt in Paleohistoria op pag. 206 en 207, dat op de onderzochte plaats 80 cm. dekzand zat, de gemaakte kuil op de foto is aanmerkelijk dieper! (Hij moest voor het vinden en verklaring vinden in een slootje van 1 m. diep.) Het leem zat dus volgens de foto van het gat ook dieper. Hij zegt daarin ook dat de sloot tot 30 cm. in dit leem was gegraven. Tussen het blauwe keileem ( “Geschiebe-ton”) vond hij een geelbruine onregelmatig gelaagde, leemachtige laag van ca. 20 cm dik. Volgt U het nog? 80 cm. plus 30 cm. = een meter en tien centimeter en daaronder lag het blauwe keileem. We missen dus minstens 10 cm. Maar de sloot zou 30 cm in dit keileem zijn ingegraven en dus de leemachtige laag al gepasseerd zijn. Dat was dan een diepte van 1.40. Blijft over, dat het gat even diep zou zijn als de greppel waar de mannen op de foto voor staan. En die man in het gat is toch zeker groter dan 1.67 cm. Gat en sloot hebben dus niets met elkaar te maken. Daar hebben we al mee afgerekend, toen we de foto in de Neitiid plaatsten. Die droge greppel was hoogstens 75 cm diep. De stenen uit het blauwe leem waren volgens Bohmers grijs en die uit de tussen laag geelachtig. (Zoals die in mijn brok leem) Maar Bohmers zag ook de melkachtige zweem op de steen waarbij de eerste gedachten uitgaan naar water verkleuring of zonnebrand. Hij zag ook de “bots” puntjes en ook noemde hij de windschliff van het oppervlak. Waarom is de vuistbijl dan juist in het binnenste geel? Geen antwoord; het blijft stil in de archeologische hoek. Het feit dat alle drie de auteurs hier hun eigen belang bij hadden, heeft hun tot de verschillende cijfers wat betreft diepte van het gat en de greppel (evt. sloot) gebracht. De verschillende auteurs hebben over deze lagen een wirwar aan cijfers en mogelijkheden op geleverd, die en dat is wel weer leuk, flink tegenstrijdig zijn. Bohmers was er fel op, om deze vondst te documenteren, omdat hij de kans rook om een “in situ” vondst te melden; Van der Vliet, die niet bij die opgraving is geweest, gebruikte ze graag om zijn eigen leugens van een grondslag te voorzien en Wouters om de ontdekkers van het bedrog te verketteren. Daarom hield hij het bij de “verifieerbare kenmerken” van de vindplaats. (“Vod,” pag. 59 regel 7.) Merkwaardig, dit is blijkbaar zijn particuliere lezing van zaken, op een plaats waar hij nooit is geweest. Hij laat voor de ontginning zelfs een diepploeg opdraven, terwijl het veld louter met mankracht is omgezet. Het mankeert er nog maar aan, dat hij een dragline laat aanrukken om, zodra de foto van de opgraving was genomen er een leemwal mee te laten opgooien. O, nee, dat kan immers niet, want Oude Hein sprak van spitten grond, die zijn met de hand opgegooid. Heeft wel iemand zich ooit voorgesteld hoeveel grond er uit een twee meter diepe sloot komt? En wat er bij de ontginning echt uit de al bestaande greppel is gekomen? Niets! Zie de foto. De heren verzwakken elkaars getuigenis vele malen harder, dan ze elkaar versterken. Is hier wel een van de drie versies waar? De laatste twee in elk geval niet. Laten we hier maar af stappen.

Laten we onze eigen rol en dan meer in het bijzonder van mijzelf bekijken. Ik heb ontzettend geklungeld. Ik was niet opgewassen tegen de vileine gemeningheid van de tegenpartij. Want in enige gevallen zijn wij door de andere kant de verkeerde richting opgestuurd. We hoorden zaken die zogenaamd niet voor ons bedoeld waren, maar die we wel móesten horen. Helaas hebben we er de eerste keren ook gebruik van gemaakt, zonder te controleren. Zo werd ons doorgespeeld dat Ouwe Hein twee jaar in Duitsland was geweest. Gezien zijn doorlopende bijdragen aan het Noorderland na 1942, kan dat gewoon niet. Hiermee ging ik dus af. Kon de tegenpartij mooi gebruiken, maar voor ze het in het licht brachten, had ik me nog een keer in de luren laten leggen. Dat was over de scriptie van doctor Bohmers, of was het een proefschrift? Zou iets te maken hebben met een na de oorlog niet teruggekeerde persoon. Dat sloeg in elke geval niet op de situatie in Groningen. Ik had dit beter moeten controleren, maar in dit geval vrijwel direkt wijs geworden, heb ik me er voor de rest van de affaire, tot nu toe – voor behoed. Wel is er het verhaal van de schoonzoon van Dr. B. die vertelt nadat hij (B.) van een congres uit Wenen terug was gekomen, midden zestiger jaren, vertelde dat zijn schoonvader werd aangesproken door iemand die op een van zijn publikaties een aanmerking had gemaakt. Deze had hem gevraagd hoe hij ertoe was gekomen om het op deze wijze te publiceren. Deze man zei, dat dat niet een idee of methode van B(ohmers) was, maar dat het van de vader van de man die hem aansprak, afkomstig was. Over welke publikatie het ging, weten we niet, maar, waar rook is is ook vuur. Maar met het Groningse verhaal werden we – vooral ik – flink afgestraft. Overigens is Bohmers, zoals ik al meldde in Schut en Herschut in 1943 voor een tweede maal gepromoveerd in Wenen. Dat was een Habilitation, waarbij hij de lesbevoegdheid kreeg in heel Duistland en dat was in die dagen nogal groot. (Wacht de studie van A. Carmiggelt maar af) Na deze miskleunen hebben we ons voor dit soort problemen gehoed. We hoorden iets over een geslepen bijltje dat jarenlang in een gereedschapkist van een timmerman had gelegen. Bij doorvragen in Drachtster Compagnie, dus dicht bij mijn toenmalige woonplaats, bleek de zaak toch wel té verdacht te zijn. Evenzo een geval dat ons werd doorgespeeld over twee “heel oude mensen” die iets zouden weten en in Annen of Anloo woonden, werd door ons gecontroleerd. We kregen onze brief als onbestelbaar terug. Onze voorzichtigheid was niet ten onrechte geweest. Blijft over dat ik een oud mannetje voor een vrouwtje heb aangezien. Voor de zaak maakt dat betrekkelijk weinig uit. Nog elke keer wanneer ik die foto voor me heb kan ik door met de ogen te knipperen de ene keer een mannetje, de andere keer een vrouwtje zien. Een techniek die in de psychologie ook wel bekend is: wat zie je: twee gezichten of een Romeinse schaal? De grote man was ook niet Van der Vliet, maar in dit geval had ik drie personen gevonden die hem gekend hadden en twee meenden dat hij het wel kon zijn, een derde had meer voorbehoud en zei: “misschien.” Dat kan je gebeuren, maar om de diepte van de greppel er mee te plotten was het niet de hoofdzaak.

Laten we het eens over de militarisering van het beeld, dat zijn nazaten van Oude Hein gaven, hebben. Oorspronkelijk vinden we hem politiek in de anti militaristische hoek. Na zijn reis met het stuk hertshoorn naar Popping noemt hij het landbouwwerktuig (een hak of gebruikt als eergetouw, gezien de slijpsporen aan het uiteinde) een kommandostaf. Een niet zo doelmatige benaming. Of is hij ten huize van Popping meteen mee omgegaan in diens denkbeelden? Door de benaming kommandostaf zou je dat haast gaan denken. Twee jaar later bij de opgraving van de Grafheuvel komt het tussen deze twee weer tot een gesprek over de rol van de opgegraven persoon. “Grif een vooraanstaand krijgsheer.” Popping: “Vroeger waren ze al even wijs als nu”, “of andersom,” riposteerde Oude Hein. Waar had de man in de grafheuvel die twee bijltjes en een pijlpunt voor nodig? Zo kon de overledene, op zijn reis naar de eeuwige jachtvelden, zich van voedsel voorzien. Aardewerk met voedsel had de overledene namelijk niet meegekregen. Op die functie van dit noodzakelijke gereedschap om de tijd door te komen in het onderaardse, of tot er een ruimte voor zalig nietsdoen daagde, komt de van oorsprong pacifistische Van der Vliet niet meer. Toevoeging 2017 in het Boek van Chris Beuker blijkt dat Popping tussen 1933 en 1955 van communist fascist is geworden. Ging dat ook zo met Hein van der Vliet?  Het moet voor hem een volgende stap zijn, hij heeft het militarisme al geaccepteerd als feit. Wanneer hij De Hamer gaat lezen, moet men wel begrijpen dat dit blad bedoeld was om de culturele lezers verder nationaal socialistisch te indoctrineren. Vandaar ook de artikelen over het oud paleolithicum in dit blad en de nogal schijnheilige bewening van de verloren objecten van Bathmen. Wat een vervalsing was, het bleken Engelse objekten te zijn uit Swanscombe. Blijkbaar een machinatie van de redaktie. En dat zegt veel over het belang, dat men aan Palaeolithische vondsten hechtte. Ernst en Hendrik beweren in “Het Vod” dat er in de oorlog weinig belangstelling voor deze oudere zaken was. Nou me dunkt! Eerder het tegendeel was het geval. Merkwaardig, met zijn eigen bijl in de hand, had hij die zo kunnen determineren omdat de tekeningen van Hahne meer op de vuistbijl van Wijnjeterp leken dan de afbeelding bij Oppenheims artikel. (Opnieuw gereproduceerd in het “Vod,” pag. 11 onderste rij. Deze komen denkelijk niet uit het boek van Hahne dat door niemand ter sprake is gebracht, maar uit de Hamer, die ze in 1943 bij het al genoemde artikel plaatste.) Zijn medewerking aan het blad van Noorderland was het gevolg van het opheffen van de Friese en Fries-talige bladen. In zover ging hij mee in de culturele collaboratie die de Duitsers graag zagen en waar ze Het Noorderland als medium voor hadden. Hier mag de term Noorderland bedenkingen oproepen, nog erger is het gesteld met de brochure: Wie kent Germanje? Uit die brochure haalde hij het woord: ruw behakt “rûch bekapt” in het Fries. Dat is in het kader om de Nederlanders voor het Germaansche ideaal te winnen? Inderdaad meneer Huisman, het gaat er hier niet om wie het blad uitgaf, de NSB of de SS. Het gaat er om wie zich er mee afgaf en nog een stapje verder: wie er in schreef. Aan het eind van het gedichtje uit 1940 vinden we de term “Âld Germanje” het lijkt erop dat Van der Vliet in 1940 al verder besmet was, dan we tot nu toe vermoedden. Want, laten we de laatste vier regels van dit gedichtje even vertalen: ” ze zouden niet alleen trots naar het Oude Germanië opkijken, maar achting hebben voor alle mensen als van een stam, als kinderen van de Schepper.” Laten we het pseudo-religieus gezwam waar hij dan mee komt, even weg. Als hij dit in aug. 1946 durft te publiceren dan heeft de redaktie zeker iets gemist. Het oude volk dat nergens een Heimat had, had dat misschien niet meer nodig, slechts twee van hen uit Gorredijk, waarvan Oude Hein de meesten wel moet hebben gekend, waren weergekeerd uit de hel. En dus konden de overblijvenden, die het lot van deportatie, dwangarbeid en andere nazi-gewoonten niet had getroffen, gerust zijn: wie er nu nog waren konden zich gerust kinderen van de die ene Vader noemen. En hem in hun gedachten te prijzen, dat ze zowel in de oorlog als de dans daarna waren ontsprongen.

De toestand bij Oude Hein thuis was dus bruiner dan we hadden verwacht. Stapje voor stapje was hij verder afgegleden. Maar hij uitte dat op een ander niveau. In het dorp, in zijn vriendenkring en in zijn omgeving uitte hij zich blijkbaar niet in die zin. In zijn dagelijkse gangen was en bleef hij voor iedereen de man die vroeger zo links was geweest. Zijn buren, het hele dorp, ja praktisch de hele gemeente was niet op de hoogte van de duistere kanten van de timmerman-aannemer. En zij die wel op de hoogte waren, draaiden na de oorlog om als een blad aan de boom en zeiden niets. Blijkbaar heeft hij zich op meerdere manieren ingedekt. In mijn schoolklas was een van de kleindochters van Oude Hein als enige op de hoogte van haar afstamming. Blijkbaar heeft de oude een Kwartierstaat gemaakt of laten maken van zichzelf om te zien of er misschien ook ergens in een verre generatie een overgrootouder of over-over of bet-over grootouder was geweest, die uit een andere stam dan de Germaanse stam waren voort gekomen. Ik trek deze vergelijking even met de Duitse toestand: daar moest iedereen na de Machtübername langs de Ständesämter om zijn voorouders tot 1800 uit te zoeken, in verband met de zuiverheid, die de rassenwaan op dat moment voorschreef. Ja, hoor, dit is eigen ervaring, mijn aanstaande, maar nooit definitief geworden schoonmoeder, heeft me haar staatje laten zien. Ze moesten zelf de Ständesämter langs, van het Ruhrgebied tot diep in de Harz.

Nu we het toch over familierelaties hebben: in de burgerlijke stand kan men een aantal malen een huwelijk vinden van een Van der Vliet met een Huisman en omgekeerd. De zegswijze is, dat bloed kruipt waar het niet gaan kan. Heeft Ernst Huisman daarom zijn diensten aangeboden? Zou daarom Oude Hein zijn huis gebouwd hebben, als zijn dood dit niet verijdeld had? Overigens nu we toch bij de Huismannen zijn, Kerst en Ernst delen vijf of zes generaties eerder het zelfde paar voorouders. Gezien het enthousiasme waarmee zij zich met het perceel grond bezig hielden, met overigens weinig succes, mag men bij hun ook wel van Bloed und Bodem verbond spreken. Ik ben ervan overtuigd geraakt, dat we ook in dit geval met een bruine kliek te maken hebben. Dat de rol van Oude Hein in de oorlog, koste wat koste, in het duister moest worden gehouden. En dat de vuistbijl dè mogelijkheid was om weer voor vol te worden aangezien. Dankzij de scherpzinnigheid van Wouter van der Horst is dat niet gelukt. Dank zij de volharding van Jappie Bouma, Anne van den Bosch en Bram Kieft is dat niet gelukt. Maar door deze ongelukkige brochure “De strijdbijl van Wijnjeterp” te publiceren, heeft men zich nog verder in bedrog, verraad, intimidatie en misleiding van getuigen gestort en heeft men zich helemaal van de slechtste kant laten zien. Hun hele bewijstrant is door de mand gevallen. Het strijdschrift is als vorm van eigenrichting ook 25 jaar later nog een mislukking.

Er geen geen enkel nieuw feit aangedragen, waarmee het bewijs dat de vondst eigenhandig gedaan is, kan worden versterkt, erger: ze kunnen het niet aantonen, al heb ik het tegendeel wel laten zien. Anderzijds is het zo, dat de weg die de vuistbijl van Duurswoude naar Lippenhuizen heeft afgelegd, wel degelijk is aangetoond, nota bene door hun zelf in hun eigen brochure. Door zich te concentreren op Van der Horst in eerste instantie en hem zo zwart mogelijk af te schilderen, zijn de eigen gebreken in het eigen bewijs buiten het betoog gebleven. Ook op alle andere aanwijzingen dat het hele verhaal niet deugt en wat ik verder ook naar voren heb gebracht, is nooit gereageerd. Ze kunnen nu nog reageren, ik heb niet voor niets goed uitgepakt, in bewoordingen die de termen in hun eigen brochure te boven gaan. Maar als ze dat doen, is het wel zoiets als publieke (politieke) zelfmoord. Dan wordt het nog breder bekend dat de zaak stonk en nog steeds stinkt naar de materie waarmee ze gegooid hebben. Bij deze gelegenheid heb ik die materie opgeraapt en er mee teruggegooid. Want, zo zijn de regels van het schoolplein: als de ene iets doet of zegt, mag de ander reageren. Daarop kan dan de tegenpartij weer zijn zegje doen, of zijn klomp uittrekken en daar mee dreigen. Ik heb hun en hun “Vod” driemaal beantwoord en wachtte op antwoord terug. Dat is nooit gekomen, van hun zijde is niets weerlegd. Ze zijn zelfs zo stom, dat ze niet eens in de gaten hebben dat zij weer aan beurt zijn om een zet te doen. Die is tot nu toe uitgebleven, zoals ze nooit tegenzetten met wél bestaande feiten hebben gedaan.

Het is een bekend verschijnsel dat totalitair ingestelde regimes, zoals het fascisme weinig op hebben met feiten, controleerbare zaken en openheid. Bij de hoofdpersoon en van de schrijver-uitgevers ziet men de bruine laag door hun gedrag heen. Het zou me niet verwonderen dat dit soort volk, die menen dat op grond van hun eigen gevoelens – slechte gevoelens, let wel – geen recht is gedaan, al tijdens de eerste publikaties en tot nu toe, geneigd zijn om die bruine lijn door te trekken. Ze houden zich over dit aspect stil en mijden de openheid. Ze zullen het niet wagen een volgende stap zetten om een hogere macht, justitie of zo in te schakelen, ook daar zal men wel te laf voor zijn, vanwege de achterdocht die men tegen het hele geval en vele van de personen mag hebben. Voor een rechterlijk oordeel moet er overigens een financiëel belang zijn, en dat heeft men niet. Ik wacht in alle rust af, of er nog iets gaat gebeuren. Als ze willen procederen, ligt hun ongelijk op straat. Als ze blijven zwijgen, dan toont het hun lafheid aan, zoals alle door hun op touw gezette akties laf waren.

Machtsmiddelen heb ik weinig in deze zaak, rechtsmiddelen heeft het me altijd aan ontbroken. Welbewust heb ik deze satirische kannonnade van namen en bijnamen opgezet, zodat de lafaards en bedriegers door het publiek, dat ze zo in hun geval zo graag als rechters willen gebruiken, nu hen zelf kunnen nawijzen.   Hieronder notarieel attest van A. Monderman die ook niet alles na 40 jaar zeker meer weet.  Verschaft dus ook weinig opheldering. Bovendien gaat het over het moment dat hij 8 jaar was. Een bijna Germaansche volwassenheid.

Ik moet nog een mannetje in het zonnetje zetten. Herfst 2016 bracht ik een briefje naar de heer H. Speerstra om nadere inlichtingen.  Wat ik niet verwacht had gebeurde toch: hij belde terug. Zijn eerste reaktie was dat hij nooit door de Raad voor de Journalistiek was gedaagd. mij onbekenden, aanhangers van de Van der Vliet versie hebben het volgende stuk op internet gezet. Het staat enige koppen lager, drie of vier onder NEITIID.   Hier valt dus te zien dat zijn reaktie bezijden de waarheid is. Heet dat niet leugenaar? Dat het gesprek in 1994 niet over de juistheid van het artikel ging, komt van een suggestieve vraag van een van de leden die ik tegenover me vond. Om op het telefoontje van Speerstra terug te komen, kwam hij op een al even onverwacht punt: hij ried me aan om mijn pilletjes maar geregeld te nemen. Hoe hij op dat idee is gekomen dat ik vanwege de affaire pilletjes zou hemen was me niet direkt duidelijk. Een paar dagen later begreep ik het: deze man is een intrigant. Zo kom je als middelmatig schrijver hogerop. Zo moet hij door alles en iedereen tegen elkaar uit te spelen hoofdredakteur zijn geworden. Als ik zijn boeken lees dan is dat in de stijl van Theun de Vries maar slechter, vooral om dat die stijl door de tijd achterhaald is. Nu ik zelf dit stuk heb geplaatst, is degene die dit stuk geplaatst heeft zijn triomf ook kwijt. De LC mag dan volgens de RvJ niet mijn blad in kwaad daglicht gesteld hebben, op de feitelijke onjuistheid van het artikel van 10 januari 1991 is op vijf à zes punten niet ingegaan. Waar mijn tegenpartij in hun verdediging niets dan fouten heeft gemaakt, heb ik hier boven aangetoond. Het RvJ artikel toont wel degelijk aan dat de heer Speerstra in 1994 door mij gedaagd is. nu anno 2017 blijkt hij ook niet vies te zijn van een leugentje om zijn rol te maskeren. 18 april 2017, J.P.

1994/1 ongegrond

J. Post tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant

In een brief van 25 maart 1993 met tien bijlagen heeft J. Post te Houtigehage (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, H. Speerstra (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 21 juni 1993. Daarop is een schriftelijke repliek gevolgd van klager van 10 juli 1993. Op deze brief is door betrokkene gereageerd in brieven van 12 januari en 18 januari 1994, de laatste met een bijlage.

De feiten

Klager is de uitgever van het tijdschrift Neitiid, dat verschenen is van 1986 tot eind 1992. In de eind mei 1990 verschenen aflevering van dit kwartaalblad is een artikel verschenen van Wouter van der Horst waarin deze stelde, dat de bekende amateur-archeoloog Hein van der Vliet (1890-1956), die de geschiedenis was ingegaan als “de vinder van de bekende vuistbijl van Wijnjeterp”, die bijl niet zelf in 1993 had gevonden, maar dat hij die in 1947 van een paar jongens uit Wijnjeterp had gekocht.

Aan deze publikatie is in de Leeuwarder Courant van 31 mei en 1 juni 1990 door respectievelijk de journalist Kerst Huisman en de zoon van Hein van der Vliet aandacht besteed. Op 28 november 1990 werd een bericht opgenomen waarin klager betoogde dat Hein van der Vliet de vuistbijl niet kón hebben gevonden op de door hem aangegeven plaats op grond van door klager vermelde gegevens over de bodemgesteldheid. Eind 1990 werd in de Leeuwarder Courant een inmiddels ontstane discussie in de ingezonden brievenrubriek over de kwestie gesloten.

Vervolgens verscheen in de Leeuwarder Courant van 10 januari 1991 een nieuw artikel van de journalist Kerst Huisman waarin hij de visie publiceerde van de amateur-historicus Ernst Huisman met betrekking tot de door klager gebruikte bodemgesteldheids argumenten. Later werd in de krant aandacht besteed aan de verschijning van het blad “De strijdbijl van Wijnjeterp” van Hendrik van der Vliet, zoon van Hein van der Vliet.

In de Leeuwarder Courant van 27 november 1992 is in een column van Pieter de Groot aandacht besteed aan de opheffing van het tijdschrift van klager in de volgende (uit het Fries vertaalde) passage.

“Een week van vragen. Wat beweegt Jan Post de Neitiid op te heffen? Hij was toch eigen baas? Het stond hem vrij de Friese geschiedenis naar zijn hand te zetten, en hoefde niemand rekenschap af te leggen. Hij kon ook niet botsen met de ethiek van het vak, want hij had een gezaghebbende titel noch functie, anders dan zijn vriend Wouter van der Horst die de vuistbijl van Ureterp in zijn eigen vlees heeft gekregen”.

De standpunten van partijen

Klager is van oordeel dat hijzelf en de in zijn tijdschrift Neitiid publicerende auteur Wouter van der Horst door de Leeuwarder Courant kapot zijn geschreven onder andere omdat bij de heropening van de discussie over de vondst van de vuistbijl door Hein van der Vliet door de publikatie van het artikel van Kerst Huisman van 10 januari 1991 geen commentaar is gevraagd aan klager en ook overigens geen of onvoldoende aandacht is besteed aan de door klager gebezigde argumenten. Dat laatste geldt ook voor de bespreking in de krant van het boek “De strijdbijl van Wijnjeterp”. Ter zitting heeft klager benadrukt dat hij zich in het bijzonder gegriefd voelt door de column van Pieter de Groot. Het feit dat hij het tijdschrift Neitiid heeft opgeheven is naar zijn mening namelijk het gevolg van de publikaties in de Leeuwarder Courant. Volgens klager zijn die publikaties de oorzaak van het teruglopen van het aantal lezers. Het tijdschrift verscheen in een oplage van ongeveer 200 stuks. In het tijdschrift werd niet alleen geschreven over de kwestie van de vuistbijl maar ook over andere onderwerpen.

Betrokkene is van oordeel dat klager niet heeft waargemaakt dat hij door de krant kapot zou zijn geschreven.

Beoordeling van de klacht

Ook na kennisneming van de door klager ter zitting van de Raad nog eens onder de aandacht van de Raad gebrachte door klager uitgegeven brochure “De bijl” waarin klager zijn visie op de controverse over de vondst en de daaraan gewijde publikaties geeft is de Raad door klager niet overtuigd van het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de terugloop van het aantal lezers van het tijdschrift Neitiid en de artikelen in de Leeuwarder Courant. De Raad is van oordeel dat de Leeuwarder Courant op evenwichtige wijze aandacht heeft besteed aan de visie van de verschillende partijen zonder dat klager daarbij nodeloos negatief is belicht.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Leeuwarder Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 4 februari 1994 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, mr B.A. Schmitz, mr A.J. Heerma van Voss en mr D.T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1994, 1.

 

 

 

AMonderman